Biovelddag Inagro inspireert telers tot robuuste bioteelt
De biovelddag van Inagro op 7 oktober maakte duidelijk hoe breed de uitdagingen in de biologische teelt zijn. Een groenbedekker, vanggewas, mulchlaag, aangepast bemestingsschema of weerbaar ras vormt zelden op zichzelf de volledige oplossing. De meerwaarde ontstaat vooral als je diverse maatregelen doelgericht combineert. De verschillende proeven reikten waardevolle puzzelstukjes aan.

De proef met onderzaai van groenbedekkers in witte kool en winterprei gaf een ongewoon beeld. Het uitgangspunt is dat een levende en diverse begroeiing de bodem en het bodemleven voedt en beschermt. De groenbedekker tussen de groenten helpt daarnaast mee onkruiden te onderdrukken en krijgt al meer groeikansen dan bij zaai pas na de (late) oogst. Daartegenover mag de onderzaai ook niet te fel groeien en de ontwikkeling van het hoofdgewas hinderen. Binnen het project ‘Groen-te-len’ onderzoekt Inagro samen met een tiental geëngageerde biotelers hoe groenbedekkers kunnen worden geïntegreerd tijdens intensieve kleinschalige biologische groenteteelten.
Groen houden onder en tussen de gewassen
Elf zuivere groenbedekkers en 11 mengsels werden naast een referentie gelegd. Twee zaaitijdstippen werden geprobeerd. De droogte was dit jaar een beperkende factor. Zonder extra water bleek de kieming onvoldoende of te onregelmatig. De zaden inwerken met de wiedeg of het schoffelmes ver-hoogde daarnaast de slaagkansen. Na de laatste mechanische onkruidbeheersing, kan bij witte sluitkool vroeg worden gezaaid (eind juni-juli). De ideale zaaiperiode is echter relatief kort, doordat de plant nadien zijn bladeren te veel openlegt. Bij winterprei is er altijd veel open ruimte, maar is het wachten op de laatste aanaardbeurt om van start te kunnen gaan (vanaf september). De groenbedekkers flankeerden de kolen dan ook al sterk op de Biovelddag, terwijl ze aan de voet van de prei nog maar net zichtbaar werden.
Klavers en onderzaai
Klavers hebben veel potentieel voor onderzaai, leert ook de ervaring bij granen: het zijn vaak goede kiemers die kruipen en vertakken. Perzische klaver (vergelijkbaar met Alexandrijnse klaver) was het sterkst gegroeid en beloftevol, maar waarschijnlijk zou er in een nat seizoen geen kool meer te zien geweest zijn. Inkarnaatklaver is minder explosief en is interessanter, maar ook met deze soort is het voorzichtig zijn met een té vroege zaai. Het voordeel van witte klaver en de compactere microklaver is daartegenover een naar verhouding minder sterke groei, maar dezelfde goede bodembedekking. De soort toonde dan ook een belangrijke rol in verschillende van de mengsels. Een toevoeging van wat traag groeiend roodzwenkgras gaf daarbij een mooi beeld. Verder combineren met wat boekweit, wikke of serradella (een eenjarige plant uit de vlinderbloemenfamilie die oorspronkelijk uit het Middellandse Zee-gebied komt) bijvoorbeeld, leek de groenbedekker verder een boost van diversiteit te geven. Hop-, rol- en wondklaver waren aan klaver verwante soorten die zuiver te veel ruimte lieten aan het bloeiend knopkruid. Door de droogte waren phacelia en een divers mengsel van vorstgevoelige soorten ten slotte niet goed opgekomen of te groeikrachtig voor een julizaai.

Creatief met groenbemesters voor onkruidonderdrukking
Een groenbemester vervult belangrijke functies. Naast het capteren van nutriënten voor de volgteelt, het behoud van een goede bodemstructuur en het voeden van het bodemleven, onderdrukt een goed ontwikkelde groenbemester ook onkruidgroei.
