Startpagina Schapen

Rotkreupel beter voorkomen dan genezen

Rotkreupel is binnen de schapenhouderij een vrij frequent voorkomend probleem, maar het is een probleem waar niemand graag over spreekt. Eenmaal een bedrijf ermee te maken krijgt, is het bijzonder moeilijk om er vanaf te geraken. De leuze ‘beter voorkomen dan genezen’ is hier dan ook bijzonder op haar plaats.

Leestijd : 5 min

R otkreupel is één van de belangrijkste oorzaken van kreupelheid bij schapen. Als men binnen een kudde één of meerdere dieren ziet grazen op de knieën, dan is dit een duidelijke indicatie. Tot enkele jaren terug was rotkreupel een bij de overheid aangifteplichtige ziekte. Thans is er geen aangifteplicht meer, dit heeft allicht ook te maken met de vrij ruime verspreiding van de aantasting.

Rotkreupel wordt veroorzaakt door een samenspel van twee bacteriën: Fusobacterium necrophorum, die altijd op een schapenbedrijf aanwezig is en Dichelobacter nodosus, de echte veroorzaker van rotkreupel. Dichilobacter nodosus kan zich alleen vermenigvuldigen onder zuurstofarme omstandigheden op de klauwhuid. Belangrijk is dat deze bacterie buiten het dier slechts een tweetal weken blijft leven. Een weiland, waar drie weken geen schapen liepen, wordt dus geacht rotkreupelvrij te zijn.

Als door vocht de opperhuid van de tussenklauwspleet zachter wordt, dan kunnen beide bacteriën binnendringen, een ontsteking veroorzaken en geleidelijk de klauwhoorn ondermijnen. Onder de hoornlaag is er weinig zuurstof en daar kan Dichelobacter nodosus zich snel vermenigvuldigen en zorgen dat in een gevorderd stadium flinke stukken van de klauwtjes (de hoeven) loskomen. Dit is voor de dieren bijzonder pijnlijk. Een ernstige aantasting produceert ook een typische geur.

Wanneer de dieren kreupelen betekent dit dat ze zich minder vlot gaan verplaatsen , minder voeder opnemen en zo zal de conditie achteruitgaan en voor lammeren de groei vertragen. Rotkreupel heeft zo duidelijk gevolgen voor de foktechnische en de bedrijfseconomische resultaten. De aantasting wordt bevorderd door vochtige omstandigheden en een temperatuur boven 10 graden Celsius. Vandaar dat aantastingspieken voorkomen in voor- en najaar, maar ook tijdens de stalperiode.

Voorkomen

Bedrijven die vrij zijn van rotkreupel, moeten ervoor zorgen dat de rotkreupelbacterie niet op hun bedrijf binnenkomt. Een bedrijf kan besmet geraken door aangetaste dieren te kopen, de insleep via eigen of andermans schoenen of laarzen (bedrijfsbezoeken, dierenarts, …), het contact met aangetaste dieren zoals bij keuringen of prijskampen en via gecontamineerde transportmiddelen.

De basisregels van bioveiligheid zijn hier zeker van toepassing: eigen bedrijfskledij, schoenovertrekken, reinigen vervoermiddelen, maar vooral oppassen bij aankoop van dieren: dus niet aankopen op besmette bedrijven. Dieren die op het eerste gezicht gezonde hoeven hebben, kunnen echter wel drager zijn van deze schadelijke bacteriën. Daarom is bij aankoop van dieren steeds een quarantaineperiode van een tweetal weken, inclusief periodieke ontsmetting van de hoeven, aangewezen.

Vaststellen

Wanneer een dier op één of meerdere poten kreupelt, kan dit diverse oorzaken hebben, zoals een gewrichtsontsteking, blaar, of rotkreupel. Wanneer het om rotkreupel gaat, dan zijn er verschillende gradaties mogelijk in de tijd. In dit verband promoot Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) een scorekaart die deze gradaties weergeeft gaande van een normale gezonde situatie, over een ontsteking van de tussenklauwhuid naar de ernstige situaties van loslatende zoolhoorn.

Behandeling

Bij de behandeling van rotkreupel spelen voetbaden een centrale rol. Het best wordt vooraf het vuil van tussen de klauwen verwijderd. Men kan de dieren een tijdje in het bad laten staan of opteren voor een doorloopbad. Het voetbad wordt gevuld met een tiental cm water met daarin hetzij zinksulfaat 10% (= 100 gram per liter water) , hetzij een formalineoplossing van 3 à 5% (30 à 50 ml per l/water). Het bad met zinksulfaat kan hergebruikt worden. Een bad met formaline dient geregeld ververst te worden. Nadat de dieren het bad verlaten, moeten ze gedurende een half uur op een propere verharde ondergrond verblijven, zodat de producten verder kunnen inwerken. Nadien worden ze in een ‘propere’ weide gebracht, waar 3 weken geen schapen liepen.

