Startpagina Actueel

Veeteelt zou fors moeten inkrimpen om België CO2-neutraal te maken

Om tegen 2050 CO2-neutraal te worden, is er, behalve een sterke reductie van de uitstoot van broeikasgassen, nood aan herbebossing en een ingrijpende transformatie van het landgebruik, de landbouwpraktijken en het bosbeheer in België. Dat blijkt uit een studie van de dienst Klimaatverandering van de FOD Volksgezondheid. Vooral de veehouderij ligt onder vuur.

Leestijd : 9 min

Om koolstofneutraal te worden, zal België zijn uitstoot van broeikasgassen op alle fronten drastisch moeten inperken. Maar bepaalde resterende emissies moeten worden gecompenseerd door natuurlijke koolstofputten, zoals bossen of blijvend grasland. Die raken echter om verschillende redenen uitgeput: verstedelijking, de omzetting van blijvend grasland in akkerland, en een verminderde capaciteit van onze bossen en natuurlijke ecosystemen om CO2 op te nemen, tegen de achtergrond van de klimaatopwarming.

"Ons opnamevermogen is sinds 1990 met een factor 6 afgenomen", zegt Camille Reyniers van de dienst Klimaatverandering van de FOD Volksgezondheid. "We lopen het risico in een situatie terecht te komen waarin onze natuurlijke ecosystemen een netto-emissiebron zouden worden."

Drie scenario’s

De studie, uitgevoerd door onderzoekers van Vito, Sytra (UCLouvain) en Gembloux Agro-Bio Tech (ULiège), analyseert 3 trajecten voor het landgebruik: een scenario op basis van de huidige trends, een scenario dat rekening houdt met goedgekeurde of geplande beleidsmaatregelen -zoals het voornemen om tegen 2050 een einde te maken aan de stedelijke wildgroei in Wallonië of de Vlaamse bouwshift tegen 2040 - en een scenario van ingrijpende verandering. De conclusie? Alleen het scenario van ingrijpende verandering maakt het mogelijk om in 2050 aan de doelstellingen voor klimaatneutraliteit te voldoen.

Een van de belangrijkste maatregelen in dat scenario betreft de veeteelt. In totaal daalt de veestapel in het scenario met 32%, tegenover een stijging van respectievelijk 63% en 61% in het referentiescenario en het huidige beleidsscenario. Het gaat daarbij over -28% voor pluimvee, -45% voor melkkoeien, -70% voor varkens en -71% voor runderen (ten opzichte van 2022) waardoor grond die nu gebruikt wordt voor veevoeder kan vrijkomen. De graanconsumptie door vee in België daalt met 62% tegen 2050, waardoor 117.000 ha akkerland vrijkomt (uitgaande van een constante verhouding tussen binnenlands geproduceerd en ingevoerd veevoeder). Daarnaast neemt de vraag naar ruwvoer met 56% af, waardoor ongeveer 161.000 ha akkerland voor voedergewassen en tijdelijk grasland vrijkomt.

Permanente graslanden behouden

Zo zou 278.000 ha landbouwgrond, meer dan een vijfde van het Belgische landbouwareaal, kunnen worden herbestemd voor andere doeleinden: herbebossing (meer dan 80.000 ha in 25 jaar), het opnieuw onder water zetten van drooggelegde veengebieden of de omvorming van bijna 10.000 ha drooggelegde weiden tot watergebieden. Het scenario zorgt er uitdrukkelijk voor dat permanente graslanden behouden blijven, ondanks de afname van de veestapel, wat impliceert dat de veehouderijsystemen extensiever worden ingericht. Omdat de meeste permanente graslanden zich in Wallonië bevinden, zou de verwezenlijking van dit scenario een belangrijke transformatie vereisen van de melkvee- en vleesveesector in Vlaanderen, waar de veehouderij momenteel intensiever is.

