Aandachtspunten op een schapenbedrijf in augustus

Deze schapen staan in te hoog gras.
Deze schapen staan in te hoog gras. - Foto: AC

In tegenstelling tot de vorige 3 à 4 droge jaren is er dit seizoen geen gebrek aan gras, integendeel. De meeste bedrijven zullen er tussen de buien in wel al in geslaagd zijn om voldoende ruwvoeder, voordroog of hooi te winnen voor de volgende winter. Nochtans is het in een jaar als dit niet evident is om voldoende kwaliteitsvol gras tijdig te maaien en ook niet om goed hooi te kunnen binnenhalen.

Voeding en voedervoorraad

Weilanden die niet gemaaid zijn en waar ondertussen te veel oud gras op aanwezig is, worden misschien het best kortelings eens gebloot om nog een goede najaarssnede aan kwaliteitsvol gras te bekomen. Hou bij een nog geplande stikstofbemesting vooral de einddatum waarop nog mag bemest worden in het oog, gezien de gewijzigde regelgeving door de aanscherping van de MAP-normen, in functie van de zone/situatie waarin bedrijf en perceel zich bevinden.

Wormen

Los van de algemene strategie om wormschade te voorkomen of te beperken, zijn er in deze periode van het jaar 2 aandachtspunten in het ‘worm’management: Vooreerst Haemonchus contortus en op wat langere termijn Fasciola hepatica of leverbot.

De larven van de rode lebmaagworm of Haemonchus contortus overwinteren niet of nauwelijks op de weide. Omdat de lammeren echter in de afgelopen maanden meer en meer eieren zijn gaan uitscheiden, kan vanaf nu en in de herfst een sterke aantasting optreden. Terwijl bij andere wormsoorten diarree optreedt, wat dan als een belangrijk signaal voor de schapenhouder kan dienen om in te grijpen, is er bij aantasting door de rode lebmaagworm geen diarree, maar ontstaat er bloedarmoede. Deze worm hecht zich vast aan de wand van de lebmaag en zuigt hier massaal bloed. Zo ontstaat bloedarmoede en de slijmvliezen van ogen en muil worden bleek. Als de infectie aanhoudt, dan gaat de conditie erop achteruit, de groei vertraagt en soms ziet men ook een zwelling aan de onderkaak door vochtophoping. In erge gevallen sterven de dieren aan uitputting.

Om de situatie in te schatten en de staat van aantasting te proberen evalueren, kan de kleur van het oogslijmvlies vergeleken worden met de Famacha-kleurkaart, die de verschillende gradaties van bloedarmoede in beeld brengt. Even zoeken op internet of bepaalde publicaties van DGZ raadplegen en je vindt deze kleurkaart wel terug. Omdat er geregeld resistenties gemeld worden ten aanzichte van bepaalde groepen ontwormingsmiddelen is het aangewezen om bij problemen in overleg met uw dierenarts te bekijken welke middelen het best eventueel afwisselend kunnen ingezet worden.

Leverbot

Gezien we de afgelopen maanden meer dan ons deel aan regen en vochtigheid gehad hebben, is de kans dat er later dit jaar opnieuw leverbotproblemen zullen opduiken zeer groot. Leverbot is niet alleen een mogelijk probleem voor de lammeren, maar ook voor de volwassen dieren. De leverbot heeft als tussengastheer een zoetwaterslak nodig, en gezien de vele regens zal de slakkenpopulatie zeker uitgebreid aanwezig zijn dit jaar. De volledige cyclus van uitgescheiden eitje in de mest tot larfje, met nadien de slaktussenfase en uiteindelijk het terug circuleren van de botten in een schaap kan 4 à 5 maanden duren. Dus dan wordt het vooral attent zijn in najaar en winter, zeker als de schapen op vochtig of eerder overstroomd weiland gegraasd hebben.

Planning volgend seizoen en selectie

Augustus is ook het moment om te bepalen met welke ooien en rammen men het volgend kweekseizoen wil ingaan. Elk bedrijf heeft zijn eigen visie en/of rasvoorkeur, al of niet gekoppeld aan het type bedrijfsvoering zoals natuurbeheer, of korteketenafzet, of stamboekwerking... Sommigen willen mooie dieren, anderen opteren voor productieve dieren. Allemaal elementen die mee bepalen met welk type ouderdier men het volgend seizoen wil instappen. Een eerste vraag is met welke oudere dieren kweken we verder, een volgende vraag is dan welke ooilammeren worden aangehouden of aangekocht om ze in de kudde te introduceren en zeer belangrijk met welke ram of rammen zal er worden gewerkt.

