Tips inzake voeding en kraamstal en mogelijke problemen voor de geboorte
Op sommige bedrijven zijn de eerste lammeren al geboren, maar voor de meeste bedrijven vinden de geboorten plaats tussen half februari en april. De geboorteperiode is de meest delicate, maar ook de belangrijkste periode voor een schapenbedrijf. Het aantal lammeren is bepalend voor de rentabiliteit, maar het moeten wel levende en finaal verkoopbare lammeren zijn. In dit artikel hebben we het over de voorbereiding van de aflamperiode.


Om de geboorteperiode goed voor te bereiden en om geen onaangename verrassingen te hebben, is het belangrijk dat we de dekdatum van onze ooien kennen. De ooien werpen gemiddeld rond dag 145 van de dracht, maar vanaf dag 137 kunnen er al geboorten zijn. Vooraf, in de tweede helft van de dracht, en zeker in de laatste weken ervan, moet de voeding worden aangepast aan de te verwachten worpgrootte. In die zin is het indelen van de ooien in groepen op basis van de te verwachten worpgrootte op grote bedrijven zeker te verantwoorden.
Daarnaast moeten, in functie van de werpdatum, ook (desgewenst) vaccinaties worden ingepland. De ooien worden ofwel geschoren of bijgeschoren. De kraamstal wordt in orde gebracht, idem voor de geboortekoffer en er zit voldoende biest in de diepvries. En ook al doen we nog zo ons best, toch kunnen er zich in de periode voor de geboorte nog problemen voordoen. Op al deze aspecten gaan we nu wat dieper in.
Hoe kennen we de te verwachten worpgrootte ?
Je kan door de ooien te laten scannen vooraf met tamelijke zekerheid het aantal te verwachten lammeren kennen. Zo kan je (voor de grote bedrijven) de ooien in voedergroepen indelen. Ooien die een meerling verwachten, kunnen dan dagelijks wat krachtvoeder toegediend krijgen in de laatste 6 weken van de dracht om niet te snel te vermageren.
Wordt er niet gescand, dan kan je vanaf 6 à 4 weken vóór het werpen de conditie van de ooi opvolgen. Dit doe je door met de vingers de rug van de ooi te betasten. Ooien met een ‘ronde’ rug, waar we de uitsteeksels van de ruggenwervels nauwelijks voelen, hoeven geen bijvoedering met krachtvoeder. Het meest gerelateerd aan een te verwachten meerlingworp is dat ooien vermageren. Daarbij voel je bij het betasten de beenderige uitsteeksels van de ruggenwervels goed. Dan kan je het best in de laatste weken van de dracht per dag 200 à 400 g krachtvoeder bijgeven. Je moet echter bij de start van het bijvoederen met krachtvoeder altijd geleidelijk aan beginnen, want plots te veel krachtvoeder toedienen aan een dier dat dit niet gewoon is, kan fataal zijn.
Voederbehoefte in functie van het drachtstadium en de worpgrootte
De voederbehoefte van een drachtige ooi hangt af van haar gewicht, van het drachtstadium, van de te verwachten worpgrootte en ook van de leeftijd (eventuele jeugdtoeslag voor groei).
Basisprincipes voor een goed voederschema bij dracht zijn:
• De ooi moet in goede conditie de dektijd ingaan.
• Een voldoende hoog voedingsniveau wordt het best aangehouden de maand na dekking, om zo embryonale sterfte te voorkomen.
• In maand 2 en 3 van de dracht mag het kwalitatief wat minder zijn, zodat vervetting wordt tegengegaan. Bij te vette ooien stijgt later immers het risico op drachtigheidsvergiftiging.
• Vanaf maand 4 en zeker in maand 5 stijgt de voederbehoefte systematisch en des te meer naarmate de te verwachten worp groter is.
De voederbehoefte tijdens de dracht moet de behoefte voor onderhoud van de ooi dekken en tevens de groei van de lammeren mogelijk maken. Er zijn tabellen beschikbaar die de voedernormen concreet weergeven in functie van drachtstadium en de te verwachten worpgrootte. Daarin staat hoeveel droge stof een dier opneemt, hoeveel energie (uitgedrukt in VEM), en hoeveel eiwit (uitgedrukt in DVE), het nodig heeft. De drogestofopname (DS) is gewicht- en dierafhankelijk, maar stijgt naarmate de dracht vordert. Het rantsoen moet naar hoeveelheid en inhoud worden aangepast aan de dierbehoeften. Voor de diverse ruw- en krachtvoeders zijn waarden beschikbaar van de inhoud aan droge stof, aan VEM en DVE. Zo kan met wat puzzelwerk een rantsoen worden samengesteld dat in elke fase van de dracht aan de behoeften voldoet. In detail kunnen we daar hier niet op ingaan, maar alle voedernormen voor ooien en lammeren en ook de voederwaarde van de voeders kan je snel vinden op de website van het Vlaams Agentschap voor Landbouw & Zeevisserij: http://lv.vlaanderen.be/nl/voorlichting-info. Daar klik je op ‘Publicaties’ en dan typ je ‘schapen’ in en vink je ‘brochure’ aan. Daar vind je de brochure Schapenhouderij vakkundig 2.