Dit scenario maakt een einde aan de Belgische afhankelijkheid van ingevoerde soja voor dierenvoeding, zowel door de vermindering van de veestapel als door de toewijzing van 129.000 ha bestaand akkerland aan lokale sojateelt. Daarnaast voorziet het scenario 10.000 ha akkerland voor een grotere productie van plantaardige eiwitten voor menselijke consumptie, waardoor België theoretisch zelfvoorzienend kan worden op het vlak van plantaardige eiwitten, mits een aangepast voedingspatroon. Nog eens 10.000 ha akkerland wordt bestemd voor de productie van biomassagewassen voor niet-voedingsdoeleinden ter ondersteuning van de bio-economie.

Meer biolandbouw

Dat scenario, dat gepaard gaat met een voedingspatroon dat meer op plantaardige eiwitten is gebaseerd, voorziet ook in een grotere schaal van agrobosbouw (op 10% van de landbouwgrond en 30% van de graslanden) en biologische landbouw (tot 40% van de landbouwgrond in Vlaanderen en tot 60% in Wallonië), en een doelstelling van netto nulverharding van land tegen 2030.

Wat bosbeheer betreft, betekent het scenario van ingrijpende verandering een grotere diversiteit van onze bossen, met name wat betreft boomsoorten en hun leeftijd, aangezien een jongere boom meer CO2 opneemt dan een oudere soortgenoot. Voorts worden wetlands hersteld op ongeveer 22.600 ha bebouwde ruimte in overstromingsgevoelige gebieden.

Nevenvoordelen

De auteurs van de studie benadrukken ook de nevenvoordelen die het meest ambitieuze scenario met zich mee zou brengen, zoals een grotere veerkracht van ecosystemen tegen extreme weersomstandigheden of een versterking van de biodiversiteit.

Ten slotte benadrukt de studie de noodzaak van een samenhangend en stabiel beleidskader en een nauwe coördinatie tussen de verschillende bestuursniveaus om een dergelijke transitie tot een goed einde te brengen, die bovendien gepaard moet gaan met steun en begeleiding van de landbouwsector.

Niet alleen op schouders van de landbouwers

Volgens federaal minister van Mobiliteit, Klimaat en Milieutransitie Jean-Luc Crucke (MR) brengt destudie interessante vaststellingen aan het licht die het debat kunnen voeden. “Het traject dat de studie schetst, kan echter niet uitsluitend op de schouders van de landbouwers rusten. De landbouwtransitie houdt een grondige verandering van ons productie- en consumptiemodel in. Ze vereist ambitieus overheidsbeleid, de inzet van private actoren en een coördinatie van de volledige waardeketen om landbouwers concreet te begeleiden bij deze evolutie”, stelt minister Crucke.

Zware offers voor kleine klimaatwinst

Vlaams minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns (cd&v) is allerminst opgetogen met de nieuwe studie en de besluiten die daaruit getrokken worden. “4.000 landbouwbedrijven sluiten voor een jaarlijkse klimaatwinst die China in ongeveer nog geen 3 uur uitstoot. Cynischer moet het toch niet worden”, stelt minister Brouns.

“Achter die cijfers zitten boerenbedrijven. Gezinnen die daar wonen en werken, die hebben geïnvesteerd en hoopten dat hun kinderen het bedrijf ooit zouden overnemen. Ook aan betaalbaar eten van bij ons hebben ze blijkbaar niet gedacht. Dat scenario veronderstelt ook dat we anders gaan eten. Veel minder vlees, zuivel en eieren. Het aandeel dierlijke eiwitten in ons dieet moet van 70% naar 38%. Je kan dat in een computermodel invoeren, maar daarmee ligt het nog niet op het bord van de consument”, zegt Jo Brouns.

“Wat als we hier de productie afbouwen, maar mensen vlees, kaas en eieren blijven kopen? Gaan we dat verbieden of komen die producten dan van elders? We maken ons zo afhankelijker van het buitenland voor iets wat we vandaag zelf produceren. Wie rekent die gevolgen mee? Onze landbouwers hebben ondertussen niet stilgezeten. Neem melk. Volgens ILVO bedraagt de klimaatvoetafdruk van Vlaamse melk gemiddeld ongeveer 1 kg CO₂-equivalent per liter. Daarmee wordt de meest klimaatvriendelijke melk in Vlaanderen geproduceerd. Dat is het resultaat van jarenlang investeren, bijsturen en verbeteren. Een Vlaamse koe veroorzaakt voor dezelfde hoeveelheid melk ongeveer 60% minder broeikasgasuitstoot dan een Braziliaanse koe. Boven op alle regels rond mest, waterkwaliteit en gewasbescherming waaraan onze boeren moeten voldoen. Die inspanningen verdienen respect en moeten we verder ondersteunen”, vindt minister Brouns.

