Startpagina Schapen

Hoe bereid je de aflamperiode goed voor ?

Op sommige bedrijven zijn de eerste lammeren al geboren, maar voor de meeste bedrijven vinden de geboorten plaats tussen half februari en april. De geboorteperiode is de meest delicate, maar ook de belangrijkste periode voor een schapenbedrijf. Het aantal lammeren is bepalend voor de rendabiliteit, maar het moeten wel levende en finaal verkoopbare lammeren zijn.

Leestijd : 9 min

Het komt eropaan dat de ooien gezond en wel de werpdatum bereiken en dat de lammeren die geboren worden, de eerste weken levend doorkomen. In dit artikel hebben we het over de voorbereiding van de aflamperiode.

Hoe ooien voorbereiden op de geboorte?

Om de ooien aan het einde van hun dracht voor te bereiden op de geboorte zijn verschillende aspecten belangrijk. Eerst en vooral is het essentieel om de conditie van de ooien op te volgen en om de voeding waar nodig aan te passen. Verder is het ook noodzakelijk om tijdig te vaccineren en om de achterhand, uien en buik bij te scheren. Daarnaast moeten de kraamstal en de geboortekoffer klaargemaakt worden en moet er biest in voorraad zijn.

Voederbehoefte in functie van het drachtstadium

De voederbehoefte van een ooi in dit seizoen hangt af van haar gewicht, van het drachtstadium, van de te verwachten worpgrootte en ook van de leeftijd (= eventuele jeugdtoeslag voor groei). Er zijn verscheidene basisprincipes voor een goed voederschema bij dracht:

- De ooi moet in goede conditie de dektijd ingaan.

- Een voldoende hoog voedingsniveau wordt het best aangehouden de maand na dekking, om zo embryonale sterfte te voorkomen.

- In de tweede en derde maand van de dracht mag het voer kwalitatief wat minder zijn, zodat vervetting tegengegaan wordt. Bij te vette ooien stijgt immers het risico op drachtigheidsvergiftiging.

- Vanaf de vierde en zeker de vijfde maand stijgt de voederbehoefte systematisch en des te meer naarmate de te verwachten worp groter is.

Tabel 1 geeft weer hoe groot de drogestof(DS)-opname is en hoeveel energie (VEM) en eiwit (DVE) een ooi nodig heeft in functie van levend gewicht en drachtfase bij tweelingdracht. De voederbehoefte tijdens de dracht moet de behoefte voor onderhoud van de ooi dekken en tevens de groei van de lammeren mogelijk maken. De drogestofopname voor onderhoud zal naargelang het gewicht variëren tussen 1 en 2 kg per dag. Drogestofopname is gewicht- en dierafhankelijk, maar stijgt naarmate de dracht vordert. De vermelde waarden voor VEM en DVE (in g) zijn per dag uitgedrukt. In de weide moet de VEM-behoefte voor onderhoud met 15% worden verhoogd.

07-moutons-01-web

Voor ooien, drachtig van één lam, liggen in de laatste 2 maanden de normen ca. 150 VEM en 35 g DVE lager dan die voor ooien drachtig van 2 lammeren. Voor ooien drachtig van een drieling is er ca. 100 VEM en 15 g DVE méér nodig dan voor een tweelingdracht. Concreet zijn de voedernormen in de laatste 2 maanden van de dracht voor een ooi van 80 kg die een eenling of een drieling verwacht respectievelijk 1.100 en 1.350 VEM en 82 en 132 g DVE.

Groeitoeslag voor drachtige ooilammeren

Bedrijven die ooilammeren laten dekken doen dit pas als de ooilammeren minstens 45 kg wegen. Ooien, die op eenjarige leeftijd werpen, moeten voor de groei naar het volwassen gewicht toe in de eerste 2,5 maand van de dracht een toeslag (=wat meer VEM en DVE) krijgen ten opzichte van tweejarige ooien. De laatste 2 maanden van de dracht hebben jonge ooien, die dan ca. 60 kg wegen, alleen een toeslag voor dracht nodig. De aan te houden normen staan in tabel 2.