Belangrijke voedernormen
Enkele belangrijke elementen qua voedernormen zijn dat in de weide de VEM-behoefte voor onderhoud met 15% verhoogd moet worden. Voor ooien die drachtig zijn van één lam, liggen in de laatste 2 maanden de normen circa 150 VEM en 35 g DVE lager dan die voor ooien die drachtig zijn van 2 lammeren. Voor ooien drachtig van een drieling is er circa 100 VEM en 15 g DVE méér nodig dan voor een tweelingdracht. Je zorgt ook het best voor een groeitoeslag voor drachtige ooilammeren. Ooien, die op eenjarige leeftijd werpen, moeten voor de groei naar het volwassen gewicht toe in de eerste 2,5 maand van de dracht een toeslag (= wat meer VEM en DVE) krijgen ten opzichte van tweejarige ooien. De laatste 2 maanden van de dracht hebben jonge ooien, die dan ongeveer 60 kg wegen, alleen een toeslag voor dracht nodig.
Krachtvoeder bijvoederen of niet?
Als we de behoeften van de dieren aan de inhoud van de voeders koppelen, dan zien we dat:
• In de eerste helft van de dracht (tot maand 4) voor alle ooien gras en voordroog of hooi van behoorlijke kwaliteit voldoet aan energie- en eiwitbehoeften. Bijvoederen met krachtvoeder hoeft dus niet.
• Voor ooien die drachtig zijn van 1 lam voldoet in de tweede helft van de dracht gras en voordroog of hooi van behoorlijke kwaliteit aan energie- en eiwitbehoeften. Bijvoederen met krachtvoeder hoeft dus niet. Een krachtvoedergift kan hier leiden tot te zware lammeren, met navenant meer geboorteproblemen.
• Voor een tweelingdracht is degelijke wintervoeding in de tweede helft van de dracht quasi voldoende, alleen de eiwitvoorziening loopt op het randje. Bij iets mindere kwaliteit van het ruwvoeder kan dagelijks een kleine krachtvoedergifte aangewezen zijn.
• Bij drielingdracht is er de laatste maanden bij voeding van hooi of voordroog een tekort aan energie en zeker aan eiwit. Daar is het dus zeker aangewezen om de laatste maand van de dracht een beperkte hoeveelheid eiwitrijk krachtvoeder (200 à 300 g) per dag te verstrekken.
Vaccinatie
Enterotoxaemie of ‘het bloed’ komt voor bij jonge snel groeiende lammeren, die goed gevoederd worden. Door overvloedige bacteriële ontwikkeling in het spijsverteringsstelsel ontstaat een soort zelfvergiftiging. De lammeren vertonen zenuwsymptomen en sterven snel. Er bestaat geen contramedicatie. Alleen het vaccineren van de moeders (3 weken vóór het lammeren) beschermt de jonge lammeren via de antistoffen in de biest, gedurende de eerste levensweken. Nadien kunnen de lammeren zelf worden gevaccineerd door je dierenarts.
Al of niet vaccineren is een afweging van kosten en risico’s. Op basis van eerdere ongunstige ervaringen, kiezen we persoonlijk al vele jaren voor vaccinatie om enterotoxaemie te voorkomen.
Er is momenteel ook een vaccin beschikbaar tegen uierontsteking veroorzaakt door Staphylococcus aureus (blauwuier). Blauwuier is een zeer ernstige en pijnlijke aandoening, die dodelijk kan zijn. Er zijn 2 vaccinaties met Vimco nodig 5 en 2 weken voor het werpen. Daarvoor kan je het best je dierenarts raadplegen.
Scheren of wat bijscheren ?
Bij bedrijven die bij het opstallen aan ‘winterscheer’ doen, zijn de ooien proper aan de achterhand en zijn de uiers goed bereikbaar.
Om geen baarmoederinfecties te krijgen na geboortehulp, is het wenselijk om bij de niet geschoren ooien de wol en het vuil rondom de vulva vooraf te verwijderen. Tegelijk kan je ook beter het opzwellen van de schaamlippen kort voor het aflammeren opvolgen. Zo kan je, mits ervaring, het geboortetijdstip vrij nauwkeurig inschatten, zeker als je tegelijk de uierontwikkeling meegaand kan volgen.