Uit een proef van vorig jaar bleek dat een tijdige zaai belangrijk is om snel voldoende concurrentiekracht op te bouwen, om winteronkruiden zoals vogelmuur en straatgras te onderdrukken. In een nieuwe proef, die we samen met Universiteit Gent uitvoeren, variëren we de verhouding tussen 4 functionele groepen: kruisbloemigen, vlinderbloemigen, grasachtigen (granen) en snelgroeiende, vorstgevoelige soorten (zoals zonnebloem, boekweit en facelia). Daarnaast worden 2 zaaidichtheden vergeleken. Met behulp van een statistisch model willen we achterhalen welke mengverhouding de beste combinatie biedt van een snelle bodembedekking, voldoende biomassa en een goede onkruidonderdrukking. De eerste biomassametingen tonen duidelijke verschillen tussen de mengsels. De kruisbloemige componenten domineren het beeld in het veld en hebben ook de grootste biomassa, gevolgd door de grasachtigen. Dit volgen we verder op.
Stikstofwerking van stalmest
Stalmest geeft een trage en vaak onvoorspelbare stikstofwerking. Daardoor valt de stikstoflevering niet altijd samen met de periode waarin het gewas de grootste behoefte aan stikstof heeft. Een andere meerjarige proef – die net werd aangelegd – vergelijkt het toedienen van stalmest in het najaar, voor de inzaai van de groenbemester of over de groenbemester heen, met een toepassing kort voor de volgende hoofdteelt. De hypothese is dat de mest op die manier tijdens de winter contact maakt met de grond en via de groenbemester het jaar nadien zorgt voor een evenwichtiger stikstofvrijstelling met minimale stikstofverliezen. Volgend jaar wordt op dit perceel bloemkool geplant.
Ziekten en plagen vragen geïntegreerde aanpak
Door zachtere winters en langere droge periodes nemen problemen met melige koolluizen, koolwittevliegen en aardvlooien in koolgewassen toe. In verschillende proeven onderzoeken we welke controlemethoden potentieel bieden om schade die door deze plagen wordt aangericht te beperken. In savooikool testen we diverse actiedrempels om de erkende biopesticiden tegen bladluizen zo goed mogelijk in te zetten. Een actiedrempel is een bepaald niveau van plaagaanwezigheid, waarbij een behandeling rendabel is. We gaan na of het zinvol is om hierbij ook andere criteria in rekening te brengen, zoals de aanwezigheid van nuttigen. In een tweede proef wordt onderzocht in hoeverre de stikstofbemesting het voorkomen van melige koolluizen beïnvloedt. De conclusies zijn pas mogelijk bij de oogst.
De proef in spruitkool was op het moment van het bezoek al sterk aangetast door roetdauw, als gevolg van een hoge druk van zowel bladluizen als witte vliegen. Als behandelingen testen we onder meer het wekelijks inzetten van een nieuw experimenteel middel en een tijdelijke afdekking met een klimaatnet. Langs het proefveld liggen eenjarige bloemenstroken die voedsel en schuilplaatsen bieden aan nuttige insecten. Ondanks enkele waargenomen effecten lijkt een goede beheersing in spruitkool lastig.
Ook aardvlooien bezorgden veel telers dit seizoen kopzorgen. In een proef met Ethiopische mosterd als vanggewas zagen we in augustus minder schade in bloemkool en savooikool die dichter bij de vangstrook staan. De eerste resultaten lijken dus veelbelovend, maar de techniek moet nog verder worden verfijnd. Naast het aantrekken van de aardvlooien moeten we immers nog zoeken naar een effectieve methode om ze in het vanggewas te bestrijden.
In de teelten knolselder en bloemkool testen we verschillende biofungiciden en basisstoffen tegen bladziekten. De ziektedruk was in beide proeven nog in opbouw en er waren nog geen effecten zichtbaar. In wortelen leerden we dat irrigatie en een gewasbehandeling met zwavel witziekte goed onder controle konden houden. Het verschil met het niet-geïrrigeerde proefveld zonder zwavelbehandeling – dat ernaast lag – was duidelijk.

Mulch toont ook effecten op lange termijn
Op een perceel waar sinds 2021 verschillende organische mulchmaterialen worden vergeleken, groeiden dit jaar openluchttomaten. Mulch kan onkruid onderdrukken, de verdamping van bodemvocht beperken en extreme bodemtemperaturen bufferen. 2026 was dus bijzonder interessant voor deze proef. Door de proef meerdere jaren op dezelfde plaats aan te houden, worden ook de effecten op lange termijn zichtbaar.