07-moutons-02-web

Alle voedernormen voor ooien en lammeren en ook de voederwaarde van de voeders kan men snel vinden via de website van het Vlaamse Agentschap voor Landbouw en Zeevisserij. Daar ga je dan naar publicaties en dan klik je schapen aan en daar vind je de brochure Schapenhouderij vakkundig 2. Richtinggevend voor rantsoensamenstelling kunnen we hier bijvoorbeeld zeggen dat 1 kg voordroog 45% DS bevat en 405 VEM en 30 DVE. Voor 1 kg gerst is dit 87% DS , 975 VEM en 89 DVE. We gaan uit van maximale ruwvoederinzet, en vullen zo nodig aan met krachtvoeder om de behoeften te dekken.

Al of niet krachtvoeder bijvoederen?

Als we de behoeften van de dieren koppelen aan de inhoud van de voeders, dan komen we tot een aantal vaststellingen. We zien dat in de eerste helft van de dracht (tot maand 4) voor alle ooien gras en voordroog of hooi van behoorlijke kwaliteit voldoen aan hun energie- en eiwitbehoeften. Bijvoederen met krachtvoeder hoeft dus niet. Het is ook duidelijk dat voor ooien die drachtig zijn van 1 lam in de tweede helft van de dracht gras en voordroog of hooi van behoorlijke kwaliteit voldoen aan hun energie- en eiwitbehoeften. Bijvoederen met krachtvoeder hoeft dus niet. Krachtvoedergift kan hier leiden tot te zware lammeren, met navenant meer geboorteproblemen.

Voldoende voederbakbreedte voor hoogdrachtige ooien voorkomt doodgeboren lammeren.
Voldoende voederbakbreedte voor hoogdrachtige ooien voorkomt doodgeboren lammeren. - Foto: AC

Voor een tweelingdracht is degelijke wintervoeding in de tweede helft van de dracht duidelijk quasi voldoende, alleen de eiwitvoorziening loopt op het randje. Bij iets minder kwalitatief ruwvoeder kan een kleine krachtvoedergifte aangewezen zijn. Bij een drielingdracht zien we dat er in de laatste maanden bij voeding van hooi of voordroog een tekort is aan energie en zeker aan eiwit. Daar is het dus zeker aangewezen om tijdens de laatste maand van de dracht per dag een beperkte hoeveelheid eiwitrijk krachtvoeder (200 à 300 g) te verstrekken. We kunnen dus besluiten dat bij een meerlingdracht vanaf 6 weken voor het werpen en zeker in de vijfde maand van de dracht een beperkte krachtvoedergift aan de ooien geen overbodige luxe is.

Hoe kennen we de te verwachten worpgrootte ?

Men kan door de ooien te laten scannen vooraf met tamelijke zekerheid het aantal te verwachten lammeren kennen en zo (voor de grotere bedrijven) de ooien in voedergroepen indelen. Ooien die een drie- of vierling verwachten, kunnen dan dagelijks wat meer krachtvoeder toegediend krijgen in de laatste 6 weken van de dracht, om niet te snel te vermageren.

Wordt er niet gescand, dan kan men vanaf 6 à 4 weken vóór het werpen de conditie van de ooi opvolgen. Dit doet men door met de vingers de rug van de ooi te betasten. Ooien met een ‘ronde’ rug, waar je de uitsteeksels van de ruggenwervels nauwelijks voelt, hoeven geen bijvoedering met krachtvoeder te krijgen. Bij ooien die vermageren voel je bij het betasten de beenderige uitsteeksels van de ruggenwervels goed en is het aangewezen om in de laatste weken van de dracht per dag 200 à 400 g krachtvoeder bij te geven. Bij het begin van het bijvoederen met krachtvoeder is het belangrijk om altijd geleidelijk aan te werken, want plots te veel krachtvoeder toedienen aan een dier dat dit niet gewoon is, kan fataal zijn!

