Startpagina Akkerbouw

Biedt méteil nieuwe kansen voor Vlaamse ruwvoederwinning?

Méteil, een mengteelt van granen en vlinderbloemigen, biedt interessante mogelijkheden voor de Vlaamse veehouder. Bovendien kunnen de GLB-premies een aanzienlijk deel van de teeltkosten compenseren. Maar wat is de werkelijke voederwaarde en welke mengsels komen in aanmerking voor subsidies? Wie volgend jaar méteil wil oogsten, moet nu in actie schieten.

Leestijd : 8 min

Klimaat, water en bodem staan centraal in het Vlaamse landbouwbeleid. De droogte van 2026 heeft opnieuw duidelijk gemaakt hoe kwetsbaar de ruwvoederwinning kan zijn wanneer de gewassen tijdens de zomer onvoldoende water krijgen.

Voor veehouders die sterk afhankelijk zijn van hun eigen gras- en maïsproductie, kan een tegenvallende oogst grote financiële gevolgen hebben. Minder ruwvoeder betekent dat ze hun reserves sneller aanspreken, bijkomend voeder moeten aankopen of zelfs hun veestapel moeten aanpassen. De vraag is dan ook of we onze ruwvoederwinning anders moeten organiseren.

Daarbij hoeven we niet noodzakelijk volledig afstand te nemen van onze vertrouwde gras- en maïsteelten. Door andere gewassen aan het teeltplan toe te voegen, kunnen we de productie spreiden over verschillende perioden van het jaar en kunnen we risico’s spreiden.

Een van die mogelijkheden is méteil, een mengteelt van granen en vlinderbloemigen die in het najaar kan worden ingezaaid en het volgende voorjaar of in de vroege zomer kan worden geoogst. Het is geen nieuwe teelt. In Vlaanderen wordt er al verschillende jaren onderzoek naar gedaan. Toch blijft méteil voor veel veehouders nog onbekend terrein. De ervaringen van 2026 geven een goede reden om de mogelijkheden opnieuw te bekijken.

Wat is méteil?

Méteil is een mengteelt waarbij verschillende graansoorten en vlinderbloemigen samen op hetzelfde perceel groeien. Voor winterméteil kunnen onder meer triticale, rogge, tarwe, gerst of haver worden gecombineerd met wintervoedererwten, winterveldbonen of wikke.

Het graan levert opbrengst en kan als steungewas dienen voor de vlinderbloemigen. Die laatste hebben dan weer het vermogen om via bacteriën in hun wortelknolletjes stikstof uit de lucht vast te leggen. De gewassen benutten de beschikbare groeiruimte, voedingsstoffen en het zonlicht op een verschillende manier. Een goed samengesteld mengsel kan daardoor meer mogelijkheden bieden dan de afzonderlijke gewassen.

Afhankelijk van de samenstelling en het gewenste gebruik kan de landbouwer kiezen voor een vroege groene snede, een latere oogst als geheleplantsilage (GPS) of een rijpe korreloogst. Die keuze is bepalend voor de opbrengst, de voederwaarde en de subsidiemogelijkheden.

Water benutten wanneer het beschikbaar is

Een belangrijk voordeel van winterméteil is dat het gewas al in het najaar wordt ingezaaid. Terwijl maïs pas in het voorjaar aan zijn groei begint, beschikt de wintermengteelt dan al over een ontwikkeld wortelstelsel. Zodra de temperaturen stijgen, kan het gewas snel groeien en de beschikbare neerslag benutten.

Bij een vroege oogst kan de landbouwer een deel van zijn ruwvoederwinning realiseren voordat de grootste zomerdroogte optreedt. Dit biedt mogelijkheden om de ruwvoederproductie te spreiden en om minder afhankelijk te worden van de weersomstandigheden tijdens één bepaalde periode van het jaar. Een vroege oogst kan bovendien ruimte bieden voor een volgende teelt. De keuze van het mengsel, het oogsttijdstip en de volgende teelt moeten daarom samen worden bekeken.

Minder kunstmest en minder gewasbescherming

Méteil biedt mogelijkheden om de afhankelijkheid van aangekochte meststoffen (dure energie) en gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. De vlinderbloemigen kunnen een deel van hun stikstofbehoefte zelf dekken via stikstofbinding. Wanneer ze voldoende ontwikkeld zijn, kan dat de behoefte aan aanvullende stikstofbemesting beperken tot een beperkte gift van organische mest.

De hoeveelheid stikstof die effectief wordt vastgelegd, hangt onder meer af van de bodemomstandigheden, de temperatuur, de ontwikkeling van de vlinderbloemigen en de hoeveelheid beschikbare minerale stikstof.

Ook op het vlak van onkruidbestrijding biedt een mengteelt mogelijkheden. Een goed ontwikkeld en dicht gewas kan onkruiden onderdrukken doordat minder licht de bodem bereikt. Door verschillende gewassen te combineren, kan de landbouwer bovendien teeltrisico's spreiden.