De voorlopige oogstresultaten lieten verschillen zien in het aantal tomaten, de verkoopbare opbrengst en het aandeel onverkoopbare vruchten. In de objecten met grasmulch en compostmulch werden kleinere tomaten geoogst. Bij mulchobjecten waarin compost werd gebruikt, kwamen bovendien meer vruchten met neusrot voor.
Een mogelijke verklaring ligt in de relatief hoge mineralenaanvoer via compost. Bij herhaalde toepassing kan dit leiden tot een hogere zoutconcentratie (EC of elektrische geleidbaarheid) in de bodem. Een verhoogde EC bemoeilijkt de wateropname door de plant en kan zo ook de aanvoer van calcium naar de snelgroeiende vruchten beperken. Net een tekort aan beschikbaar calcium in de vrucht ligt aan de basis van neusrot. Ook schommelingen in de watervoorziening en onevenwichtige nutriëntengehaltes in de bodem kunnen dit effect versterken. Of dit in deze proef daadwerkelijk de verklaring is, moeten we nog verder onderzoeken. Deze resultaten tonen dat niet alleen de dikte van de mulchlaag, maar ook de materiaalkeuze belangrijk is.
Rassenkeuze extra belangrijk in bio
Naast teelttechnische maatregelen blijft ook een geschikte rassenkeuze essentieel. In de proeven met late herfstprei en witte kool worden rassen vergeleken op onder meer gewasgezondheid, opbrengst, kwaliteit en geschiktheid voor de biologische teelt.
De witte kool werd tijdens de zomer niet beregend, om een goede vergelijking in droogtetolerantie en robuustheid van de rassen te verwezenlijken. Longma en HAZ 17-2291 zijn 2 beloftevolle rassen die nu al het vermelden waard zijn. Longma is een laat ras, dat eruit springt door een mooie gewasstand en veel bladmassa. Dit jaar heeft late koolvorming duidelijk een voordeel in de koolontwikkeling. Het ras HAZ 17-2291 van Hazera is nog niet commercieel in de handel verkrijgbaar. Beide tonen minder schade door tripsen en aardvlooien op de kolen.
De rassenproef herfstprei bevestigt een goed aanbod van biologische rassen. In de vroege herfst is Turin een nieuwe waarde. Voor de late herfst wordt Rapton vanaf 2027 biologisch beschikbaar. Ook Nunton, Darter en Oslo zijn in dit segment een goede keuze.
Rassenproef robuuste aardappelen
In de rassenproef robuuste aardappelen vergeleken we 15 rassen met elkaar. Daarnaast werden 21 variëteiten gedemonstreerd. De resultaten dragen elk jaar bij aan de uitgebreide robuuste rassenlijst die samen met Waalse en Franse partners wordt opgesteld voor de biosector. Behalve een goede plaagresistentie moeten deze rassen ook een stabiele opbrengst en kwaliteit kunnen leveren bij een lage stikstofinput en onder droge omstandigheden. Dit jaar was plaagvrij en er kon op dat vlak geen onderscheid worden gemaakt. Ondanks de droogte en zonder irrigatie, konden toch mooie opbrengsten van gemiddeld 48 ton/ha en 42 ton/ha worden gehaald in respectievelijk de rassenproef en op het demonstratieveld.
Alanis, Otolia, Taormina en Levante waren de meest productieve rassen met de grootste maatsortering in de rassenproef. De plaaggevoelige referentie Agria deed het – anders dan andere seizoenen – ook goed. Daarnaast hadden de rassen Seraine en het nieuwe Ras20 duidelijk de beste opbrengst in het demonstratieveld. Maïwen, Sevilla en het nieuwe Ras19 scoorden op dat vlak ook goed. Een goede uitgangspositie door de teeltrotatie, een goede bodemkwaliteit, de vroege plantdatum, het voorkiemen en een behoorlijke organische bemesting lagen mogelijk aan de basis van de goede resultaten. Een neerslaghoeveelheid van 50 l/m2 op één nacht door een lokaal en hevig onweer in juni zorgde tot slot mogelijk ook voor het laatste beetje verschil met andere regio’s.





