Startpagina Akkerbouw

Leren uit rassenproeven en toegepaste teelttechniek aan de Pibo-Campus

Vorige week vond aan de PIBO-campus in Tongeren de jaarlijkse proefveldrondgang plaats. Het was een van de eerste proefveldbezoeken van het nieuwe seizoen. De bezoekers konden er vooral leren uit de aangelegde rassenproeven in wintergranen en uit de teelttechniek die erin werd uitgevoerd.

Leestijd : 8 min

Onderzoeker akkerbouw aan de PIBO-campus, Wietse Vangilbergen, gaf toelichting bij de wintertarwe. “Daarvan is het areaal groter dit jaar. De achterliggende reden hiervoor is dat vorig najaar de meeste gewassen tijdig uit het veld waren, zeker de maïs, waardoor er goede omstandigheden en voldoende tijd was om wintertarwe in te zaaien.”

Allereerst maakte Vangilbergen een rekensom om te weten wat er nog aan tarwe te verdienen valt. Een rekenvoorbeeld waar je niet direct vrolijk van wordt. Inclusief pacht en andere teeltkosten komt hij snel gerekend aan een kost van 1.400 à 1.500 euro/ha. Bij een opbrengst van 10 ton tarwe/ha heb je aan de inkomstenzijde iets rond de 1.700 à 1.800 euro/ha. De eenvoudige rekensom leert dus dat er zo’n 300 à 400 euro/ha aan overgehouden wordt. “We hopen natuurlijk dat dit spoedig verandert.”

Leren uit proefveldwerking

Vangilbergen geeft dan ook aan dat er aan de PIBO-campus een rassenproef is uitgezaaid waaruit ze hopen te kunnen leren wat beter kan naar rassenkeuze, waar besparingen te realiseren vallen en wat er te leren valt uit de ziektebeheersing.

“In de rassenproef liggen 23 rassen aan, maar geen enkele nieuwe”, gaf de onderzoeker aan. “Dit komt door een wijziging in de organisatie van de rassenproeven bij tarwe, die nu vergelijkbaar is als bij de maïsproeven. Daar werken ze met een voorlopig en normaal netwerk. Ook in de wintertarwe is er deze opdeling gekomen, alle nieuwe rassen komen nu in het voorlopige netwerk aan te liggen. Bewijzen ze zich daar, dan komen ze in het normale netwerk. Finaal moet de landbouwer veel makkelijker ‘zijn gekende’ rassen kunnen aftoetsen tegen de prestaties van de nieuwe rassen. Het vermijdt ook dat we teveel oppervlakte aan proefvelden nodig hebben om alle nieuw aangemelde rassen te kunnen uitzaaien in het eerste jaar van beproeving.”

De praktische landbouwkundige uitvoering van de rassenproef is aan de PIBO-campus vrij ‘standaard’ gebeurd. Toch is er eerder ietwat later gezaaid, op 18 november, na het rooien van suikerbieten. Er werd gezaaid na het ploegen en de onkruidbestrijding gebeurde mede door het late zaaitijdstip pas in het voorjaar. “Daar zag je wat remming van in het gewas”, herinnert Wietse Vangilbergen zich nog.

“Ook de groeiregulatie is hier op een normale wijze uitgevoerd, maar het was moeilijk om het juiste moment te vinden door de koude, schrale weersomstandigheden. De eerste stikstoffractie werd begin maart in een droge periode toegediend. De dosering was net iets minder hoog voor de eerste gift, doordat we uit een droge winter kwamen.”

Strategie achter ziektebehandeling

De ziektebehandeling is uitgevoerd door eind april een T1 te plaatsen en 3,5 weken later de T2 te zetten. “In tegenstelling tot de praktijk, hebben wij hier eerst met een middel op basis van mefentrifluconazool gespoten en dan later in de T2 met een middel op basis van prothioconazole.” In de praktijk gebeurt dit niet snel volgens Wietse Vangilbergen. “Daar is het vaak zowel een prothioconazole in de T1 en in de T2. Dat werkt super, maar als iedere graanteler dat doet en ook nog eens prothioconazole gebruikt in zijn bieten, dan dreigen we met een groot resistentieprobleem te eindigen”, legde hij uit. “Wissel daarom actieve stoffen af.”

In de rassenproef wintertarwe lagen 23 rassen aan. Deze hier allemaal bespreken zou ons te ver leiden. We trachten daarom uit de toelichting enkele algemeenheden te halen. Een eerste is: weet wat je zaait. Zowel de PIBO-campus als het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG) beschikken over heel wat objectieve waarnemingen, opbrengstdata, en eigenschappen van een ras. Daar kan de graanteler zich op baseren voor het maken van een rassenkeuze en het vinden van een ras dat bij zijn bedrijfsvoering past.

