Geboorte van een tweeling bij een merrie: een wonder of een zorg?

Geboorte van een tweeling bij een merrie: een wonder of een zorg?

Tweelingdracht is een belangrijke niet-infectieuze oorzaak van drachtverlies bij de merrie en leidt daarnaast eveneens tot geboorteproblemen (dystocie), de geboorte van zwakke, onderontwikkelde veulens, het opblijven van de nageboorte en vervolgens tot een lage fertiliteit van de merrie voor het daaropvolgende voortplantingsseizoen. Kortom, het optreden van tweelingdracht wordt frequent geassocieerd met economische en emotionele verliezen.

Hoe ontstaat een tweeling bij de merrie?

Bij het paard komen in het merendeel van de gevallen niet-identieke, twee-eiige tweelingen (heterozygoot) voor. Een niet-identieke tweeling ontstaat uit de groei van 2 dominante follikels (eiblaasje: blaasje waarin de eicel zich ontwikkelt), die aanleiding geven tot 2 ovulaties (eisprongen) en waaruit vervolgens 2 vruchten kunnen ontstaan.

Identieke, eeneiige tweelingen (homozygoot) worden daarentegen slechts zelden gerapporteerd bij het paard. Deze ontstaan uit één ovulatie of één embryo die daarna splitst in 2 (genetisch identieke) vruchten. Over de jaren heen ziet men echter wel een stijgende tendens van het voorkomen van deze identieke, eeneiige tweelingen bij het paard, voornamelijk door de opmars van het gebruik van geassisteerde voortplantingstechnieken (OPU-ICSI, embryotransfer…). Zowel de dierenarts als de eigenaar moet er zich dus van bewust zijn dat een identieke, eeneiige tweeling in zeldzame gevallen ook kan voorkomen na transfer van slechts een embryo.

Moeilijk in de baarmoeder

Gezien de placenta of moederkoek – anders dan bijvoorbeeld bij de mens – bij het paard uit verschillende lagen bestaat ter bescherming van het veulen, is de uitwisseling van voedingstoffen en zuurstof moeilijker en vergt dit de volledige oppervlakte van de baarmoeder om een veulen adequaat te voeden. In die zin is de baarmoeder van de merrie niet gemaakt voor het voldragen van een tweeling, omdat er te weinig plaats is voor de groei en ontwikkeling van 2 functionele placenta’s. In geval van tweelingdracht is er steeds een zone van de placenta van elk veulen, waarbij het contact met de baarmoeder ontbreekt en die vervolgens onderontwikkeld blijft. Deze zone bevindt zich op de plaats waar beide veulens tegen elkaar aan liggen en is ook bekend onder de naam: ‘tweelingmembraan’. Via dit membraan is de merrie niet in staat om beide veulens van essentiële voedingsstoffen te voorzien, wat een vermindering van de totale normale voedingsopnamecapaciteit voor elk veulen betekent.

Afhankelijk van de fixatie en lokalisatie van de veulens kan de placenta een gelijke of ongelijke ruimte innemen en dus meer of minder contact maken met de baarmoederwand. Deze verdeling zal mee het verloop van de dracht beïnvloeden. Zo zal bijvoorbeeld bij een sterke ongelijke grootte van de placenta, mogelijk het kleinste veulen spontaan resorberen (zie tekening). Wanneer dit vroeg in de dracht gebeurt, dan kan dit mogelijk zonder negatieve gevolgen zijn voor het andere veulen. Wanneer echter beide veulens een nagenoeg gelijke grootte aan contactoppervlakte met de baarmoeder hebben, zullen beide veulens tot verder in de dracht in leven blijven tot ze beide tekorten kennen, afsterven en aanleiding geven tot abortus.

Bij een sterke ongelijke grootte van de placenta zal mogelijk het kleinste veulen spontaan resorberen.
Bij een sterke ongelijke grootte van de placenta zal mogelijk het kleinste veulen spontaan resorberen. - Bron: UGent

Gevolgen voor merrie en veulens

Op die manier leidt tweelingdracht zonder interventie van de dierenarts veelal tot abortus van beide veulens en dit voornamelijk tussen de 5-9 maand van de dracht of indien de merrie de tweeling voldraagt, tot de geboorte van 2 gecompromitteerde, zwakke veulens of van één sterk en één zwak veulen, die frequent symptomen van groeiachterstand vertonen. Deze veulens zijn vaak gevoeliger voor infecties en ontwikkelen zich trager na de geboorte in vergelijking met eenlingen. Als één of beide veulens na de geboorte het toch overleven, zijn er vaak intensieve zorgen tijdens de eerste levensweken vereist, die voor de eigenaar grote financiële kosten met zich mee kunnen brengen.

Bovendien heeft dit ook negatieve gevolgen voor de merrie. Er treden namelijk frequent geboorteproblemen (dystocie) op, waardoor het geslachtstelsel (vagina, baarmoeder…) van de merrie beschadigd kan worden. De merrie is na de bevalling ook gevoeliger voor het opblijven van de nageboorte en door de lagere fertiliteit is het dikwijls een grote uitdaging om ze tijdens het daaropvolgende voortplantingsseizoen opnieuw drachtig te krijgen.

