Biocontrole sneller inpassen in geïntegreerde landbouw
Hoe houden landbouwers hun teelten gezond met een krimpende toolbox, nu steeds meer klassieke chemische gewasbeschermingsmiddelen verdwijnen? Biologische middelen – ook biocontrolemiddelen of kortweg ‘biocontrole’ genoemd – kunnen een oplossing bieden, maar de weg naar de markt is heel lang. Tijdens de algemene vergadering van Belplant, de sectorfederatie van gewasbeschermingsbedrijven, lag de focus op biocontrole als onmisbare bouwsteen binnen geïntegreerde landbouw.

De landbouw van 2050 zal fundamenteel anders zijn dan die nu is. De agrovoedingsketen evolueert mee: verbeterde zaden, groene biotechnologie, precisielandbouw, digitale toepassingen… Inzetten op biocontrolemiddelen in geïntegreerde landbouw is fundamenteel. Zo wordt er onder meer veel verwacht van fermentatietechnologieën. De vraag is of de regelgeving het tempo van de innovaties kan volgen. Technologie alleen volstaat immers niet. “Onderzoek en ontwikkeling leidt naar nieuwe biocontrolemiddelen, maar de succesvolle integratie van die middelen vraagt opleiding, kennis, praktijkervaring en landbouwers die mee kunnen groeien met die verandering”, zegt Belplant-voorzitster Valerie Frankard. “Innovatie versnellen blijft de weg vooruit. Daarom is het heel belangrijk dat we blijven samenwerken en communiceren met verschillende partners in de keten, zodat iedereen mee is met deze veelbelovende manier van werken.”
Gebrek aan algemeen aanvaarde definitie
Professor Philippe Jacques van Gembloux Agro-Bio Tech - Universiteit van Luik gaf een levendige inkijk in de wereld van de biocontrole. Hij wees op het gebrek aan een duidelijke, algemeen aanvaarde definitie van wat biocontrolemiddelen zijn. Daardoor blijft het moeilijk om vast te leggen onder welk regelgevend kader bepaalde producten vallen. Vaak gaat het om geavanceerde technologieën zoals microbiële stammen, fermentatietechnologie en RNA-gebaseerde toepassingen. Deze laatste maken gebruik van ribonucleïnezuur (RNA) om biologische processen in cellen te sturen of te corrigeren. Van deze innovaties wordt veel verwacht.
Volgens Philippe Jacques verloopt de markttoelating van biocontrolemiddelen in andere werelddelen heel wat sneller. “In landen als Canada, China en India duurt het meestal slechts 2 tot 3 jaar om zo’n middel erkend te krijgen. In Europa bedraagt de officiële termijn 5 jaar, maar in de praktijk loopt de toelatingsprocedure vaak op tot 7 à 10 jaar. Daardoor dreigt innovatie achterop te raken, want de biotechnologie evolueert razendsnel.”

Technologie is sneller dan regulering
De voorbije 6 jaar verloren de Europese landbouwers maar liefst netto 89 actieve stoffen in het gewasbeschermingspakket, vaak zonder dat er een volwaardig alternatief was. Tegelijk investeren Belplant en haar leden volop, want meer dan de helft van hun onderzoeksbudget gaat naar biocontrolemiddelen en digitale ondersteuningssystemen. Dat is ook nodig, want biotechnologie in zijn geheel is een van de snelst groeiende sectoren in de EU. Die sector is goed voor 900.000 jobs en draagt maar liefst 40 miljard euro bij aan de Europese economie. De sector speelt dus een sleutelrol, niet alleen in de gezondheidszorg en industrie, maar ook in de landbouw.
In 2024 publiceerde Mario Draghi, voormalig voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB) en ex-premier van Italië, op vraag van Europees Commissie-voorzitter Ursula von der Leyen een rapport met zijn visie op de toekomst van het Europese concurrentievermogen. Het rapport benadrukte dat de Europese Unie achterloopt op haar wereldwijde concurrenten door onvoldoende financiering, overregulering en drempels voor innovatie.
