ILVO-onderzoek naar stalsensoren moet stikstofstuur teruggeven aan veehouders
In de stikstofkwestie leggen wetenschappers van ILVO op dit moment de grondslagen voor vergunningen op basis van doelsturing. Hun onderzoek moet bekijken of het ononderbroken jaarrond meten van de ammoniakuitstoot van een stal haalbaar (en betaalbaar) kan.

Stel je voor: een veehouder kan de ware stikstof-uitstoot van zijn stallen bijna in realtime volgen en bijsturen met kleine, goedkope ingrepen bij pieken, net zoals wij ons eigen energieverbruik online in de gaten houden en kunnen bijsturen.
Dat klinkt misschien nog als een ver-van-mijn-bed-show voor veel veehouders, maar het Vlaams Instituut voor Landbouw-, Voedings- en Visserijonderzoek (ILVO) doet momenteel naarstig onderzoek om het werkelijkheid te maken.
Doelsturing
Momenteel is het niet haalbaar om veehouders doorlopend de ammoniakuitstoot te laten meten in hun stallen, omdat de metingen onbetaalbaar zijn. “Stalvergunningen zijn daarom gebaseerd op wat in se een schatting is: het aantal dierplaatsen vermenigvuldigd met een emissiefactor”, legt Eva Brusselman uit. Zij is coördinator van het milieu-onderzoek rond veehouderij-emissies bij ILVO en heeft de leiding over de zoektocht naar betrouwbare en betaalbare meetapparatuur in de stal.
Op basis daarvan wordt de gemiddelde uitstoot van een stal geschat, maar onderzoek toont aan dat er nogal wat variatie op zit. “ILVO heeft eens 4 melkveestallen uitgemeten die in theorie dezelfde ammoniakuitstoot hebben. Wat blijkt? De uitstoot verschilde met een factor van 2 tussen die stallen”, zegt Brusselman.
De variatie hangt af van veel verschillende zaken, zoals verschillen in de bedrijfsvoering (mestmanagement, voederstrategie, het aantal schoonmaakbeurten) of de genetica van de dieren. Jammer genoeg wordt een boer die in werkelijkheid op die manier minder stikstof uitstoot er niet voor beloond. “Pas als het mogelijk wordt om op stalniveau te meten in praktijkomstandigheden, zou de overheid ook vergunningen kunnen verlenen waarbij een boer onder een bepaald emissieplafond voor die stal moet blijven.”
Dat principe voor vergunningverlening heet doelsturing of doelvoorschrift en zou een boer meer vrijheid teruggeven in de bedrijfsvoering. “Het zou een alternatief zijn voor het huidige systeem van een strikte toepassing van alle kleine regeltjes voor de ammoniakreducerende maatregelen op de AER-lijst, die momenteel de basis vormt voor de vergunningverlening”, aldus Brusselman. Ons huidige ammoniakreductiesysteem is enkel gebaseerd op middelsturing.
In doelsturing maakt het niet langer uit hoe strikt een veehouder een bepaalde AER-techniek toepast. Met zijn stalmetingen heeft hij een accuraat inzicht in zijn eigen uitstoot; hij of zij moet gewoon onder een bepaald uitstootniveau blijven. Hoe hij de uitstoot laag houdt, is zijn eigen keuze.
Een bijkomend voordeel: de discussie over de robuustheid van bepaalde AER-technieken kan hiermee gaan liggen. “Nu dreigen er altijd rechtszaken over hoe effectief die AER-technieken echt zijn, maar door voortdurend in de stallen te meten is er geen discussie meer”, aldus Brusselman.
Verkennend onderzoek
Voordat het zover komt, moet er eerst nog heel wat onderzoek gebeuren. Een aantal jaar geleden lanceerde ILVO een oproep naar Europese sensorbedrijven om goedkope ammoniaksensoren op te sturen voor de studie. “Uiteindelijk heeft ILVO 7 beloftevolle kandidaten weerhouden voor verder onderzoek.”
Eerst stelden de onderzoekers de sensoren bloot aan gekende concentraties gassen in het labo, om ze te onderwerpen aan een eerste stresstest. “Omdat we de samenstelling van de gassen kennen, konden we de accuraatheid en herhaalbaarheid van de sensoren controleren.”
De volgende horde was een eerste praktijktest: een week lang zijn alle sensoren getest in zowel een melkvee-, pluimvee als varkensstal. “Daarbij vergeleken we de metingen met een betrouwbaar, maar heel duur, referentietoestel.”
De meetresultaten volgden over het algemeen de trends die het referentietoestel liet zien, maar met een aantal aandachtspunten die allemaal te verhelpen waren. Een jaar geleden kon de eerste langetermijntest dan ook van start gaan.
Een jaar lang metingen
Daarbij verdeelden de ILVO-onderzoekers de sensoren in 2 groepen: een deel ging naar de varkensstal van ILVO, de rest naar de vleeskippenstal van het Proefbedrijf Pluimveehouderij. Daar verzamelden ze een heel jaar lang data in praktijkomstandigheden.
