Hoe landbouwers natuurbranden kunnen voorkomen
Landbouwers hebben over heel Europa geholpen met het blussen van natuurbranden. Ook op voorhand kunnen zij al veel doen om de uitbraak of verspreiding van natuurbranden zoveel mogelijk te voorkomen.

De verwoestende natuurbrand in de Hoge Venen, die meer dan 3.000 ha kostbare natuur in as legde, drukt ons met de neus op de feiten. Ook België is enorm kwetsbaar geworden voor natuurbranden. “Door klimaatverandering worden we vaker geconfronteerd met lange periodes van extreme droogte, zoals de afgelopen zomer het geval was”, zegt onderzoeker Sam Ottoy (PXL Bio-Research). Hij richtte vorig jaar samen met collega’s een postgraduaat Adviseur Natuurbrandbeheersing op. Door kurkdroge vegetatie krijgen we sneller, maar ook intensere natuurbranden. “Dat is er gebeurd in de Hoge Venen en de brand in het Nederlandse Venray.”
Vlaanderen is dan nog eens extra kwetsbaar, omdat ons landschap een lappendeken vormt, met een stukje natuur, landbouwgrond en bebouwing pal naast elkaar. “In vergelijking met de Mediterraanse landen, Australië en Canada, die al meer ervaring hebben met natuurbranden en waar we van proberen leren, hebben we hier in Vlaanderen een zeer hoge wildland-urban interface.” Groen en grijs wisselen elkaar snel af, waardoor de kans groter is dat een natuurbrand economische schade aanricht in de landbouw, of overslaat naar huizen of kritieke infrastructuur.
Omgekeerd veroorzaakt een brandende loods sneller een natuurbrand, zoals een recente brand in Vucht (Maasmechelen) toonde. De loods van een melkveebedrijf dat pal naast de rand van een bos stond, schoot in brand. De brandweer greep in door een deel van het bos te ruimen, maar toch sloeg de brand over naar het bos. Er moest zelfs een aantal keer opnieuw nageblust worden omdat het bleef smeulen.
Ontsteking
Een ‘succesvolle’ natuurbrand heeft 3 elementen nodig: genoeg brandstof – door klimaatverandering geen probleem in de vorm van uitgedroogde vegetatie – zuurstof, maar ook een ontsteking. “Negen op de 10 natuurbranden heeft een menselijke oorsprong, al dan niet bewust. Dat houdt in dat er ook veel branden vermeden kunnen worden. Soms ontstaan deze branden omdat er ondoordacht met machines wordt omgegaan.”
Er bestaat het vermoeden dat een bosbouwmachine achter de brand in de Hoge Venen zit. Die zou maaiwerkzaamheden hebben uitgevoerd in het gebied in opdracht van de Waalse overheid, meer precies het Waalse Natuur en Bos.
Een recent rapport geschreven in opdracht van het Vlaamse Agentschap voor Natuur en Bos legt de gevaren uit van het gebruik van machines bij beheerwerken bij verhoogd brandgevaar. Het rapport focust op natuurbeheerwerken, maar de conclusies gelden evengoed voor landbouwmachines.
(Landbouw)machines kunnen vegetatie in brand steken op verschillende manieren, bijvoorbeeld door de warmte van het toestel of de motor, door de uitlaatgassen of door elektronische defecten. Maar vooral vonken door de interactie van metaal op stenen in de bodem, een reëel risico bij maaiwerken, lijken een van de belangrijkste oorzaken van natuurbranden bij machinegebruik te zijn.
Veel van de bovengenoemde risico’s op brand kan je beperken door je machines regelmatig en grondig te onderhouden. Bij langdurig droog weer neem je het best voorzorgsmaatregelen voordat je aan de slag gaat met machinerie. Zo kan je de vegetatie bevochtigen voor de start van de werkzaamheden, extra onderhoudscontroles inlasten en een brandblusser meenemen. Maar bij reëel brandgevaar zet je het best de werken stop tot de omstandigheden verbeteren.
Brandgangen op het erf
Landbouwers kunnen op voorhand veel doen om erger te voorkomen. “Preventie gebeurt het best op landschapsniveau”, aldus Ottoy. Landbouwers zijn landschapsbeheerders bij uitstek.
Het komt erop neer om zoveel mogelijk brandstof weg te nemen, of voldoende vochtig te houden, zodat de brand vanzelf uitdooft na een tijd, makkelijker te bestrijden valt of zich niet verder kan verspreiden. Dat doe je bijvoorbeeld door brandgangen aan te leggen tussen natuur en landbouwgrond of erfbebouwing. “Daar mag geen vegetatie op staan, of die moet zeer kort gehouden worden, zodat het vuur niet zo snel kan overslaan. Ook hier is het belangrijk om rekening te houden met de brandbaarheid van vegetatie. Niet elke soort of vegetatietype is immers even brandbaar.”
Planten die typisch sneller uitdrogen of minder vocht vasthouden zullen sneller ontbranden. Volgens Nieuw-Zeelands onderzoek zijn fruitgewassen en granen sneller ontvlambaar, terwijl groenten, weidekruiden, -grassen en -peulvruchten beter bestand zijn tegen vuur. Door deze gewassen op strategische plaatsen langs natuur te planten, kan je het overslaan van brand naar je landbouwgrond op zijn minst vertragen.