Preventie en behandeling van een tweelingdracht

Om het optreden van een tweelingdracht en de hieraan verbonden risico’s bij de merrie te voorkomen, is een goede cyclusopvolging door de dierenarts steeds van essentieel belang. Zoals eerder vermeld, kan de aanwezigheid van 2 groeiende, dominante follikels op de eierstokken aanleiding geven tot 2 ovulaties, waaruit een tweeling kan ontstaan. Indien dit opgemerkt wordt rondom de inseminatie wordt sterk aangeraden een vroege drachtcontrole op dag 13-15 (dag 0 = eisprong) uit te voeren, zodat één vruchtje verwijderd kan worden. Een uniek fenomeen bij het paard is dat de vruchtjes tot dag 16 volledig vrij bewegen doorheen de baarmoeder. Dit is een noodzakelijk mechanisme voor de drachtherkenning bij het paard. Indien de tweelingdracht tijdens deze ‘mobiele’ fase gediagnosticeerd wordt, kan de dierenarts door middel van rectaal onderzoek en met behulp van echografie de vruchtjes ver genoeg uit elkaar bewegen en één vruchtje verwijderen. Het doel van de ‘tweelingreductie’ is steeds het streven naar een eenlingdracht en de geboorte van één gezond, levend veulen, nadat de merrie haar normale drachtduur voltooid heeft.

Hoewel deze vroege reductietechniek de optimale behandelingsmethode is, kan het toch voorvallen dat de tweelingdracht onopgemerkt blijft of pas op latere leeftijd tijdens de dracht gediagnosticeerd wordt. Redenen hiervoor kunnen zijn: de aanwezigheid van baarmoedercysten, ongunstige omstandigheden tijdens het rectaal onderzoek zoals het gedrag van de merrie of suboptimale kwaliteit van het echobeeld. Indien dit het geval is, kan er afhankelijk van verschillende parameters (het drachtstadium, de oriëntatie van de vruchten ten opzichte van elkaar in de baarmoeder, de waarde van de veulens, financiële beperkingen…), in communicatie met de dierenarts een andere behandelingsoptie – eliminatie van één vrucht – geselecteerd worden. Hoewel deze andere ‘reductietechnieken’ goed beschreven en getest zijn, hebben ze toch steeds een lager slagingspercentage dan de vroege interventie en kan het verlies van beide vruchten tijdens de dracht alsnog optreden.

In het uitzonderlijke geval van het voorkomen van een ééneiige tweeling (bijvoorbeeld na transfer van één embryo) is de benadering moeilijker. Terwijl een vroege drachtcontrole en detectie de sleutel tot succes is bij de behandeling van twee-eiige tweelingen (ontstaan uit meerdere ovulaties), kan een eeneiige tweeling bij het paard pas tijdens een later drachtstadium gedetecteerd worden (dag 25-30 na ovulatie). Dit wordt verklaard door de andere oorsprong en een verschillende ontwikkeling en anatomie van de placenta van zo’n tweelingdracht. Het uitvoeren van regelmatige drachtcontroles tijdens latere drachtstadia is hierbij dus van belang. Daarenboven is de behandeling van dergelijke eeneiige tweelingdracht uitdagend en moeilijk met een lage prognose tot gevolg.

Mogelijke klinische symptomen bij een abortus

Indien de tweelingdracht niet gediagnosticeerd is, kan vroegtijdig opuieren (gezwollen uier, de aanwezigheid van secreet ter hoogte van de tepels… gemiddeld tussen 5 en 9 maanden dracht) bij de merrie het signaal zijn dat het geboorteproces te vroeg start en dat abortus mogelijk zal optreden. Dit klinische symptoom kan naast tweelingdracht ook door andere aandoeningen veroorzaakt worden, zoals bijvoorbeeld bij placentitis (een ontsteking van de placenta). Daarnaast kan een toename van de buikomvang van de merrie ook een klinisch symptoom zijn die tweelingdracht doet vermoeden. Bij de aanwezigheid van deze klinische symptomen wordt sterk aangeraden om een echografische drachtcontrole uit te voeren. Hoewel het diagnosticeren van een tweelingdracht tijdens het late drachtstadium moeilijk en uitdagend is, kunnen andere aandoeningen reeds uitgesloten worden. Vervolgens kan afhankelijk van het klinische en echografische onderzoek een voorlopig behandelingsplan voor de merrie opgesteld worden.

Conclusie

‘Beter voorkomen dan genezen’. Naast een goede cyclusopvolging, waarbij de aanwezigheid van meerdere ovulaties een vroege indicator kan zijn op het voorkomen van een tweelingdracht (heterozygoot, twee-eiig), is het van essentieel belang om bij deze merries een vroege drachtdiagnose voor dag 16 uit te voeren. Tijdens dit vroege drachtstadium heeft de ‘tweelingreductie’ een optimale slaagkans. Aansluitend is het uitvoeren van regelmatige drachtcontroles sterk aangeraden om tweelingdracht bij de merrie alsnog uit te sluiten en een normale ontwikkeling van de dracht op te volgen. Daarnaast is het belangrijk te onthouden dat een eeneiige tweeling bij het paard in zeldzame gevallen kan voorkomen en mogelijk pas tijdens een later drachtstadium detecteerbaar is.

Sofie Peere, UGent

Meest recent

Meest recent