Wat de oudere dieren betreft, is het een goede visie om behoorlijk streng te zijn bij het uitselecteren. Dieren met een blijvende slechte conditie, of gezondheidsproblemen, of slechte uiers of pootgebreken gaan eruit. Medelijden op dit punt leidt later vaak toch tot sterfte, of erg tegenvallende resultaten bij het aflammeren. Maar let wel: oudere ooien die nog in goede gezondheid verkeren, kunnen productief blijven tot hoge ouderdom, bijvoorbeeld tot ze 8 à 10 jaar oud zijn. Voor de ramkeuze ligt dit anders. Als men een ram 3 of meer jaar aanhoudt, kan men omwille van inteelt (dekken van eigen nakomelingen) in de problemen komen.

Juiste keuzes maken

Bedrijven die gericht zijn op beroepsmatige lamsvleesproductie hebben er alle belang bij, om rendabiliteitsredenen, om te werken met vruchtbare moeders en om die te laten dekken door een ram met uitstekende bevleesdheid (Seurop-klasse U of nog beter E). Gezien bevleesdheid en vruchtbaarheid eerder negatief gecorreleerd zijn, moet voor de ooien de balans eerder richting vruchtbaarheid overhellen. Maar omdat de erfelijkheidsgraad voor overdracht van spiermassa (= bevleesdheid) groot is (0,4-0,6) kan men door een goede ramkeuze qua bevleesdheid een flinke stap vooruit zetten. Het spreekwoord zegt niet ten onrechte: ‘De ram is de helft van de kudde’. Wat de lammerproductie betreft, is dat inderdaad zo.

Selectie op vruchtbaarheid binnen een bepaald ras is een traag proces, maar blijf toch niet zonder gevolg. De erfelijkheidsgraad is van grootteorde 0,10-0,15. Door consequent ooilammeren aan te houden van vruchtbare moeders (met twee-, drie- of vierlingen) zet men stappen in de goede richting. Een alternatief is om voor moeders te kiezen van vruchtbare rassen, maar die zijn meestal minder bevleesd. Denk bijvoorbeeld aan ons Vlaams melkschaap. Een tussenweg is om met moeders te werken die zelf al een kruising zijn tussen een vruchtbaar ras en een meer bevleesd ras, zoals bijvoorbeeld de Swifter (Melkschaap x Texel). Daarnaast blijft de discussie relevant of men ooilammeren reeds het jaar van de geboorte laat dekken. Sommige kwekers zweren erbij dat niet te doen om de ooien goed te laten uitgroeien. Als men echter met een rendabiliteitsbril kijkt, dan kan er geen discussie zijn: jonge ooien moeten in het jaar van geboorte gedekt worden. Belangrijk is dat ze pas gedekt worden als ze zo’n 60% van hun volwassen gewicht bereikt hebben. Voor de courante rassen betekent dat, dat ze ongeveer 45 kg moeten wegen, vooraleer ze tot de ram toegelaten worden.

Dieren op topniveau

Voor selectie van dieren op topniveau (zeker bij runderen, varkens...) wordt momenteel uitgegaan van genoomanalyse en gerichte paringen/kruisingen. Zo kan men sneller vooruitgang boeken. Dit is voor het doorsnee schapenbedrijf nog niet weggelegd, maar toch moeten we hier voor de schapenhouderij een interessant fokresultaat vermelden. Voor de courante negatieve relatie tussen vruchtbaarheid en bevleesdheid moeten we toch op één uitzondering wijzen en dit is de aanwezigheid van het ‘Booroola-gen’ of vruchtbaarheidsgen ingekruist in een bevleesd ras. Dit Booroola-gen is bijvoorbeeld ingekruist in texelschapen door kruising met een merino, bezitter van dit vruchtbaarheidsgen. Het resultaat is dat de vruchtbaarheid van gen-dragende texelooien duidelijk stijgt, zeker voor deze die homozygoot zijn voor dit Booroola-gen. Drie- en vierlingen worden dan couranter, terwijl de bevleesdheid, die eerst door inkruisen wat terugliep, geleidelijk aan weer kan bijgewerkt worden. De aanschaf van ooien en zeker van rammen met Booroola-gen (enkel of dubbel) loopt echter niet van een leien dakje: ze zijn zeker niet vlot te vinden en daarbij nogal prijzig.

Besluit: de dektijd komt eraan

Zoals we er in eerdere artikels al herhaaldelijk op gewezen hebben, willen we als afsluiter er toch nog even aan herinneren dat de gemiddelde worpgrootte laag is en de geboorteperiode zeer gespreid, indien de ram altijd bij de kudde loopt.

Als men een ram meer dat 3 jaar bijhoudt, kan dat problemen geven naar inteelt toe.
Als men een ram meer dat 3 jaar bijhoudt, kan dat problemen geven naar inteelt toe. - Foto: AC

De beste resultaten kan men verwachten als de ram (voor ooien met texelinslag) pas tegen de eerste helft van oktober bij de kudde toegelaten wordt. Nog even geduld dus! En ook de kleurblok niet vergeten, zodat men van elke ooi weet wanneer ze gedekt is, zo kan al veel ellende en verlies in de aflamperiode vermeden worden.

André Calus

Meest recent

Meest recent