Zo kwam er uit de rassenproef een ras naar voren dat een hoog opbrengstpotentieel blijkt te hebben, maar dat ook goed verzorgd moet worden. Het is te zeggen: volgens Wietse Vangilbergen 3 keer spuiten tegen de ziektes met een interval van 3 weken. Daar moet je als landbouwer in het drukke voorjaar natuurlijk op weten in te spelen…

Nog uit de rassenproef blijkt dat de opbrengstprestaties aan de PIBO-campus in Tongeren wel eens kunnen schommelen met wat verder in het LCG netwerk wordt gezien. Als verklaring wijst onderzoeker Vangilbergen hiervoor naar de grondsoort. “Kies dan ook een ras waarvan het potentieel op je gronden tot uiting kan komen.”

In de rassenproef lagen enkele hybriden aan. De teelttechniek wijkt hier wat af ten opzichte van de klassieke variëteiten. “Ze worden aan een lagere dosis uitgezaaid, maar het zaad is wel duurder”, merkte de onderzoeker op. “In natte jaren scoren de hybriden makkelijk iets beter.”

Verder wees hij erop dat bebaarde tarwerassen doorgaans gevoeliger zijn voor aarfusarium. Dat is niet onlogisch, daar deze aren vaker langer nat blijven. Al blijkt deze bemerking niet voor alle bebaarde tarwerassen op te gaan. Er zijn nieuwere rassen in het aanbod die zich minder gevoelig uiten. Het advies is om fusariumgevoelige tarwevariëteiten niet snel na maïs of tarwe te plaatsen.

Sommige rassen in de proef liggen al 6 tot 8 jaar aan. Op die periode zie je soms een ander ziekteprofiel. Waar ze eerst niet gevoelig waren voor bijvoorbeeld gele en/of bruine roest, zie je nu wel een zekere gevoeligheid opduiken. Dat wordt door sommigen toegeschreven aan nieuwe ziektestammen die opduiken.

Tussen de verschillende variëteiten die aanlagen zat soms een impressionant verschil in de bladgrootte, net als in de plantlengte. Bij dit laatste duikt dan al snel de vrees voor legering op, toch is dat geen relatie die zich 1-op-1 verhoudt. Er zijn langere variëteiten die nog steeds legervast zijn.

Gedaald areaal wintergerst

“Waar het areaal wintertarwe is toegenomen, is dat van de wintergerst gedaald in 2025 en terug ietsje gestegen voor 2026”, bemerkte Maxime Versluys, coördinator aan de PIBO-campus. “Rond 2022 hadden we een piek in het areaal wintergerst, dat had onder andere met de oorlog in Oekraïne te maken. Sindsdien is het areaal gedaald. Het areaal spelt en triticale zou dan weer wel toegenomen zijn.”

Bij de teelt van wintergerst maakt het een verschil uit of een ras tolerant is voor dan wel resistent is tegen het dwergvergelingsvirus.
Bij de teelt van wintergerst maakt het een verschil uit of een ras tolerant is voor dan wel resistent is tegen het dwergvergelingsvirus. - Foto: TD

Nochtans vindt Maxime Versluys wintergerst op zich wel een interessante teelt. “Als je het vergelijkt met tarwe is het een teelt die iets minder bemesting vraagt en algemeen iets minder fytogebruik. Vooral inzake risicospreiding is het een interessante teelt, omdat je het ten opzichte van wintertarwe bijvoorbeeld op een ander tijdstip zaait en oogst. Moest je dus slechte weersomstandigheden tegenkomen tijdens een zaai- en/of oogstperiode, dan heb je door in te zetten op meerdere gewassen toch aan risicospreiding gedaan. Omdat wintergerst vroeger wordt geoogst, heb je meer mogelijkheden om een nateelt in te zaaien of om gewoon een groenbedekker vroeg in te zaaien, die dus al vroeg veel biomassa kan produceren. Daarmee kan je dus veel organische stof aan de bodem geven, wat zeker ook een voordeel is.”

Vooraleer stil te staan bij de rassenproef werd nog even naar het groeiseizoen gekeken dat de wintergerst al gekend heeft. Het najaar van 2025 was relatief warm en droog. Het was dus een goed najaar om de wintergerst in mooie omstandigheden uit te zaaien. Door die goede weersomstandigheden, was er echter een hoge bladluisdruk. Dat heeft geduurd tot ver in november, tot de temperaturen daalden en de bladluisdruk afnam. Op nagenoeg alle percelen is in het najaar een insecticidebespuiting moeten gebeuren.