“En wat levert dat meest verregaande scenario van de onderzoekers op? Daarmee slaat Vlaanderen jaarlijks 1 tot 2 miljoen ton CO₂-equivalent extra op in de bodem. Ter vergelijking: China stoot jaarlijks meer dan 13 miljard ton fossiele CO₂ uit. Onze volledige jaarlijkse winst komt qua orde van grootte overeen met enkele uren Chinese uitstoot. Natuurlijk ontslaat dat ons niet van onze verantwoordelijkheid. Ook onze landbouw moet verder verduurzamen. Maar het mag toch een rol spelen in de afweging? Zeker als duizenden bedrijven op het spel staan en we een deel van onze voedselproductie naar het buitenland dreigen te verschuiven”, stelt Jo Brouns.

Wat hem vooral stoort, is het gemak waarmee daar soms over wordt gesproken. "Landbouw inruilen voor natuur, dat klinkt zo eenvoudig. Alsof die grond vandaag nergens voor dient. Alsof het voedsel in de winkel vanzelf verschijnt."

Bredere context nodig

Boerenbond neemt alvast kennis van de studie in opdracht van de dienst klimaatverandering van de FOD Volksgezondheid. Voorzitter Lode Ceyssens reageert: “De studie bevestigt dat landbouwers een belangrijke partner zijn in de klimaattransitie en een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan koolstofopslag in de bodem en graslanden. Dat onderstreept het potentieel van de landbouwsector om actief mee te werken aan de klimaatdoelstellingen. Tegelijk stellen we enkele kanttekeningen bij de afbouw van de veestapel. Een vermindering van de productie zonder oog voor de bredere context en de vraag vanuit de consument dreigt ertoe te leiden dat voedselproductie verschuift naar regio’s waar die productie veel minder klimaatvriendelijk gebeurt. Dat helpt noch het klimaat, noch onze economische weerbaarheid vooruit. Daarom pleiten we er als Boerenbond voor om de klimaatuitdagingen aan te pakken via innovatie, ondernemerschap en een verdere versterking van de competitiviteit van onze landbouwbedrijven.”

Volgens Boerenbond is deze nieuwe studie niet compatibel met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV). De landbouworganisatie heeft als laatste bedenking dat ook de andere sectoren (industrie, transport ...) inspanningen kunnen leveren om België CO2-neutraal te maken.

Studie dient enkel klimaatmoeheid

Het is volgens het Algemeen Boerensyndicaat (ABS) triest dat er werk gestoken wordt in een studie die enkel de klimaatmoeheid aanjaagt. “Dit doet afbraak aan de Belgische voedselproductie die bewezen best wel duurzaam is. Dat we daarbij dan ook nog de andere Europes landen helpen om hun bevolking duurzaam te voeden, is mooi meegenomen”, klinkt het in een reactie van ABS.

“Als je zo’n studie ziet van onderzoekers die vaker zo’n zaken publiceren, vaak in opdracht van Greenpeace of WWF, dan kijk je toch al eens wat kritischer. Wat zijn de aannames. Waar willen ze heen? Als je dan in de Nederlandse samenvatting het woord ‘plofkip’ ziet staan, dan ben je er wel klaar mee. Duidelijker kan het toch niet worden, een onzorgvuldigheid is dit namelijk niet. Dit is hoe de onderzoekers en degene die de review gedaan hebben er daadwerkelijk over denken en het is tekenend voor de ideologische onafhankelijk van hun werk”, stelt woordvoerder Mark Wulfrancke van ABS.