DGZ heeft een bestrijdingsplan uitgewerkt dat berust op het scoren van alle dieren, het herhaald opsplitsen (en gescheiden houden) van de dieren in onverdacht en genezen enerzijds en aangetast anderzijds . Daarnaast wordt een langwerkend antibioticum aan de aangetaste dieren toegediend en ook een antibioticumspray toegepast op de klauwtjes. Het grasland moet ook deskundig ingedeeld worden, zodat de onverdachte of genezen dieren in een ‘gezonde’ weide kunnen gelaten worden.

Of de hoeven moeten bekapt of besneden worden is een discussiepunt. Vroeger was het advies om resoluut, samen met het toepassen van een voetbad, alle klauwtjes te besnijden, d.w.z. alle uitgroei/overgroei van de hoorn weg te snijden, maar ook bij de aangetaste klauwen de loshangende en aangetaste stukken te verwijderen. En dit werd dan om de 4 à 6 weken herhaald. De weggesneden delen van de aangetaste hoeven blijven nog weken besmettelijk, dus opruimen.

Momenteel is het advies om alleen overgroeiende delen van de klauwtjes weg te nemen en verder niet te bekappen, omdat via het besnijden nieuwe infecties zouden veroorzaakt worden. Bij het besnijden moet na elk dier het mes of snijgerief ontsmet worden om overdracht te voorkomen. Zelfs met de beste zorgen zijn er dieren die nooit meer tot normale klauwontwikkeling komen en waar de bacteriën blijven woekeren, wat tot wildgroei van de klauwen leidt. Het verdient aanbeveling deze dieren op te ruimen.

Bedrijfsvoering

Al de hiervoor beschreven behandelingen zijn erg belastend voor de bedrijfsvoering. In een Nederlands advies lezen we: ‘Rotkreupel is goed te behandelen, zeker als het om een beginnende infectie gaat en het is eenvoudiger wanneer het om een kleine kudde gaat; maar een goed uitgevoerde behandeling kost, behalve inspanning en geld, vooral veel doorzettingsvermogen, , stiptheid en tijd!’.

Op het vlak van bedrijfsmanagement is het nog belangrijk om te vermelden dat de snelheid van uitgroei van de hoeven en ook de hardheid behoorlijk erfelijk zijn. Vooral de invloed van een bepaalde ram kan hier of veel werk sparen of veel werk bezorgen voor het onderhoud van de klauwtjes van zijn nakomelingen. Harde hoeven beschermen beter tegen aantasting en weelderige uitgroei van de hoorn creëert anaerobe omstandigheden met hogere kans op besmetting.

Vaccinatie

Om voor grotere bedrijven en in hardnekkige situaties alles onder controle te krijgen / te houden is vaccinatie mogelijk. Maak de afweging om te vaccineren in samenspraak met uw dierenarts. Er zijn vaccins op de markt die actief zijn tegen een tiental verschillende serotypes van Dichelobacter nodosus. De dieren moeten voor basisimmuniteit twee keer ingeënt worden met 4 à 6 weken tussentijd. Nadien moet om de zes maanden opnieuw geënt worden. Lammeren kunnen vanaf een leeftijd van 3 maanden ingeënt worden.

Start men met een besmette kudde dan moet vaccinatie gecombineerd worden met ondersteunende maatregelen zoals eerder vermeld (= voetbaden, indelen in groepen). Vaccinatie leidt meestal snel tot een verbetering van het dierenwelzijn in de kudde, maar de aantasting kan wel (latent) aanwezig blijven en een bezwaar is dat op de entplaats meestal tijdelijk een gezwel ontstaat.

Besluit

Heel wat schapenbedrijven worstelen vroeg of laat met rotkreupel. Het grootste risico schuilt in de aankoop van dieren. Een bedrijfsaantasting is ernstig, , maar niet hopeloos. Een oplossing vraagt veel tijd en nauwgezetheid. Maar voorkomen, met bioveiligheidsmaatregelen is hier heel wat beter dan te moeten genezen.

André Calus

Lees ook in Schapen

Het herkauwproces en mogelijke probleemsituaties bij schapen

Schapen Schapen zijn herkauwers. Dat betekent dat ze via een complex magensysteem cellulose- en vezelrijke planten kunnen benutten om zich te voeden. We gaan in dit artikel dieper in op hoe dit verteringsproces verloopt, maar ook op eventuele problemen die we als veehouder kunnen ervaren als er bij de vertering iets verkeerd loopt, zoals groenkauwen of enterotoxaemie.
Meer artikelen bekijken