In februari was het warmer en natter, waardoor de wintergranen vlot konden groeien. In maart werd het droger en ook april was droog. De veldwerkzaamheden konden dan ook vlot doorgaan en het graan kon onder goede omstandigheden bemest worden.

April was droog, maar ten opzichte van maart, wel schraal. Daardoor waren er geen optimale omstandigheden om de groeiregulatie in de wintergerst aan te pakken. Daardoor staat het gerstgewas nu wat heterogener. In de rassenproef was er duidelijk minder verschil in strolengte in de behandelde versus niet behandelde proefvlakken, doordat de groeiregulatie minder goed heeft aangeslagen.

Maart, april en begin mei waren vrij droog, waardoor de ziektedruk vrij beperkt bleef in wintergerst. De regens van eind mei en begin juni kwamen dan ook te laat om nog voor een hoge ziektedruk te zorgen.

Uitgevoerde teeltzorgen

In de rassenproef aan de PIBO-campus liggen 18 variëteiten aan waarvan de meeste tolerant zijn voor het dwergvergelingsvirus. Er zijn zowel hybride rassen als klassieke rassen uitgezaaid na een voorteelt cichorei, die vroeg gerooid is. Op 8 oktober is de wintergerst gezaaid, enkele weken later is het opkomstpercentage geëvalueerd. “Dat zat tussen de 67 en 85% opkomst. Dat was aan de lage kant, maar vonden we nog net oké”, erkende Maxime Versluys.

In de rassenproef wintergerst in Tongeren lagen er 18 variëteiten aan. In tegenstelling tot bij de wintertarwe lagen hier wel nieuwe variëteiten aan, namelijk: KWS Chilis, Littoral, Maelys, SY Kestrel, SY Zoomba en SY Chevioot en Hopinel. De klassieke rassen werden uitgezaaid aan 250 korrels/m2. Bij de hybride rassen is dat 25% minder, dus ongeveer aan 188 korrels/m2. “De hybride rassen lieten gemiddeld een hoger opkomstpercentage zien ten opzichte van de klassieke rassen, maar spectaculair was dit verschil niet.”

Aan het einde van de winter werd via een bodemstaal de bemesting berekend. Dat kwam uit op een 160 eenheden stikstof, verdeeld over 2 fracties. Die eerste gift hebben de proefveldmedewerkers aan de PIBO-campus toch zelf nog opgesplitst in een toediening begin maart en half maart. Op 9 april werd dan de tweede fractie gegeven.

Maxime Versluys bemerkte dat hybride rassen eigenlijk een andere bemestingsstrategie zouden moeten ontvangen dan de klassieke rassen, maar dat is niet praktisch uitvoerbaar binnen het proefprotocol. Daarom werd ieder ras in proef op dezelfde wijze behandeld.

In het najaar van 2025 werd de onkruidbestrijding in de wintergerst uitgevoerd. Doordat dit al goed gewerkt heeft en doordat er in het voorjaar snel groeizaam weer was, is een correctiebespuiting niet nodig geweest.

Op 7 en 24 april werd de groeiregulatie uitgevoerd, en ook de fungicidebehandeling. Zoals eerder aangehaald, waren de weersomstandigheden niet groeizaam genoeg om de ingezette middelen bij de groeiregulatie optimaal tot uiting te laten komen. Bij de ziektebehandeling werd een schema uitgewerkt met middelen, waardoor er zowel een preventieve werking was als een curatieve werking op ziekten die reeds in het gewas aanwezig waren. De ziektedruk was vrij beperkt in de wintergerst: amper witziekte of dwergroest, een beetje bladvlakkenziekte en ramularia.

Volledigheidshalve moeten we nog meegeven dat in het najaar de bladluisdruk te hoog was en dat er hiertegen een insecticide is ingezet. In het voorjaar is er geen bladluisdruk gezien die te hoog was om te behandelen.

Tim Decoster

Lees ook in Akkerbouw

Evolueren naar 750.000 ha Vlaamse landbouwgrond

Akkerbouw Kamerlid Mieke Schauvliege (Groen) weet uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dat er 750.000 ha grond bestemd moet worden voor landbouw. Op dit moment telt Vlaanderen 782.000 ha landbouw. Daaruit concludeert ze dat er nog meer landbouwgrond moet omgezet worden in andere bestemmingen.
Meer artikelen bekijken