Ook biocontroleproducten bereiken de Europese markt vaak moeizaam. Innovatie vraagt immers niet alleen kennis, maar ook kapitaal. Tijdens een panelgesprek deelden 4 experts hun kijk op de belangrijkste knelpunten om bovenstaande innovaties sneller op het veld te krijgen.
Haalbare en geleidelijke overgang
Bart Dochy, voorzitter van de commissie Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid, Vlaams parlementslid voor cd&v, bekijkt het vanuit het beleid én de landbouwpraktijk, vermits hij zelf ook nog steeds landbouwer is. Volgens Dochy moet de overgang naar meer biocontrole haalbaar en geleidelijk verlopen. “Biocontrolemiddelen staan heel hoog op de agenda. Alles wat met gezondheid en voeding te maken heeft, is vandaag een hot issue. Het is godgeklaagd om vast te stellen dat chemische middelen onder druk worden gezet die desgevallend niet meer mogen worden gebruikt, terwijl ze geen alternatief hebben. Landbouwers hebben nood aan middelen die werken én economisch rendabel zijn. Maar het risico mag niet bij hen liggen. Daarom zijn duidelijke regels, goede alternatieven en opleiding essentieel, zeker ook in het kader van initiatieven zoals het Vlaams drinkwaterplan van minister van Landbouw Jo Brouns”, zei Dochy.
Hij verwees ook naar het Mercosur-verhaal. “In Zuid-Amerikaanse landen gebruikt men de oude middelen nog die hier al verboden zijn en zal men veel makkelijker toegang krijgen tot de nieuwe toolbox. We pleiten voor een gelijk speelveld. Dat betekent dat middelen die we hier niet mogen gebruiken logischerwijs ook daar niet mogen worden toegepast. Verder gebruiken de Zuid-Amerikanen vaak ook nieuwe middelen – die soms hier ontwikkeld worden – die wij hier niet mogen gebruiken en die daar wél kunnen worden toegepast. Dat is eigenlijk waanzinnig.”
Snellere evaluaties nodig
Eva Van Hende is verantwoordelijke voor regelgeving en duurzaamheid bij Biotalys, een Gents agro-biotechnologiebedrijf dat innovatieve biologische gewasbeschermingsmiddelen ontwikkelt op basis van specifieke eiwitten, die zijn afgeleid van antilichamen van kameelachtigen. “Dat is geen evidentie, zeker in een Europese context. Overheden tonen veel interesse in biocontrole, aldus Van Hende. “Maar de onzekere tijdslijnen en lange goedkeuringsprocedures van 7 tot 10 jaar zijn een probleem. Daar moet je nog eens 2 jaar bijtellen om je dossier voor te bereiden.
De biotechnologie evolueert razendsnel en na die 12 jaar zijn de goedgekeurde biocontrolemiddelen vaak al achterhaald en dus een fossiel. Politici hebben dus een belangrijke taak, want het is essentieel dat de regelgeving sneller kan inspelen op technologische vooruitgang.”
Hendrik Waegeman, hoofd Business operations van de Bio Base Europe Pilot Plant in Gent, wees op het investeringsklimaat: biocontrolemiddelen hebben veel potentieel en worden steeds specifieker en effectiever. “Biopesticiden en alternatieve eiwitten zijn de 2 deelsectoren waar het meest groei in zit. Biopesticiden laten andere fauna en flora ongerept. Dat is een enorme kracht die we moeten uitspelen. Na 12 jaar is de technologie gedateerd, maar het bedrijf dat die technologie heeft ontwikkeld, zal misschien ook niet meer bestaan. Het onzekere kader leidt er ook toe dat investeerders niet echt happig zijn om in die bedrijven te investeren. Als het te lang duurt, haken bedrijven af of kijken ze naar andere regio’s. Snellere evaluaties zijn dus cruciaal om innovatie hier te houden”, benadrukte hij.

