Extreme koude en hitte verstoren energiebalans in veehouderij

Bij melkkoeien kan het voorzien van schaduw een verminderde melkproductie ten gevolge van hittestress tegengaan.
Bij melkkoeien kan het voorzien van schaduw een verminderde melkproductie ten gevolge van hittestress tegengaan. - Foto: LV

Auteurs van het Eindrapport project Weidescherm zijn Jolien Bracke (ILVO), Bert Reubens (ILVO), Charlotte Vanden Hole (ILVO), Bert Peeters (Bos+) en Sander Van Daele (Bos+). Opdrachtgever en financier van dit project is het Departement Omgeving (Dienst Dierenwelzijn).

Aandacht dierenwelzijn

Een groeiend deel van de bevolking heeft aandacht voor dierenwelzijn en vindt dat een natuurlijke leefomgeving hier deel vanuit maakt. “Daarenboven wordt ons klimaat extremer. Specifiek voor Vlaanderen worden meer en langere periodes van droogte en hitte verwacht”, aldus de auteurs in het eindrapport.

Effecten op rundvee

In opdracht van het Departement Omgeving onderzochten Bos+ en ILVO hoe het welzijn van runderen, schapen en paarden te garanderen in de weide aan de hand van natuurlijke beschutting. Dat vertaalde zich in het project Weidescherm: ‘Bepalen van adequate beplanting als beschutting voor dieren die buiten worden gehouden’. Het interessante rapport voor veehouders is terug te vinden op de website van ILVO.

In dit artikel focussen we enkel op het effect van extreme weersomstandigheden op runderen, schapen en paarden. Rundvee kan zich aanpassen aan langdurige milde koude door energiereserves (lichaamsvet en spierweefsel) op te bouwen en door voor een betere isolatie te zorgen onder vorm van onderhuids vet en een dikkere vacht.

“De energievraag en -efficiëntie worden bepaald door lichaamsgewicht, productie van melk of ongeboren kalveren en groeisnelheid, maar ook door type vee of ras. Robuuste en langzaam groeiende veerassen, zoals de Schotse Hooglander, Galloway, Hereford en Aberdeen Angus, worden gekenmerkt door een lage energiebehoefte en een hoog potentieel om vet op te hopen bij een dieet van slechte kwaliteit. Als zodanig wordt aangenomen dat ze relatief resistent zijn tegen koude omstandigheden”, staat in dit eindrapport.

Sneller groeiende en heel productieve commerciële vlees- en melkrassen, zoals Holstein, Jersey, Charolais, Limousin, Blonde d'Aquitaine en Belgische Wit Blauwe runderen, zijn gekenmerkt door hogere basale stofwisselingssnelheden, groeisnelheden en dus hogere energiebehoeften.

“Daardoor zullen zij in de zomer sneller hittestress ervaren. Deze rassen worden als minder geschikt beschouwd om in een groot aantal klimatologische omstandigheden te worden gehouden en in de winter worden ze over het algemeen binnen gehouden, onder meer door een gebrek aan grasgroei en te vochtige weideomstandigheden.”

Melk- en vleesproductie

Hoge omgevingstemperaturen brengen de reproductie-efficiëntie van boerderijdieren in gevaar bij beide geslachten en beïnvloeden dus de melk- en vleesproductie. “Hittestress heeft een bijzonder negatief effect op de eicelgroei en spermaconcentratie door een veranderende hormoonhuishouding, en belemmert daarnaast ook de embryo- en foetusontwikkeling. Daardoor wordt de tussenkalftijd langer en wordt de jaarlijkse melkproductie verlaagd.”

Hoogproductieve melkkoeien zullen in het begin van de lactatie energiereserves aanspreken. “Wanneer de omgevingstemperatuur oploopt, ondervindt het vee moeilijkheden om de lichaamstemperatuur op peil te houden, en zal de voederinname verminderen om de geassocieerde metabolische warmtevrijstelling in toom te houden, waardoor eigen lichaamsreserves aangesproken moeten worden en de melkproductie op termijn toch zal dalen.”

Daarnaast zullen ook fysiologische verkoelingsmechanismen, zoals een versnelde ademhaling en hartslag meer energie vergen. “Ook bij hoogproductieve vleesrunderen doen zich problemen voor. Aangezien hier vooral geselecteerd is op mager vlees en een hoge opbrengst per dier resulteerden kruisingen in dubbelgespierde rassen.”

Thermisch comfort

Deze zijn veroorzaakt door een genafwijking, die er daarnaast ook voor zorgt dat het zuurstoftransport en de long- en hartfunctie minder efficiënt zijn. Bovendien is er meer spiermassa en een verlaagde oppervlakte/volume-verhouding bij de runderen, waardoor de warmteoverdracht naar de omgeving minder goed verloopt.

Thermisch comfort hangt samen met zowel temperatuur als luchtvochtigheid, bij een hoge relatieve vochtigheid (bv. 80%) kan al hittestress optreden bij ongeveer 23°C, terwijl dit bij een lage relatieve vochtigheid (bijvoorbeeld 40%) pas bij 26° C optreedt. Deze waarden worden verder beïnvloed door windsnelheid en neerslag.

“In de zomer is de relatieve vochtigheid in België ongeveer 70%. In een review door Van laer en andere kunnen we lezen dat zelfs in een gematigd klimaat als in België, hittestress bij runderen kan voorkomen op 3 à 15% van de dagen (gebaseerd op weerdata in Melle tussen 1994 en 2005), afhankelijk welke index gebruikt wordt. Tijdens de winter zouden de temperaturen geen echte koudestress veroorzaken bij gezonde volwassen runderen, maar toch voor tijdelijk ongemak kunnen zorgen.”