Brandgangen hoeven bij voorbaat niet onproductief te zijn. Er lopen Europese studies die aangeven dat goed beheerde wijn- en olijfgaarden een brand kunnen stoppen of vertragen. “Door deze gaarden op weldoordachte plaatsen te ontwikkelen, kunnen ze zorgen voor een stop of rem.”
In Zuid-Europa worden grazers als schapen en runderen al vaak ingezet als een duurzame vorm van brandpreventie. Deze landbouwdieren eten grassen en struiken op die anders als brandstof voor natuurbranden fungeren. “Hier worden grazers ook vaak in natuurgebieden ingezet, bijvoorbeeld in heidegebieden, om vergrassing door het pijpenstrootje tegen te gaan. Veel voorjaarsbanden zijn aan deze plant te wijten, wanneer afgestorven stengels van het vorige groeiseizoen nog droog op het terrein aanwezig zijn.”
“Het belang van de bodem wordt nu vaak nog over het hoofd gezien.” Door agro-ecologische technieken te gebruiken om de bodem te bewerken, kan je als landbouwers meer koolstof opslaan in de bodem. Zo houdt die meer vocht vast. Hoe meer vocht in de bodem, hoe kleiner de kans dat een brand uitbreekt of zich snel uitbreidt.
App om hulp te coördineren
Landbouwers staan spontaan klaar om de brandweer bij te staan bij een natuurbrand, zoals talloze boeren getoond hebben deze zomer. Zo ook in de Hoge Venen, waar het team van landbouwer en machinereparateur Jean-Luc Evrard dagenlang in de weer was met mesttanks en containers om water aan te leveren.
Uit zijn getuigenis voor Landbouwleven komt een vraag naar voren voor meer centrale coördinatie om alle hulp efficiënter in te zetten. Ook oppert hij de oprichting van een centraal register van beschikbare middelen bij landbouwers en andere bedrijven.

Juist daarmee is Koen Goffings, een collega van Sam Ottoy bij hogeschool PXL, bezig in het Europese project
Om op deze vragen een antwoord te bieden, ontwikkelt het project een app. Iedereen die wil helpen, kan op voorhand aangeven waar ze goed in zijn en over welk materiaal ze beschikken. “Iedereen kan iets bijdragen, zolang het maar binnen zijn talent ligt.” Als er zich dan een crisis voordoet, kan de professionele hulpverlening hun op basis van geolocatie vragen om bepaalde taken uit te voeren.
Tijdens de brand op de Hoge Venen kwam er op een bepaald moment spontaan een website op die hetzelfde doel heeft als de app, maar die enkel spontane hulp registreert. “Die website kwam er door de frustratie van een lokale IT’er. Het toont dat we de nagel op de kop slaan en deze gedachtegang verder moeten ontwikkelen door de inventarisatie en het operationaliseren van deze talenten. Een gebrek aan coördinatie is wel degelijk een probleem.”
De app zal zich niet alleen richten op natuurbranden, maar op alle soorten crisissen. Vanaf begin 2027 zal het project beginnen met campagne voeren om de eerste vrijwilligers bij de app te betrekken. “We gaan op jaarmarkten staan met een stand om landbouwers actief aan te spreken. We mogen niet verwachten dat mensen ons zelf gaan vinden.”
Mocht je als vrijwilliger of op een andere manier willen bijdragen aan het Solidarity Sparks-project, mail naar koen.goffings@pxl.be of hanne.westhovens@pxl.be.





