Startpagina Granen

Insecten, duiven en bemesting opvolgen

Medewerkers van het Praktijkpunt Landbouw Vlaams-Brabant zijn opnieuw begonnen met koolzaadpercelen op te volgen en geven hierbij hun eerste adviezen mee. Het LCG volgde dan weer de bladluisdruk in granen op.

Leestijd : 4 min

Begin maart plaatste Praktijkpunt Landbouw gele vangkommen in 6 koolzaadpercelen in de provincie Vlaams-Brabant. In de kommen troffen ze al snuit- en glanskevers aan. Op de planten zat er gemiddeld minder dan 1 per plant. Behandelen is dus nog niet nodig. Vanaf nu volgen er wekelijks waarnemingen, waarbij er ook tellingen gebeuren op de planten.

Glanskever en snuitkever

De 2 belagers die we in het voorjaar monitoren in koolzaad, zijn de glanskever en de snuitkever. In Vlaanderen gebeurt er op de meeste percelen één insecticidebehandeling in het voorjaar, en is het voornamelijk de aanwezigheid van glanskevers die daartoe aanzet. Door waarnemingen toetsen we de noodzaak van die behandeling af aan de schadedrempel, en helpen we het juiste tijdstip te kiezen.

Snuitkevers troffen we de voorbije seizoenen relatief weinig aan tijdens onze waarnemingsrondes, en geven in de praktijk niet vaak aanleiding tot bestrijding.

Vanaf het stadium ‘knopvorming’ kan de glanskever schade veroorzaken in koolzaad. Bij een bodemtemperatuur van 10 °C verlaat de koolzaadglanskever zijn winterstek. De eerste vluchten naar koolzaadpercelen verwachten we bij een luchttemperatuur van 15 °C. De kever leeft van stuifmeel.

Voor de bloei bijt hij door de kelk- en bloembladeren, en vernielt daarbij een deel van de knoppen. Waarom we pas ingrijpen bij aanwezigheid van meerdere glanskevers per plant, toonden Franse onderzoekers (Terres Innovia) treffend aan. Vraatschade reduceert de opbrengst van de hoofdbloeiwijze, maar zorgt net voor meer hauwen gevormd uit bloemen op de zijtakken. Het risico op schade door glanskevers is geweken van zodra het gewas in bloei staat.

Duivenvraat

Op de percelen die deze winter veel last hebben gehad van de hoge waterstand en de planten verzwakt zijn, zien we nu veel duivenschade. Vooral op percelen met een lage plantdichtheid is duivenvraat problematisch.

Dankzij het grote herstelvermogen van koolzaad kunnen 15 planten per vierkante meter ook nog een normale opbrengst genereren. De ondergrens om een perceel met een slechte gewasstand te handhaven, zijn 5 goed ontwikkelde planten per vierkante meter.

Bemesting

De akkers liggen er momenteel ook nog nat bij, dus vergt het inplannen van de bemesting enig geduld. Toch is het bij koolzaad belangrijk dat de eerste stikstof tijdig wordt toegediend. Als de huidige weersverbetering zich doorzet, dan ligt daar al een eerste kans voor de bemesting van goed berijdbare koolzaadpercelen.

Bij de eerste fractie kan je kiezen tussen vaste of vloeibare meststoffen. Kom je relatief laat met de eerste fractie, verkies dan vaste meststoffen die sneller opneembaar zijn, dankzij het grotere aandeel nitraatstikstof. Met een samengestelde korrelmeststof kan je bovendien meer zwavel aanbrengen in één werkgang, en vermijd je een gewasreactie in geval van schrale weersomstandigheden na toepassing.

Tellingen

Er zijn kevers aanwezig in alle vangbakken, maar de druk op de planten is nog laag. Er werd op geen enkel perceel meer dan 1 kever per plant gevonden. Een behandeling is nu nog niet nodig, maar hou de komende weken zeker de percelen in het oog.

Een behandeling met een insecticide is tijdens de knopvorming pas aangewezen bij gemiddeld 3 tot 4 kevers per plant. Koolzaad maakt immers meer bloemknoppen aan dan er uitgroeien tot hauwen, en kan vraatschade aan de hoofdknop compenseren. Een te grote plaagdruk zorgt daarentegen wel voor opbrengstderving en een vertraagde bloei.

Uitzonderlijk dient er al ingegrepen te worden bij een bezetting van 1 glanskever per plant. Dat doen we wanneer het koolzaad het lastig heeft omwille van lage plantenaantallen, weinig biomassa, vraatschade door andere belagers (duiven, snuitkevers), groeistilstand door de weersomstandigheden, enzovoort.

Bladluizen in wintergraan

Op 5 en 6 maart werd op een beperkt aantal percelen een eerste indruk bekomen omtrent de bladluisdruk op het einde van de winter. De waarnemingen in het waarnemingsnetwerk van het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG) gebeurden deze week op 16 percelen, 11 percelen wintergerst en 5 percelen wintertarwe.

De gerstpercelen die geëvalueerd werden, zijn meestal aan het uitstoelen. De verst geëvolueerde percelen bereikten reeds stadium ‘eerste knoop’. Het gemiddelde percentage planten bezet met minstens één bladluis kwam bij de eerste waarneming uit op 1,1%. Er werd een variatie waargenomen van percelen waar geen luizen konden worden waargenomen tot een perceel met 6,3% van de planten bezet met minstens één bladluis. Op 5 van de 10 onbehandelde percelen wintergerst werden geen luizen gevonden.

Ook op de tarwepercelen werden weinig bladluizen waargenomen. Het betreft weliswaar slechts 4 percelen, maar op 3 van de 4 percelen werden geen luizen gevonden. Op het perceel waar wel luizen konden waargenomen, was 0,8 % van de planten bezet met minstens één bladluis.

Op het einde van de winter wordt een bladluisbehandeling aanbevolen vanaf het ogenblik dat er levende bladluizen aanwezig zijn, ongeacht hun aantal. Een algemeen advies tot behandelen is dus momenteel niet nodig, maar in bepaalde regio's kan het wel relevant zijn. Controleer hiervoor de percelen. In de tolerante variëteiten moet niet behandeld worden.

Praktijkpunt Landbouw Vlaams-Brabant en LCG

Lees ook in Granen

Meer artikelen bekijken