Ooien die in de loop van de dracht royaal gevoederd zijn en (te) vet zijn, kunnen bij te beperkte voeding in de laatste fase van de dracht acetonaemie (drachtigheidsvergiftiging) ontwikkelen. Door snelle vetafbraak ontstaat er een soort zelfvergiftiging. De ooien worden traag, eten minder en men kan het ‘aceton’ ruiken in de adem van deze ooien. In een vroeg stadium kan men door wat krachtiger te voederen proberen om dit recht te trekken. Als dat niet lukt, moet de dierenarts erbij gehaald worden. Deze kan onder andere extra energie toedienen. In een te ver gevorderd stadium zijn de ooi en haar lammeren meestal verloren. Is de geboorte nakend, dan kan de ooi na het werpen herstellen.

Vaccineren of niet ?

Of de ooien al of niet 3 à 4 weken vóór het werpen gevaccineerd dienen te worden tegen ‘Het Bloed’ of enterotoxaemie bij de lammeren is en blijft een discussiepunt tussen schapenhouders. Vaccinaties die minder frequent toegepast worden, maar ook tot de mogelijkheden behoren, zijn deze tegen zere bekjes (ectima) of tegen pasteurellose.

Enterotoxaemie komt voor bij jonge, snel groeiende lammeren die goed gevoederd worden. Door overvloedige bacteriële ontwikkeling in het spijsverteringsstelsel ontstaat ook hier een soort zelfvergiftiging. De lammeren vertonen zenuwsymptomen en sterven snel. Er bestaat geen contramedicatie. Enkel het vaccineren van de moeders beschermt de jonge lammeren via de antistoffen in de biest, gedurende de eerste levensweken. Nadien kunnen de lammeren zelf gevaccineerd worden door uw dierenarts.

Al of niet vaccineren is een afweging van kosten en risico’s. Op basis van eerdere ongunstige ervaringen kiezen we persoonlijk al vele jaren voor vaccineren om enterotoxaemie te voorkomen.

Relatief nieuw is dat er momenteel ook een vaccin beschikbaar is tegen uierontsteking, veroorzaakt door Staphylococcus aureus. Er zijn 2 vaccinaties met Vimco nodig, 5 en 2 weken vòòr het werpen. Je kan het best hiervoor je dierenarts raadplegen.

Scheren of wat bijscheren?

Bij bedrijven die bij het opstallen aan ‘winterscheer’ doen, zijn de ooien, die werpen, proper aan de achterhand en zijn de uiers goed bereikbaar. Winterscheren heeft als bijkomend voordeel dat de ooien minder voederbakbreedte nodig hebben en dat de voederopname toeneemt, zodat er zwaardere lammeren geboren worden. Na het scheren in de winter moeten de dieren uiteraard binnen blijven.

Omdat hygiëne bij de geboorte zeer belangrijk is om geen baarmoederinfecties te krijgen na geboortehulp, is het wenselijk om bij de niet geschoren ooien de wol en het vuil rondom de vulva vooraf te verwijderen. Tegelijk kan men ook beter het opzwellen van de schaamlippen kort voor het aflammeren opvolgen en zo kan men, mits ervaring, het geboortetijdstip vrij nauwkeurig inschatten, zeker als men tegelijk de uierontwikkeling meegaand kan volgen.

Omdat op de buik en rond de uier dikwijls nogal wat tot veel wol – afhankelijk van het ras, maar zeker voor bij jonge ooien – ontwikkeld is, bestaat de kans dat de pasgeboren lammeren de tepels niet vinden. Het kan ook voorkomen dat het lam, omwille van vuile wol, de eerste melk niet op een hygiënische manier binnenkrijgt. Daarom is het vrijmaken van de buik van de ooi en het wegscheren van de wol rond de uier wenselijk. Het is bij het scheren wel oppassen geblazen voor kwetsuren aan uier en/of tepels! Bijscheren doet men het best in de week voor het verwachte aflammeren.

De kraamstal

Ooien die moeten werpen, blijven tot bij de geboorte in groep om stress te vermijden. Eenmaal ze geworpen hebben, worden ze samen met hun lam(meren ) in een klein hokje (1,5 m x 2 m) geplaatst, zodat de ooi-lambinding kan ontstaan. Hier blijven de ooien minstens één dag (voor eenlingen), voor meerlingen blijven de ooien het liefst 2 à 3 dagen.

