Startpagina Actueel

Veeteelt zou fors moeten inkrimpen om België CO2-neutraal te maken

Om tegen 2050 CO2-neutraal te worden, is er, behalve een sterke reductie van de uitstoot van broeikasgassen, nood aan herbebossing en een ingrijpende transformatie van het landgebruik, de landbouwpraktijken en het bosbeheer in België. Dat blijkt uit een studie van de dienst Klimaatverandering van de FOD Volksgezondheid.

Leestijd : 4 min

Om koolstofneutraal te worden, zal België zijn uitstoot van broeikasgassen op alle fronten drastisch moeten inperken. Maar bepaalde resterende emissies moeten worden gecompenseerd door natuurlijke koolstofputten, zoals bossen of blijvend grasland. Die raken echter om verschillende redenen uitgeput: verstedelijking, de omzetting van blijvend grasland in akkerland, en een verminderde capaciteit van onze bossen en natuurlijke ecosystemen om CO2 op te nemen, tegen de achtergrond van de klimaatopwarming.

"Ons opnamevermogen is sinds 1990 met een factor 6 afgenomen", zegt Camille Reyniers van de dienst Klimaatverandering van de FOD Volksgezondheid. "We lopen het risico in een situatie terecht te komen waarin onze natuurlijke ecosystemen een netto-emissiebron zouden worden."

Drie scenario’s

De studie, uitgevoerd door onderzoekers van Vito, Sytra (UCLouvain) en Gembloux Agro-Bio Tech (ULiège), analyseert 3 trajecten voor het landgebruik: een scenario op basis van de huidige trends, een scenario dat rekening houdt met goedgekeurde of geplande beleidsmaatregelen -zoals het voornemen om tegen 2050 een einde te maken aan de stedelijke wildgroei in Wallonië of de Vlaamse bouwshift tegen 2040 - en een scenario van ingrijpende verandering. De conclusie? Alleen het scenario van ingrijpende verandering maakt het mogelijk om in 2050 aan de doelstellingen voor klimaatneutraliteit te voldoen.

Een van de belangrijkste maatregelen in dat scenario betreft de veeteelt. In totaal daalt de veestapel in het scenario met 32%, tegenover een stijging van respectievelijk 63% en 61% in het referentiescenario en het huidige beleidsscenario. Het gaat daarbij over -28% voor pluimvee, -45% voor melkkoeien, -70% voor varkens en -71% voor runderen (ten opzichte van 2022) waardoor grond die nu gebruikt wordt voor veevoeder kan vrijkomen. De graanconsumptie door vee in België daalt met 62% tegen 2050, waardoor 117.000 ha akkerland vrijkomt (uitgaande van een constante verhouding tussen binnenlands geproduceerd en ingevoerd veevoeder). Daarnaast neemt de vraag naar ruwvoer met 56% af, waardoor ongeveer 161.000 ha akkerland voor voedergewassen en tijdelijk grasland vrijkomt.

Permanente graslanden behouden

Zo zou 278.000 ha landbouwgrond, meer dan een vijfde van het Belgische landbouwareaal, kunnen worden herbestemd voor andere doeleinden: herbebossing (meer dan 80.000 ha in 25 jaar), het opnieuw onder water zetten van drooggelegde veengebieden of de omvorming van bijna 10.000 ha drooggelegde weiden tot watergebieden. Het scenario zorgt er uitdrukkelijk voor dat permanente graslanden behouden blijven, ondanks de afname van de veestapel, wat impliceert dat de veehouderijsystemen extensiever worden ingericht. Omdat de meeste permanente graslanden zich in Wallonië bevinden, zou de verwezenlijking van dit scenario een belangrijke transformatie vereisen van de melkvee- en vleesveesector in Vlaanderen, waar de veehouderij momenteel intensiever is.

Dit scenario maakt een einde aan de Belgische afhankelijkheid van ingevoerde soja voor dierenvoeding, zowel door de vermindering van de veestapel als door de toewijzing van 129.000 ha bestaand akkerland aan lokale sojateelt. Daarnaast voorziet het scenario 10.000 ha akkerland voor een grotere productie van plantaardige eiwitten voor menselijke consumptie, waardoor België theoretisch zelfvoorzienend kan worden op het vlak van plantaardige eiwitten, mits een aangepast voedingspatroon. Nog eens 10.000 ha akkerland wordt bestemd voor de productie van biomassagewassen voor niet-voedingsdoeleinden ter ondersteuning van de bio-economie.

Meer biolandbouw

Dat scenario, dat gepaard gaat met een voedingspatroon dat meer op plantaardige eiwitten is gebaseerd, voorziet ook in een grotere schaal van agrobosbouw (op 10% van de landbouwgrond en 30% van de graslanden) en biologische landbouw (tot 40% van de landbouwgrond in Vlaanderen en tot 60% in Wallonië), en een doelstelling van netto nulverharding van land tegen 2030.

Wat bosbeheer betreft, betekent het scenario van ingrijpende verandering een grotere diversiteit van onze bossen, met name wat betreft boomsoorten en hun leeftijd, aangezien een jongere boom meer CO2 opneemt dan een oudere soortgenoot. Voorts worden wetlands hersteld op ongeveer 22.600 ha bebouwde ruimte in overstromingsgevoelige gebieden.

Nevenvoordelen

De auteurs van de studie benadrukken ook de nevenvoordelen die het meest ambitieuze scenario met zich mee zou brengen, zoals een grotere veerkracht van ecosystemen tegen extreme weersomstandigheden of een versterking van de biodiversiteit.

Ten slotte benadrukt de studie de noodzaak van een samenhangend en stabiel beleidskader en een nauwe coördinatie tussen de verschillende bestuursniveaus om een dergelijke transitie tot een goed einde te brengen, die bovendien gepaard moet gaan met steun en begeleiding van de landbouwsector.

Niet alleen op schouders van de landbouwers

Volgens federaal minister van Mobiliteit, Klimaat en Milieutransitie Jean-Luc Crucke (MR) brengt destudie interessante vaststellingen aan het licht die het debat kunnen voeden. “Het traject dat de studie schetst, kan echter niet uitsluitend op de schouders van de landbouwers rusten. De landbouwtransitie houdt een grondige verandering van ons productie- en consumptiemodel in. Ze vereist ambitieus overheidsbeleid, de inzet van private actoren en een coördinatie van de volledige waardeketen om landbouwers concreet te begeleiden bij deze evolutie”, stelt minister Crucke.

Belga/FVDL

Lees ook in Actueel

Meer artikelen bekijken