Betrouwbare prestaties op het veld
Lieve Herman is hoofd van de afdeling Technologie en Voeding bij het ILVO (Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek) en voorzitter van het Wetenschappelijk Comité van het FAVV (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Zij legde de nadruk op de praktijk. “Het inpassen van biocontrolemiddelen in de dagelijkse praktijk van de landbouw is het werk van ILVO. Een product dat heel goed werkt in het labo of in een serre, moet ook op het veld betrouwbaar zijn. Dat vraagt extra kennis rond toepassingstechniek, zoals spuittechniek en formulering. Vaak moet je een biocontrolemiddel oordeelkundiger inzetten dan een synthetisch middel, naargelang de weersomstandigheden. Daarnaast blijven bepaalde vragen rond veiligheid belangrijk, bijvoorbeeld over het gedrag van micro-organismen in gewassen en voeding. Onderzoek en opleiding blijven dus noodzakelijk.”
Herman zetelt ook in het wetenschappelijk adviesorgaan van het Europees Voedselagentschap EFSA. Volgens haar focuste EFSA in het verleden vooral op chemische oplossingen. “Het was en is nog steeds moeilijk om in Europa de nodige veilig-heidsnormen toe te passen op nieuwe micro-organismen. Er is ook een tekort aan competentie om de risico-analyse volledig en snel te maken. Maar we gaan daar wel in vooruit.”
Sector blijft optimistisch
De nieuwe biotechnologische toepassingen komen eraan, maar ze bereiken de Europese markt vaak slechts moeizaam. Toch blijft de sector optimistisch. De Food and Feed Omnibus, het wetsvoorstel van de Europese Commissie om de wetgeving rond voedselveiligheid en diervoeders in de EU te vereenvoudigen en administratieve lasten te verminderen, biedt een belangrijke opportuniteit. De EU en de lidstaten moeten die kans grijpen. De panelleden waren het erover eens dat de lat van de goedkeuringsprocedures voor biocontrolemiddelen niet lager moet liggen, maar er moet wel sneller overheen kunnen worden gesprongen.
Voedselzekerheid garanderen
Bart Dochy wees op de noodzaak tot het behoud van onze voedselproductie. “De toegang tot de erkenning moet sneller en efficiënter verlopen, maar de essentie van het verhaal is de zekerheid rond de voedselproductie die we moeten inbouwen. Het zou goed zijn dat er een evenwicht komt, waardoor we ‘oude middelen’ minstens nog een tijdje zouden kunnen gebruiken als terugvalsbasis of ‘parachute’ mocht het verkeerd lopen met de inzet van biocontrolemiddelen.”
Vereenvoudiging expertenteams
Eva Van Hende pikte hierop in. “Een voorlopige toelating van biocontrolemiddelen kan zeker een verschil maken voor innovatoren zoals wij. Als we de verplichte hernieuwing van de toelating voor chemische middelen laten vallen, komt er enorm veel ruimte vrij bij de overheden, waardoor de erkenning van biocontrolemiddelen sneller kan gaan. Het gevecht tegen oude middelen staat nieuwe middelen in de weg.”
Van Hende pleitte ook voor een vereenvoudiging van de expertenteams die de evaluaties op Europees vlak uitvoeren. “Er moet 1 expertenteam ver-antwoordelijk zijn voor de evaluatie van een stof in Europa. Zo kunnen we starten met nieuwe regelgeving die veel eenvoudiger is.”
Innovatie niet afremmen
Belplant ziet een duidelijke rol om mee te ijveren voor snellere tijdslijnen, zonder in te boeten op de wetenschappelijke kwaliteit. “Het gaat niet om minder onderzoek of eenvoudigere dossiers, maar om een efficiënter systeem dat innovatie ondersteunt in plaats van afremt”, was Peter Jaeken, secretaris-generaal van Belplant, duidelijk. Daarbij moet communicatie helpen om ook het publiek mee te krijgen, want ook daar is nog wantrouwen. Denk maar aan de commotie rond Calantha, een nieuw RNAi-insecticide tegen de coloradokever in aardappelen.
“Ongeacht het type gewasbescherming blijft wantrouwen een kernprobleem in de Europese Unie. Belplant blijft pleiten voor Europese harmonisatie voor biocontrolemiddelen en voor een verhoogde evaluatie-efficiëntie voor álle gewasbeschermingsmiddelen”, besloot Jaeken.