Sommige bedrijven werken met vaste geboortehokjes, anderen gebruiken mobiele systemen die vlot plaatsbaar en wegneembaar zijn. Belangrijk is dat, eenmaal het geboorteseizoen eraan komt, de hokjes klaar staan, en dat er voor elke geboorte proper en opnieuw goed ingestrooid wordt. Belangrijk is ook dat de ooi er zonder veel morsen ruwvoeder en krachtvoeder kan krijgen en opnemen. Ook vers proper water is essentieel, maar in de eerste levensuren moet er aandacht voor zijn dat de jonge lammeren niet kunnen verdrinken in de wateremmer. Bij koud weer is het beschikbaar hebben van verwarmingslampen om kleine lammeren tijdens de eerste levensuren op temperatuur te houden zeer wenselijk. Ook hier is het aangewezen om aandacht te besteden aan een degelijke bevestiging, om brandgevaar te vermijden.

De geboortekoffer

We moeten niet alleen de ooien voorbereiden op de geboorte, maar ook ervoor zorgen dat we zelf alles bij de hand hebben. Om, zo nodig, geboortehulp te bieden, staat een propere emmer klaar en is er niet irriterend ontsmettingsmiddel (zoals bijvoorbeeld Neo-sabenyl, Dettol Medical, Vetac of Hibitane) in voorraad. Daarna kan je dan een ontsmettende oplossing maken om bij een geboorte de vulva van de ooi uitwendig te ontsmetten en om ook de handen en armen te ontsmetten. Het best wordt deze verlosemmer uitsluitend bestemd voor verloskundige hulp en wordt deze niet gebruikt voor andere onhygiënische karweien. In onze geboortekoffer is er een fles glijmiddel aanwezig (geen zeep gebruiken voor verlossingen!) en ook joodtinctuur voor de navelontsmetting en een flesje spray om bij de lammeren de ademhaling te stimuleren. Voor de meer ervaren geboortebegeleiders behoren verloskoordjes ook tot de basisuitzet.

Biest in voorraad

Een lam zal op termijn niet overleven als het de eerste dag na de geboorte te weinig of geen biest opgenomen heeft. Elk lam zou binnen de eerste 24 uur na de geboorte zo’n 400 cc biest moeten binnen krijgen. Vóór het aflamseizoen begint, is het dan ook aangewezen om een biestreserve aan te leggen om zwakke lammeren in de eerste levensuren hun eerste biest te kunnen toedienen. Ook voor ooien met grote worpen of met uiergebreken is het geven van ‘andere’ biest soms noodzakelijk.

Welk vorm kan zo’n andere biest aannemen ? Er kan biest ingevroren worden van andere ooien , die ‘te veel’ biest hebben voor hun eigen lam(meren), of van ooien met een doodgeboren lam. Men kan ook afspraken maken met een melkveebedrijf om biest van pas gekalfde koeien in te vriezen. Er bestaat echter ook kunstbiest, die in poedervorm bewaard kan worden en die vóór gebruik in oplossing gebracht moet worden.

Biest in voorraad is bij de start van een aflamseizoen een must !

Slot

Om zo weinig mogelijk moeilijkheden te hebben in de laatste weken vóór het aflammeren, is geregelde observatie van en conditiebeoordeling bij de hoogdrachtige ooien zeer wenselijk om drachtigheidsvergiftiging te voorkomen.

Vóór het geboorteseizoen moeten zowel de aflamstal als de hulpmiddelen voor elke geboorte klaargezet worden, zodat vanaf de eerste geboorte op een rustige en verzorgde manier kan gewerkt worden. Stress heeft op zo’n moment, zowel bij dier als mens, alleen maar een negatieve impact en kan men dus het best vermijden.

André Calus

Lees ook in Schapen

Mooie Belgische finale van de Ovinpiades 2023

Agribex Wat in 2019 begon met een voorzichtige toenadering vanuit de Waalse schapensector naar Vlaanderen, groeide uit tot een volwaardige wedstrijd voor jonge schapenherders met een Belgische finale op Agribex in Brussel.
Meer artikelen bekijken