Méteil is echter niet automatisch vrij van onkruid, ziekten of plagen. De gewaskeuze, de vruchtwisseling en de toestand van het perceel blijven belangrijk. Het doel is niet noodzakelijk een teelt zonder enige bemesting of gewasbescherming, maar wel een goede ruwvoederopbrengst met minder aangekochte productiemiddelen.

Ook de bodem profiteert van winterteelt

Een perceel met winterméteil blijft gedurende een groot deel van het jaar begroeid en beworteld. Die bodembedekking kan erosie beperken en kan de bodem beschermen tegen rechtstreekse inslag van neerslag. De wortels dragen bij aan de bodemstructuur en leveren organisch materiaal aan het bodemleven. De combinatie van verschillende plantensoorten zorgt bovendien voor een grotere diversiteit aan wortels en gewasresten. Bij een vroege oogst kan aansluitend een nieuwe teelt worden ingezaaid, waardoor het perceel gedurende een langere periode van het jaar begroeid blijft.

Voor de opbouw van organische koolstof moet wel rekening worden gehouden met de volledige vruchtwisseling. Wanneer de bovengrondse massa volledig als ruwvoeder wordt afgevoerd, blijven er minder gewasresten op het perceel achter. De bijdrage van méteil aan de organischestofopbouw moet daarom samen worden bekeken met de wortelresten, de aanvoer van organische meststoffen en het beheer van de volgteelt.

Ruwvoeder met zeer verschillende energiewaarde

Is méteil geen minderwaardig ruwvoeder? Dat is wellicht de belangrijkste vraag voor de veehouder. Een gewas kan uitstekend scoren op het vlak van bodem, water en teeltkosten, maar uiteindelijk moeten de dieren er voldoende melk of groei uit kunnen halen. Méteil wordt soms beschouwd als minderwaardig ruwvoeder, omdat de energiewaarde lager kan liggen dan die van goede gras- of maïskuil.

Landbouwleven publiceerde in februari 2023 al resultaten van praktijkstalen uit de Kempen. Daaruit bleek een gemiddelde voederwaarde van 752 VEM/kg droge stof. Ook het ruweiwitgehalte viel bij verschillende mengsels tegen. Die cijfers verdienen aandacht, maar ze mogen niet zonder meer veralgemeend worden over alle mengteelten. Het aandeel granen en vlinderbloemigen, de gebruikte rassen, de bemesting en vooral het oogsttijdstip hebben een grote invloed op de samenstelling van het geoogste product. Een vroeg geoogst mengsel heeft doorgaans een andere samenstelling dan een mengsel waarin de graankorrels al verder zijn ontwikkeld.

Ook de bestemming van het voeder speelt een rol. Hoogproductief melkvee stelt andere eisen aan het rantsoen dan jongvee, droogstaande koeien of vleesvee. Een product met een lagere energiewaarde kan toch bruikbaar zijn wanneer het correct in het volledige rantsoen wordt ingepast.

We moeten méteil dus niet uitsluitend beoordelen op de voederwaarde per kilogram droge stof, maar ook op de totale voederwaardeopbrengst per hectare en de plaats die het product in het rantsoen kan innemen.

Reeds divers onderzoek gevoerd

Onderzoek levert interessante resultaten op. Het Vlaamse onderzoeksproject PensVoer onderzocht de mogelijkheden van hakselgranen, zowel in reinteelt als in mengteelt met vlinderbloemigen. Daarbij werd onder meer gekeken naar de opbrengst, voederwaarde, inkuilbaarheid en inzetbaarheid in het melkveerantsoen. De resultaten tonen belangrijke verschillen tussen de onderzochte mengsels.

Een mengteelt van gerst en erwten behaalde in een proef bijvoorbeeld 836 VEM/kg droge stof. Een ander mengsel met triticale, erwten, haver en wikke behaalde 696 VEM, maar had een hoger ruweiwitgehalte en een grotere structuurwaarde.

Proeven laten aanzienlijke verschillen zien. Ze tonen aan dat het weinig zin heeft om over méteil te spreken alsof alle mengsels hetzelfde ruwvoeder opleveren. Ook de praktijkresultaten van 2026 verdienen aandacht, gezien de extreem warme en droge weersomstandigheden.

Bij een melkveehouder in de Zuiderkempen volgde B3W een mengsel van triticale, haver en erwten. Het werd in oktober 2025 ingezaaid en op 16 juni 2026 geoogst. Bij een proefweging op 9 juni bedroeg de geraamde opbrengst 13,95 ton droge stof/ha, berekend op basis van een proefvlak van 1 m2. Het betreft dus een lokale opbrengstindicatie en geen gemiddelde opbrengst voor Vlaamse méteilpercelen. Op dit perceel werd vóór de inzaai 30 ton runderstalmest/ha toegediend. In het voorjaar van 2026 werd geen aanvullende kunstmest gebruikt. Deze praktijkervaring die B3W opdeed, toont aan dat méteil onder geschikte omstandigheden een aanzienlijke ruwvoederproductie kan realiseren zonder aanvullende kunstmest in het voorjaar.