Natuurlijke beschutting

Deze ongemakken kunnen overgaan in echte koudestress tijdens periodes met neerslag en zonder beschutting. Verdere studies toonden aan dat grazers (dewelke een heel jaar buiten staan) zowel bij hitte als bij koude gebruik maken van natuurlijke beschutting om hun temperatuur op peil te houden.

“Dit wordt zelfs geprefereerd boven artificiële beschutting. Ook voor meer commerciële rassen, zoals Belgisch witblauw (vleesrunderen) en Holstein (melkkoeien) wordt duidelijk aangetoond dat het voorzien van schaduw een positief effect had op het thermisch comfort van de dieren. Bij deze laatste kan het voorzien van schaduw zelfs een verminderde melkproductie ten gevolge van hittestress tegengaan.”

Het vermogen van schapen (en bij uitbreiding geiten) om met hittestress om te gaan zonder hun welzijn en productieve prestaties te schaden, wordt vaak overschat. In vergelijking met runderen zijn ze iets hittetoleranter en minder geselecteerd op basis van productiviteit.

Minder onderzoek naar

“Deze factoren, in combinatie met het feit dat hun melk op wereldniveau economisch minder belangrijk is, zorgen er voor dat er globaal minder onderzoek naar verricht is. Hittestress, zeker in combinatie met een hoge luchtvochtigheid, kan echter leiden tot een verhoogde hartslag, een verhoogde ademhalingsfrequentie, hijgen, zweten, verminderde voedselinname en verminderde waterexcretie in faeces en urine.”

Het beïnvloedt zelfs de ovariële functie en de embryonale ontwikkeling, wat resulteert in verminderde vruchtbaarheid. Daarnaast worden eiwitten en energie herverdeeld ten koste van verminderde groei, voortplanting, productie en diergezondheid.

“Bij het verteringsproces komt veel warmte vrij. Een eerste adaptatiemechanisme bij hittestress is dan ook om minder te eten onder hittestress, wat mogelijk kan leiden tot pensverzuring (acidose). Een te lange periode van hittestress kan zelfs 1 tot 2 weken nadien nog een verstoorde werking van de pens en de rest van het spijsverteringsstelsel tot gevolg hebben. Hittestress verlaagt ook de natuurlijke immuniteit, waardoor dieren kwetsbaarder worden voor ziekten.”

Sterk rasafhankelijk

De hittegevoeligheid is sterk rasafhankelijk. Of hittestress effectief optreedt, hangt af van de luchttemperatuur, maar wordt ook hier beïnvloed door de luchtvochtigheid.

De dieren observeren leert dikwijls of ze er mee kampen: wanneer de dieren de schaduw opzoeken, zoveel mogelijk rechtstaan, traag bewegen en een versnelde ademhaling vertonen, is dit waarschijnlijk het geval. Directe zonnestraling in combinatie met een hoge omgevingstemperatuur zou de melkopbrengst niet beïnvloeden, maar wel de samenstelling

Ook de algemene (hygiënische) kwaliteit van de melk kan achteruit gaan, door een teveel aan bacteriën. Aangezien de vacht de schapen beschermt tegen UV-straling, is het belangrijk deze niet vlak voor de zomer of een periode met veel felle zon te scheren. “Een vacht kan ook een isolerende werking hebben tegen omgevingswarmte, maar mag niet te dik zijn om een effectieve verdampingskoeling van de huid mogelijk te maken.”

Ook koudestress (zeker onder invloed van bijkomende wind en regen) kan voorkomen, maar vooral bij lammeren, lacterende ooien en pas geschoren schapen. Deze gaan zich dan dichter bij elkaar positioneren en meer gebruik maken van beschutting. Deze koudestress kan zich uiten in een verhoogde voedselinname en een versnelde spijsvertering, maar ook in een verlaagde activiteit.

Vlak na geboorte

Lammeren zijn vlak na hun geboorte heel gevoelig voor lichaamswarmteverliezen (tot 10° C in de eerste 30 minuten na de geboorte), waardoor ze onder koude weersomstandigheden sterk afhankelijk zijn van beschutting. 30% van de lammersterfte is te wijten aan blootstelling aan lage temperaturen en verhongering.

“Door ooien beschutting te bieden in de buurt van voedsel en water, worden ze aangemoedigd om langer op de geboorteplaats te blijven, wat de band met de lammeren bevordert en hun overlevingskansen vergroot.”

De beschutting laat lammeren toe om opgenomen energie vooral in de groei te investeren en minder in het op peil houden van de lichaamstemperatuur, waardoor lammeren met beschutting sneller groeien dan deze zonder beschutting.

“Natte en warme omgevingen zijn bevorderlijk voor de overleving en dus voor de verspreiding van gastro-intestinale parasietlarven in de weide. Beboste weiden, met hun microklimaat, zouden daarom een gunstige plek zijn voor hun ontwikkeling en overleving. In het PARASOL-project in Frankrijk, waar het houden van schapen in een agroforestry-context grondig onderzocht werd, werd echter geen verband gevonden tussen de parasietbelasting en de aanwezigheid van bomen.”

LV-Departement Omgeving/ILVO/Bos+

Meest recent

Meest recent