De meeste sensoren kregen het moeilijk na een tijd. “Door de barre omstandigheden in de stal (hoge ammoniakconcentraties, stof, vocht…) begonnen sommige sensoren verstoord te geraken. Je moet weten dat de sensoren oorspronkelijk ontworpen waren voor nettere en meer stabiele fabrieksomgevingen, niet om in een stal te hangen”, duidt Brusselman.
Ook deze problemen lijken niet onoplosbaar. “We zijn ervan overtuigd dat sensorfabrikanten gaan inzetten op versies van hun toestellen die een stal-omgeving langere tijd overleven, van zodra er een markt voor komt. Die ontwikkeling kan snel gaan. Dat zie je al in Nederland, waar de overheid nog meer inzet op vergunningen op basis van doelsturing.”
Betrouwbare sensoren bestaan
In Nederland staan ze inderdaad al verder. De eerste proefvergunningen die op zijn minst deels gebaseerd zijn op doelsturing worden mondjesmaat afgeleverd. De verschillende provinciebesturen sporen het onderzoek naar continu meten in de stal aan.
Zo meet een onderzoeksproject, met de toepasselijke naam ‘Continu Meten’, in de provincie Noord-Brabant al sinds december 2024 de ammoniakuitstoot van 33 stallen waar melkvee, varkens en pluimvee, maar ook geiten en vleeskalveren staan.
Het project loopt nog (de metingen gaan nog door tot november dit jaar), maar toch valt er al een conclusie uit de bus met belang voor het project van ILVO. “Er bestaan goede sensoren die ammoniak betrouwbaar meten”, stelt Wouter Moonen van de provincie Noord-Brabant gerust.
Arie De Niet van het adviesbureau Witteveen+Bos en projectleider van ‘Continu Meten’, nuanceert wel direct wat voor een mijlpaal die eerste doelvoorschriftvergunningen in Nederland zijn. “Het is nog maar de vraag of ze echt standhouden. Een rechter moet ze nog toetsen.” Een van de doelen van het Noord-Brabantse project is dan ook de ontwikkeling van een juridisch kader voor dit soort vergunningverlening.
Hartstikke duur
Herinner je nog het meettoestel waarmee de sensoren vergeleken werden tijdens de eerste praktijktest van ILVO? Die kost zo’n 120.000 euro! “Allemaal goed om onderzoek mee te doen, maar we kunnen niet van boeren verwachten dat ze zo’n toestel in hun stal plaatsen”, zegt Brusselman. Eerder denkt ILVO aan een (nog steeds stevig) prijskaartje van maximaal 30.000 euro. Naast betaalbaar moet zo’n sensor ook betrouwbaar en niet direct stuk zijn, nuanceert Brusselman
Ook in Nederland kost het onderzoek een stevige duit. “Het kost ons ongeveer 200.000 euro per stal om het een jaar lang te bemeten”, aldus Moonen. “Het is gewoon hartstikke duur.” De kostprijs beperkt zich dan ook niet tot de prijs van een sensor: het uitwerken van een meetplan, sensoren ophangen, het onderhoud ervan, controlemetingen… komen er ook nog bij kijken.
Gelukkig zit er nog rek op. “In een vervolgproject proberen we het opstellen van meetplannen voor een stuk te standaardiseren, wat de kost zal drukken”, zegt De Niet. “Maar elke stal is toch weer maatwerk. Echt plug and play zal emissies meten nooit worden.”
“Als we doelvoorschriften verplichten voor alle bedrijven, moet het betaalbaar zijn”, zegt Moonen. “30.000 euro is de maximumkost”, beaamt De Niet. “En zelfs dat is nog vrij veel voor een veehouder. Uiteindelijk leveren die metingen in se geen meerwaarde op, het is enkel nodig voor de vergunning.”
Open vs. gesloten stallen
Er is een goede reden waarom het ILVO ervoor koos om de eerste testen voor langere duur in pluimvee- en varkensstallen te houden. Dat zijn namelijk gesloten, mechanisch geventileerde stallen. Emissies zijn er met meer zekerheid te bepalen, omdat het aantal emissiepunten, de openingen waaruit de gassen ontsnappen, beperkt is.
De uitstoot van natuurlijk geventileerde stallen (denk aan runder- en geitenstallen) meten is moeilijker, omdat de gassen langs alle kanten wegvliegen. “Daarom maken we gebruik van de CO2-balansmethode om emissies te meten in deze stallen, een indirecte manier om het debiet vast te stellen”, legt De Niet uit. “Maar die methode gaat met meer onzekerheid gepaard, zeker bij zeer open stallen waar het concentratieverschil te klein wordt om nog het debiet te meten.”

Een tweesporenbeleid tekent zich dan ook af. “De verwachting is dat doelvoorschriftvergunningen voor mechanisch geventileerde stallen eerder mogelijk zullen zijn dan voor open stallen”, voorspelt Moonen.