De resultaten van bijkomende proeven en de ervaringen van landbouwers die al verschillende jaren méteil vervoederen, kunnen helpen om het inzicht in de mogelijkheden van deze teelt verder te verbeteren.

Métail wordt doorgaans geoogst als een vroege groene snede of bij een latere oogst als geheleplantsilage (GPS).
Métail wordt doorgaans geoogst als een vroege groene snede of bij een latere oogst als geheleplantsilage (GPS). - Foto: TD

GLB-premies kunnen nettokost van méteil sterk verlagen

Naast de voordelen voor klimaat, water en bodem biedt méteil ook een financieel interessante mogelijkheid. Binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) kunnen bepaalde mengteelten van granen en vlinderbloemigen in aanmerking komen voor de ecoregeling voor eenjarige eiwitteelten. In 2026 bedraagt de voorziene premie voor deze maatregel 600 euro/ha.

Afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden en de toegepaste teelttechniek kunnen daar nog andere vergoedingen bij komen. Denk bijvoorbeeld aan steun voor niet-kerende bodembewerking, het verhogen van het organischekoolstofgehalte van de bodem, mechanische onkruidbestrijding of het actieve gebruik van het bodempaspoort. In bepaalde gevallen kunnen verschillende ecoregelingen worden gecombineerd. De toepasselijke voorwaarden moeten wel voor iedere maatregel afzonderlijk worden gecontroleerd.

Door de combinatie van GLB-premies, een beperkte behoefte aan aangekochte kunstmest en mogelijk lagere kosten voor gewasbescherming kan de nettokost van méteil aanzienlijk dalen. In gunstige omstandigheden kan de steun zelfs een groot deel van de teeltkosten compenseren, terwijl de landbouwer ook nog ruwvoeder oogst. Daarmee verdient méteil niet alleen aandacht als klimaatbestendige teelt, maar ook als mogelijke manier om de kostprijs van bedrijfseigen ruwvoeder te verlagen.

Er is echter een belangrijk onderscheid tussen de verschillende oogstsystemen. Volgens de Vlaamse subsidieregels van 2026 komt winterméteil die in het voorjaar groen wordt geoogst als snede, met teeltcode 398, niet in aanmerking voor de premie van 600 euro/ha voor eenjarige eiwitteelten.

Een mengteelt die later als GPS wordt geoogst, kan wel in aanmerking komen wanneer ze effectief de hoofdteelt is en aan alle overige voorwaarden voldoet. Dat betekent onder meer dat ze de overwegend aanwezige teelt moet zijn in de periode van 15 mei tot 31 augustus. Ook het aandeel vlinderbloemigen, de minimale zaaidichtheden en de juiste teeltaangifte spelen een rol.

Een vroege oogst, gevolgd door een andere hoofdteelt, biedt dus andere subsidiemogelijkheden dan een latere oogst waarbij méteil zelf de hoofdteelt is. Voor de inzaai in het najaar van 2026 moeten de voorwaarden van de GLB-campagne 2027 worden nagegaan. Het is daarom belangrijk dat de landbouwer vóór de aankoop van het zaaizaad bepaalt welk oogsttijdstip en welke bestemming hij voor ogen heeft.

Teelt voorbereiden

Wie volgend jaar méteil wil oogsten, moet weldra een beslissing nemen. Afhankelijk van de gebruikte granen en vlinderbloemigen wordt winterméteil doorgaans in het najaar ingezaaid. De geschikte inzaaiperiode verschilt naargelang het mengsel, de bodemomstandigheden en de verwachte weersomstandigheden. Wie de mogelijkheden wil onderzoeken, kan zich nu informeren bij de Vlaamse praktijkcentra, de betrokken onderzoekers en de eigen teelt- en voederadviseur.

Vooraf moet duidelijk zijn wat de landbouwer van de teelt verwacht: een vroege ruwvoederoogst, een later geoogste GPS, een eiwitrijker product, bijkomende structuur in het rantsoen of een grotere spreiding van de ruwvoederproductie. Die keuze bepaalt welke gewassen in het mengsel thuishoren, wanneer de oogst moet plaatsvinden en welke GLB-premies eventueel mogelijk zijn.

Méteil zal niet op ieder perceel en voor ieder veebedrijf dezelfde resultaten opleveren. Daarom is het belangrijk om de teelt af te stemmen op de bodem, de bedrijfsvoering, de ruwvoederbehoefte en de beschikbare oogstmachines.

De droogte van 2026 kunnen we niet meer veranderen. Hoe we onze ruwvoederwinning voor 2027 voorbereiden, hebben we wel zelf in handen. Misschien hoeven we gras en maïs niet te vervangen, maar moeten we vooral leren om onze ruwvoederproductie beter over het jaar te spreiden. Méteil kan daarin een plaats krijgen, zeker wanneer een geschikte mengteelt goede voederresultaten combineert met lagere teeltkosten en beschikbare GLB-steun.

Tim Decoster

Lees ook in Akkerbouw

Meer artikelen bekijken