Omdat op de buik en rond de uier dikwijls nogal wat tot veel wol ontwikkeld is (dit is rasafhankelijk, maar komt zeker voor bij jonge ooien), bestaat de kans dat de pasgeboren lammeren de tepels niet vinden, of dat omwille van vuile wol het lam niet op een hygiënische manier de eerste melk binnenkrijgt. Daarom is het vrijmaken van de buik van de ooi en het wegscheren van de wol rond de uier wenselijk. Maar opgepast bij het scheren voor kwetsuren aan de uier en/of tepels!
De kraamstal
Ooien die moeten werpen, blijven tot bij de geboorte in groep om stress te vermijden.
Eenmaal ze geworpen hebben, worden ze samen met hun lam(meren) in een klein hokje (1.5 m x 2 m) geplaatst, zodat de ooi-lambinding kan ontstaan. Hier blijven de ooien minstens 1 dag (voor eenlingen), voor meerlingen het liefst 2 tot 3 dagen.

Sommige bedrijven werken met vaste geboortehokjes, andere gebruiken mobiele systemen, die vlot plaatsbaar en wegneembaar zijn. Belangrijk is dat, eenmaal het geboorteseizoen eraan komt, de hokjes klaarstaan, en dat ze voor elke geboorte proper zijn en opnieuw goed ingestrooid worden. Belangrijk is ook dat de ooi er zonder veel morsen ruwvoeder en krachtvoeder kan krijgen en opnemen en dat ze vers en proper water ter beschikking heeft. Bij koud weer is het zeer wenselijk om over verwarmingslampen te beschikken. Daarbij moet je dan wel aandacht hebben voor een degelijke bevestiging, om brandgevaar te vermijden.
Geboortehulpaccessoires
Bij elke geboorte moeten er 2 zaken klaarstaan. Eerst en vooral moet er een proper gewassen emmer met lauw water klaarstaan en niet-bijtend ontsmettingsmiddel, zoals bijvoorbeeld Dettol Medical, Neosabenyl, of Hibitane. Zo kan je de vulva en de handen en armen tijdens de geboortehulp ontsmetten. Daarnaast heb je in een proper bakje of emmer steeds het beste glijmiddel, jodiumtinctuur, een ademhalingsstimulerende spray en propere verloskoordjes bij de hand. Bij een geboorte wordt nooit zeep als glijmiddel gebruikt, omdat dit de geboortewegen ontvet in plaats van ze meer glijdend te maken.
Biest in voorraad
Een lam zal op termijn niet overleven als het de eerste dag na de geboorte te weinig of geen biest heeft opgenomen. Elk lam zou binnen de eerste 24 uur na de geboorte zo’n 400 cc biest moeten binnenkrijgen. Vóór het aflamseizoen begint, is het dan ook aangewezen om een biestreserve aan te leggen om zwakke lammeren in de eerste levensuren hun eerste biest te kunnen toedienen.

Ook voor ooien met grote worpen of met uiergebreken is het geven van ‘andere’ biest soms noodzakelijk. Welke vorm kan zo’n andere biest aannemen? Er kan biest worden ingevroren van andere ooien of je kan afspraken maken met een melkveebedrijf om biest van pas gekalfde koeien in te vriezen. Er bestaat ook kunstbiest, die onder poedervorm bewaard kan worden en die vóór gebruik in oplossing gebracht moet worden.
Problemen kort voor de geboorte
Ook al probeer je maximaal je best te doen, toch kunnen er nog altijd problemen rijzen, zoals drachtigheidsvergiftiging, verwerpen of prolaps.
Drachtigheidsvergiftiging Ooien die in de loop van de dracht royaal gevoederd zijn en (te) vet zijn, kunnen bij te beperkte voeding in de laatste fase van de dracht acetonaemie (drachtigheidsvergiftiging) ontwikkelen. Door snelle vetafbraak ontstaat er een soort zelfvergiftiging. De ooien worden traag, eten minder en je kan het ‘aceton’ ruiken in de adem van deze ooien. In een vroeg stadium kan je door wat krachtiger te voederen proberen om dit recht te trekken. Zo niet, dan dien je de dierenarts erbij te halen. Die kan onder andere extra energie toedienen. In een te ver gevorderd stadium zijn de ooi en de lammeren meestal verloren. Is de geboorte nakend, dan kan de ooi na het werpen herstellen.
Abortus Als er een abortus voorkomt, is elke schapenhouder verplicht om de geaborteerde vruchten te laten onderzoeken bij DGZ. Dit kan onder toepassing van het abortusprotocol. Raadpleeg hiervoor je dierenarts.
Prolaps Een prolaps of ‘lijfbieden’ komt soms voor bij hoogdrachtige ooien. De schapenhouder ziet een vuurrode bal uit de schede komen. Dit is het uitpuilende slijmvlies uit de verslapte schedewand
Een goede voorbereiding is het begin van een succesvolle aflamperiode.