De vraag die we ons volgens ABS dan ook moeten stellen is in welke mate dit een vervolg is op eerdere studies in opdracht van dergelijke organisaties. “Een vergelijkbare studie die in 2024 gemaakt is door dezelfde instelling en bijna dezelfde onderzoekers in opdracht van WWF kan niet online geraadpleegd worden. Dit werkt argwaan op. Wel kan je een werktekst voor een andere studie, eveneens in opdracht van een ngo die liever geen veeteelt wil, terugvinden uit 2021. De uiteindelijke studie was niet van die aard dat ze iets teweeg bracht. Daarvoor was ze teveel in de richting van het door de opdrachtgever gewenste resultaat geschreven”, duidt Wulfrancke.

Vooringenomen uitgangspunten

Er is volgens hem een duidelijke rode draad in de verschillende studies en dat is hier niet anders. “Ze stellen dat veeteelt slecht is en moet afgebouwd worden. Hierdoor komen er irreële hoeveelheden landbouwgrond vrij die gebruikt zouden kunnen worden voor activiteiten die misschien we leuk zijn voor de happy few, maar die uiteindelijk allemaal leiden tot het verplaatsen van emissies naar andere gebieden waar de emissies voor dezelfde activiteiten hoger liggen, meer voedselimport en een decimering van de landbouwsector totdat die enkel nog produceert voor een kleine groep kapitaalkrachtigen”, stelt de woordvoerder van ABS.

De studie houdt volgens ABS nergens rekening met neveneffecten. “Elke wens wordt 100% werkelijkheid. De vermindering in uitstoot is absoluut. Dat door verplaatsing van uitstoot naar andere landen de netto vermindering zelfs negatief kan zijn, wordt buiten beschouwing gelaten. Nochtans is dat wel een realistisch scenario. Voedsel zal ergens vandaan moeten komen.”

Bedenkelijke aannames

Alles opsommen wat er fout in deze studie is, is volgens Wulfrancke onmogelijk. Hij wijst toch op enkele bedenkelijke aannames die gedaan worden. Een eerste bedenkelijke aanname is dat bossen worden omgezet naar akkerland en bebouwing. In België zal je eerder voorbeelden vinden van het omgekeerde.

“129.000 ha wordt voorzien voor de teelt van soja. Dat wordt bijna als een fait divers naar voor geschoven als realistisch haalbaar tegen 2050. Teelttechnisch zal het waarschijnlijk wel kunnen. Zal er vraag zijn naar zoveel soja (of andere eiwithoudende gewassen geschikt voor industriële verwerking naar isolaten)? Neen, al was het maar dat soja een commodity is die tegen veel lagere kostprijzen elders in de wereld geteeld kan worden. Men wil voorts meer graan voor humane voeding. Dat is mogelijk, maar de kans dat dit graan alsnog in de diervoeding gaat, is realistischer. 40% biologische landbouw in Vlaanderen is niet onmogelijk, al was het maar dat er nog zo weinig boeren overblijven dat we zelfs niet meer spreken van een landbouwsector als betekenisvol in onze voedselvoorziening. Maar misschien past dit in de overtuiging en behoort dit tot de doelstelling.”

“Nergens wordt het kostenplaatje gemaakt van hoeveel deze vermeende emissiebesparing zal kosten aan de Belg. Inclusief de verplaatsing van uitstoot, kost van verminderde werkgelegenheid in onze voedingsnijverheid en kost voor landschapsonderhoud, zal het kostenplaatje niet fraai zijn, laat staan behapbaar. Het enige dat deze studie wel goed doet, is bijdragen aan een steeds toenemende klimaatmoeheid en de aandacht afleiden van waar wel aan gewerkt moet worden. Daar moet je niet fier op zijn”, besluit Mark Wulfrancke van ABS

Belga/FVDL

Lees ook in Actueel

Campagne zet Limburgse korteketenproducenten in de kijker

Korte Keten Met de campagne ‘Van onze grond, voor onze mond’ wil de provincie Limburg haar landbouwers die actief zijn in de korte keten én hun kwalitatieve producten onder de aandacht brengen. De boodschap daarbij is dat de toekomst van onze landbouw mee in handen van de consument ligt. De campagne start in het weekend van 31 oktober en 1 november.
Meer artikelen bekijken