75 jaar BDB: meten is weten!

Jan en Patrick (rechts) Van der Velpen zijn al vele jaren proefveldhouder voor de BDB.
Jan en Patrick (rechts) Van der Velpen zijn al vele jaren proefveldhouder voor de BDB. - Foto: Renaat Nijs

Proefvelden zijn een zeer belangrijk vertrekpunt om meteen de praktijk mee te nemen en om geen effect te hebben van mogelijke eerdere proeven die op het perceel reeds hebben aangelegen. Aangezien de BDB in heel België en ook in Frankrijk actief is, moeten ook al de bodemtypes aan bod komen op deze proefvelden, alsook de typische kalkrijke gronden in Frankrijk. “Voor ons is het zeer belangrijk dat onze veldmedewerkers en onze onderzoekers fantastisch goed kunnen samenwerken met en vertrouwen op de proefveldhouder. Daar ben ik ontzettend dankbaar voor”, zegt Hilde Vandendriessche. “Het is ook fijn om op de proefvelden collega-land- en tuinbouwers uit te nodigen en zo expertise op te doen en van gedachte te wisselen. Hopelijk kan dit na corona weer volop.”

We polsten bij proefveldhouders Jan en Patrick Van der Velpen uit Bierbeek hoe ze dat ervaren.

LBL: Moet je een bepaald type bedrijf hebben voor een proefveld?

JV: “Eigenlijk niet, het hangt niet af van het soort bedrijf dat je uitbaat. Natuurlijk zal een akkerbouwproef moeilijk kunnen doorgaan op een fruitteeltbedrijf, maar de schaalgrootte is niet zo belangrijk. Ons bedrijf is bijvoorbeeld een middelgroot fruitteeltbedrijf, zo’n 30-tal ha groot, de helft appelen, de helft peren. Daarvan neemt het proefveldperceel 20-30 are in. Dat is best behapbaar. Behalve wat tijdverlet is de concrete impact bij de bewerking minimaal. Natuurlijk kan er bij bepaalde proeven wel oogstverlies optreden of zullen de bomen er wel hinder van ondervinden, maar als dat vooraf wordt ingecalculeerd, kun je daar rekening mee houden. Het is natuurlijk wel belangrijk dat je een perceel hebt dat in aanmerking komt. Voor de proeven die hier plaatsvinden is het essentieel dat het perceel homogeen van structuur is.”

Geef eens een goede eigenschap voor een proefveldhouder...

PV: “Het allerbelangrijkste vind ik wel dat je als bedrijfsleider moet gebeten zijn door het willen weten. Kennisvergaring is immers essentieel om mee te zijn in nieuwe ontwikkelingen die toelaten om de marges in productie en rendement in stand te houden en dit bovendien op een duurzame manier, zowel bedrijfseconomisch als teelt- en milieutechnisch. Met een proefveld op je gronden zit je mee aan de spits van het onderzoeksgebeuren. Niet alles is natuurlijk even relevant voor je eigen bedrijf, maar het dwingt je wel om mee na te denken over het aanpakken van concrete situaties. Het helpt ook om nieuwe inzichten sneller te verwezenlijken. Bovendien is het ook een manier om je netwerk uit te breiden.”

Waar zie je dit naartoe evolueren?

JV: “Misschien eerst meegeven dat er al decennialang een nauwe link is tussen het onderzoek en de praktijk op ons boerenbedrijf. Toen onze vader in de jaren 70, net zoals vele anderen in het Hageland, zijn klassieke gemengde bedrijf omschakelde naar fruitteelt kon hij ook al een beroep doen op externe expertise. Doorheen de jaren merkte ik wel dat de BDB zonder problemen vanuit telkens nieuwe invalshoeken zijn proefveldonderzoek kon uitvoeren. En ik ben ervan overtuigd dat ze dat voor de komende 75 jaar ook nog zullen kunnen doen. De nabije aanwezigheid van de Leuvense universiteit speelt hierin allicht een meer dan bepalende rol. De evolutie in proeven volgt of loopt zelfs voor op de actualiteit: bemesting, irrigatiesturing, fertigatie... Ik zie persoonlijk nog grote stappen mogelijk op het vlak van informatisering en digitalisering of met andere woorden de uitrol van de precisielandbouw.”

Een proefveldbezoek van BDB op 3 juli 1958, toen men nog in zijn chic kostuum op proefveldbezoek ging.
Een proefveldbezoek van BDB op 3 juli 1958, toen men nog in zijn chic kostuum op proefveldbezoek ging. - Foto: Archief BDB

Bert Woestenborghs, CAG

Meest recent

Meest recent