Startpagina Recht

Wie mag er wel meehelpen op een landbouwbedrijf?

In het Libramont-nummer stonden we stil bij de vraag of minderjarige kinderen juridisch gezien mogen meewerken op het landbouwbedrijf en wat zij dan juist kunnen doen. De wetgeving bleek behoorlijk streng, waardoor eigen kinderen toch niet zoveel mogen doen. Een alerte lezer wees ons op de alternatieve mogelijkheden, van de toevallige helper tot de zelfstandig helper.

Leestijd : 3 min

In dit artikel staan we stil bij deze alternatieve mogelijkheden, ook al viel dit buiten het opzet van het vorige artikel.

Toevallige helper

Een eerste categorie van personen die kunnen meehelpen op een boerderij, zijn de toevallige helpers. Een toevallige helper is een persoon die een zelfstandige landbouwer slechts op uitzonderlijke en occasionele basis helpt of vervangt, zonder dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het gaat om hulp die niet regelmatig voorkomt en die beperkt blijft in de tijd.

Om als toevallige helper te worden beschouwd, mag de hulpverlening niet meer dan 90 dagen per kalenderjaar bedragen. Bovendien mag de hulp geen terugkerend of vooraf georganiseerd karakter hebben. Wie bijvoorbeeld jaarlijks gedurende dezelfde periode meewerkt tijdens een terugkerende oogst- of verkoopactiviteit, zal in de regel niet als toevallige helper worden beschouwd. Een toevallige helper is, onder deze voorwaarden, niet onderworpen aan het sociaal statuut van de zelfstandigen en hoeft zich bijgevolg niet aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. Deze regeling vindt haar wettelijke basis in het Koninklijk Besluit nummer 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en de uitvoeringsbepalingen die de uitzondering voor occasionele helpers regelen.

Zelfstandig helper

Vervolgens is er de zelfstandig helper. Dit is een persoon die geen eigen zelfstandige activiteit uitoefent, maar die een zelfstandige regelmatig helpt of vervangt zonder door een arbeidsovereenkomst met die zelfstandige verbonden te zijn. De helper werkt daarbij niet onder gezag zoals een werknemer, maar beschikt over voldoende vrijheid in de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Het statuut komt in de praktijk vaak voor bij familieleden die meewerken in een eenmanszaak, waaronder landbouwbedrijven.

Anders dan de toevallige helper wordt de zelfstandig helper in principe beschouwd als een sociaal verzekeringsplichtige zelfstandige. Hij of zij moet zich daarom aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds en moet sociale bijdragen betalen. De wettelijke grondslag voor dit statuut is terug te vinden in artikel 6 van hetzelfde Koninklijk Besluit numer 38 van 27 juli 1967, waarin de helper wordt omschreven als degene die een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt zonder arbeidsovereenkomst.

Gelegenheidsarbeid

Een andere, heel belangrijke categorie van personen die hulp kunnen bieden op een landbouwbedrijf zijn de zogenaamde seizoensarbeider. Voor deze seizoensarbeiders bestaat een specifiek systeem van wat gelegenheidsarbeid wordt genoemd. Deze regeling laat landbouwers toe om tijdens arbeidsintensieve periodes, zoals zaaien, planten, oogsten, sorteren of verwerken van landbouwproducten, tijdelijk personeel in dienst te nemen onder een vereenvoudigd socialezekerheidsstelsel. Hierdoor kunnen pieken in de arbeidsbehoefte op een landbouwbedrijf op een flexibele en administratief vereenvoudigde manier worden opgevangen.

De gelegenheidswerknemer werkt als werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst en valt dus onder het gezag van de werkgever. Dat onderscheidt hem fundamenteel van de zelfstandig helper of toevallige helper, die niet onder een arbeidsovereenkomst werken. Voor de land- en tuinbouwsector gelden specifieke regels inzake het maximaal aantal arbeidsdagen en worden de sociale zekerheidsbijdragen berekend op een forfaitair dagloon in plaats van op het werkelijk uitbetaalde loon.

Geen vrijwilligers

Op een klassiek landbouwbedrijf kunnen geen vrijwilligers met een vrijwilligersvergoeding worden ingezet. Klassieke landbouwbedrijven zijn gericht op het behalen van winst, terwijl vrijwilligerswerk wettelijk strikt is voorbehouden aan vzw's, openbare besturen of organisaties zonder winstoogmerk. Op een educatieve zorgboerderij die onder een vzw valt, is vrijwilligerswerk dus wel mogelijk, op een normaal familiaal landbouwbedrijf niet.

Verloning is niet verplicht

Tot slot stelt zich ook de vraag hoe het zit met de betaling van deze diverse vormen van hulp. Niet alle helpers op een landbouwbedrijf moeten verplicht worden verloond. Een toevallige helper of zelfstandig helper kan in bepaalde omstandigheden onbezoldigd meewerken, vooral wanneer het gaat om familiale hulp zonder arbeidsovereenkomst. Anders is het voor gelegenheids- of seizoensarbeiders: zij werken als werknemers en hebben daarom steeds recht op een loon overeenkomstig de arbeidswetgeving en de sectorale regels.

Jan Opsommer

Lees ook in Recht

Meer artikelen bekijken