Kruidenrijk grasland presteert sterk in natte én droge jaren
Voorlopige resultaten tonen aan dat soortenrijke graslanden minstens even goed presteren als conventionele graslanden op het vlak van opbrengst en voederkwaliteit.

Kunnen soortenrijke graslanden even productief zijn als klassieke graslanden? En leveren ze ook voldoende voedzaam ruwvoer voor melkvee? Dat zijn enkele van de vragen die centraal staan binnen het Europese Interreg-project DivGrass, waarin de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) samenwerkt met onderzoeks- en praktijkpartners uit 5 landen.
Graskruidenmengsels worden vaak naar voren geschoven als een veelbelovende manier om landbouwproductie te combineren met meer biodiversiteit en een grotere weerbaarheid tegen extreme weersomstandigheden. Toch blijft voor veel melkveehouders de vraag of deze soortenrijke graslanden ook voldoende opbrengst en voederkwaliteit kunnen leveren. Daarom volgt de VLM op verschillende Vlaamse landbouwbedrijven soortenrijke en soortenarme graslanden op en vergelijkt ze hun samenstelling, opbrengst en voederwaarde.
Hieronder stellen we enkele voorlopige resultaten voor uit de staalnames van 2024 en 2025.
Welke graslanden onderzoeken we?
Een van de belangrijkste activiteiten binnen het DivGrass-project is onderzoeken in welke mate graskruidenmengsels bruikbaar zijn binnen de melkveehouderij. Hiervoor nemen we vegetatiestalen op 5 landbouwbedrijven, verspreid over Vlaanderen. Bij elke landbouwer volgen we 4 percelen op.
Een van deze percelen is permanent grasland dat werd ingezaaid met een graskruidenmengsel en dat daardoor soortenrijker is. Deze percelen bevatten vaak verschillende grassoorten, zoals rietzwenkgras, beemdlangbloem, kropaar, timoteegras, rood zwenkgras en raaigrassen. Daarnaast komen er verschillende vlinderbloemigen in voor, waaronder witte klaver, rode klaver, basterdklaver en luzerne. Ook diverse kruiden maken deel uit van het mengsel, zoals cichorei, smalle weegbree, duizendblad, kleine (moes)pimpernel en karwij.
Daarnaast volgen we een tweede perceel permanent grasland op, dat voornamelijk bestaat uit (raai)gras, met weinig tot geen kruiden, en dat dus een lagere soortenrijkdom heeft. Dezelfde vergelijking maken we ook op recent ingezaaide percelen, waardoor we zowel permanente als niet-permanente graslanden kunnen onderzoeken.
Op basis van vegetatie-inventarisaties en staalnames van de verschillende plantensoorten op het veld brengen we de opkomst en samenstelling van de percelen in kaart (zie tabel 1).

Van vegetatiestaal
tot voederwaardeanalyseBinnen Vlaanderen staat de VLM, samen met Boerennatuur, in voor de vegetatiemonitoring en een deel van de staalnames. Voor elke staalname worden per perceel 3 plots gemaaid. Daarnaast worden vegetatiestalen genomen in 6 plots van 50 x 50 cm, verspreid over het perceel, zodat een representatief beeld van de vegetatie wordt verkregen. Deze staalnames vinden 4 tot 5 keer per jaar plaats en worden telkens uitgevoerd vlak vóór een maaibeurt. Tot nu toe heeft dit geresulteerd in 720 stalen per land.
De graslandstalen, zoals hierboven beschreven, worden verzameld in elk van de partnerlanden binnen het project: België, Nederland, Duitsland, Frankrijk en Zweden. Na de staalname worden de planten gesorteerd in grassen, klavers en kruiden. Vervolgens worden de stalen gedroogd en geanalyseerd op hun voederwaarde door de Universiteit van Göttingen, een van de Duitse projectpartners binnen DivGrass.
Hieronder worden enkele voorlopige resultaten voorgesteld. De weergegeven waarden zijn gebaseerd op de gecombineerde gegevens van 2024 en 2025.
Soortenrijke graslanden leveren meer biomassa
Figuur 1 toont op de X-as het verschil tussen soortenarme en soortenrijke graslanden. Waarden links van de rode lijn wijzen op een hogere waarde in soortenarme graslanden, terwijl waarden rechts van de rode lijn wijzen op een hogere waarde in soortenrijke graslanden. Op de Y-as zijn de verschillende onderzochte parameters weergegeven.

Zowel op permanente als niet-permanente graslanden lag de drogestofopbrengst, of biomassa, hoger in de soortenrijke percelen. Ook het ruwe-eiwit- en vezelgehalte waren doorgaans iets hoger, al waren deze verschillen beperkter. Het suikergehalte lag daarentegen meestal hoger in de soortenarme percelen. Voor de verteerbaarheid werden nauwelijks verschillen vastgesteld tussen soortenrijke en soortenarme graslanden.
Ook de metaboliseerbare energie (ME), een maatstaf die kan worden omgerekend naar de VEM-waarde, was vergelijkbaar tussen alle onderzochte graslandtypes. Deze resultaten wijzen erop dat soortenrijke graslanden minstens even goed presteren als conventionele graslanden op het vlak van voederkwaliteit en opbrengst. Die bevindingen bestuderen we meer in detail hieronder.
Voederkwaliteit blijft minstens gelijkwaardig
Er zijn slechts kleine verschillen in voederkwaliteit (ruwe-eiwit-, vezelgehalte en metaboliseerbare energie) tussen permanente en niet-permanente graslanden, en tussen soortenrijke en soortenarme percelen. Zowel het eiwit- als het energiegehalte liggen rond de benodigde waarden voor de voedingsbehoefte van een volwassen melkkoe (Holstein-Friesian) met een jaarlijkse melkproductie van 8.000 tot 10.000 l.
Het is bovendien belangrijk om te vermelden dat deze resultaten gebaseerd zijn op gegevens uit zowel 2024 als 2025. Terwijl 2024 gekenmerkt werd door zeer natte omstandigheden en 2025 juist uitzonderlijk droog was, blijven de waargenomen trends in beide jaren opmerkelijk consistent.
Evolutie doorheen het groeiseizoen
Op permanente graslandpercelen ligt het eiwitgehalte het hoogst tijdens de eerste snede. Op vers aangelegde percelen is het eiwitgehalte bij de eerste snede vergelijkbaar met dat van de tweede snede op permanent grasland. Naarmate de zomer vordert en het najaar nadert, stijgt het eiwitgehalte opnieuw. Tegen die periode zijn de eiwitgehaltes op vers aangelegde en permanente graslanden min of meer gelijk.
Deze evolutie komt overeen met een toename van het aandeel kruiden en klavers vanaf de derde snede en in de daaropvolgende snedes.
De biomassa is voor beide types grasland het hoogst in het voorjaar en neemt vervolgens geleidelijk af richting het najaar.
Van onderzoek naar beleidsaanbevelingen
Deze voorlopige resultaten tonen aan dat soortenrijke graslanden minstens vergelijkbare prestaties kunnen leveren als conventionele graslanden op het vlak van opbrengst en voederkwaliteit. De bevindingen uit het DivGrass-project zullen binnenkort worden besproken met onderzoekers, beleidsmakers en andere betrokken actoren uit gelijkaardige projecten. Samen zullen we de resultaten van de vegetatiemonitoring en voederwaardeanalyses,, aangevuld met de inzichten uit de bevragingen,, vertalen naar concrete beleidsaanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van productief kruidenrijk grasland in Vlaanderen.