Beweiding maakt de rekensom nog complexer, omdat er bepaald moet worden op welk moment de dieren in de stal staan. Daarvoor heb je een registratiesysteem nodig, zoals een halsband met sensor die registreert wanneer de koe in de wei of stal staat. “Momenteel kan beweiding formeel nog niet volgens het huidige meetprotocol in Nederland, maar er bestaan zeker manieren om er rekening mee te houden bij emissieberekeningen”, zegt De Niet.
Nog ‘maar’ een experiment
De ILVO-onderzoekers analyseren momenteel de resultaten van een jaar lang meten. Allerlei statistische testen worden losgelaten op de data, om bijvoorbeeld te achterhalen hoeveel keer per dag er gemeten moet worden om een goed idee te krijgen van de gemiddelde daguitstoot.
De volgende stap voor de sensoren is een eerste praktijktest bij echte boeren. “We gaan de sensoren testen in stallen van de 3 belangrijkste diercategorieën van Vlaanderen: pluimvee, varkens en melkvee”, zegt Brusselman. Ondanks de moeilijkheden met open stallen laat ILVO de melkveesector dus niet in de kou staan. “Het is een te belangrijke sector voor onze regio.”
Het experimenteel plan van deze proef wordt in het najaar opgesteld en ILVO hoopt dat de metingen begin 2027 van start kunnen gaan. Het plan zal belangrijke (basis)vragen moeten beantwoorden, zoals ‘Waar hang je de sensoren in de stal?’ en ‘Hoeveel zijn er juist nodig?’.
Verwacht dus zeker geen vergunningen op basis van doelsturing voor morgen. Dit hangt ook niet enkel af van de resultaten van het ILVO-onderzoek. Om het mogelijk te maken, moet de Vlaamse wetgeving aangepast worden. Als de Vlaamse overheid op korte termijn voor deze piste kiest, dan schat Brusselman in dat we rond 2030 doelvoorschriftvergunningen in de pluimvee- en varkenshouderij kunnen toepassen.
Ook in Nederland is het nog minstens 2 jaar wachten voordat een nieuw stalbeoordelingssysteem de ruimte laat voor doelvoorschriftvergunningen. “Op dat moment krijg je een soort van hybride systeem, vergunningen op de oude manier, met middelvoorschriften, en de nieuwe manier met gewaarborgde metingen”, aldus Moonen. “Maar dat heeft nog zijn ontwikkeltijd nodig. Op dit moment is het nog maar een experiment en geen gangbare praktijk in de vergunningverlening.”
De moeite waard
Toch zal doelsturing het wachten waard zijn, meent Brusselman. “Ons sensoronderzoek zal de vrijheid teruggeven aan boeren die hun eigen uitstoot in handen willen nemen. Het zal ook een grote stimulans zijn voor innovatie, omdat boeren zelf zullen experimenteren met manieren om hun uitstoot te verlagen.”
Ervaringen in het project ‘Continu Meten’ geven wel aan dat begeleiding bij de interpretatie van die hoop data handig blijft. “We hebben enkele agrarische adviseurs ingeschakeld die de veehouders in het project hielpen bij de analyse van hun data en die hun advies gaven over hoe emissies te reduceren. Met het ophangen van apparatuur ben je er nog niet”, nuanceert De Niet. “Ook emissies reduceren is maatwerk.”
Het enthousiasme onder de deelnemende boeren is toch groot. “De landbouwsector ziet doelsturing als de uitweg uit de stikstofcrisis, een manier om terug vergunningen te krijgen en om verder te boeren”, aldus De Niet.
“Doelsturing geeft een license to produce”, valt Moonen bij. “Zonder discussie kunnen landbouwbedrijven aantonen dat ze goed bezig zijn, dat ze wel degelijk hun uitstoot reduceren en dat ze maatschappelijk verantwoord ondernemen.”
Maar zelfs als er nooit aan doelsturing begonnen wordt, bewijzen goede ammoniaksensoren hun nut. “Je kan de metingen inzetten om de huidige AER-maatregelen te valideren”, zegt De Niet. “Zo kan je de menukaart van de AER-maatregelen uitbreiden met voer- en managementmaatregelen, die nu amper goedgekeurd geraken.”
Opstapje naar emissiebeleid
Of doelvoorschriftvergunningen uiteindelijk vloeien uit het onderzoek van ILVO is een politieke beslissing. ILVO voert het onderzoek in ieder geval uit in opdracht van het departement Omgeving, dat onder voogdij staat van minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns (cd&v).
Voor de minister is het ILVO-onderzoek naar betaalbare ammoniaksensoren voor stalmetingen een opstapje naar het tegen 2030 beloofde emissiebeleid. “Binnen de ambitie om naar een haalbaar emissiebeleid over te schakelen, is het van belang om ook de werkelijke emissies zo goed mogelijk in kaart te kunnen brengen”, schrijft zijn kabinet in een reactie. “Ook in het omgevingsbeleid geldt ‘meten is weten’, tot op vandaag worden heel veel emissies (en nadien ook deposities) via modellen ingeschat.”
Het kabinet van Brouns wijst, net als ILVO, op het feit dat betaalbare meetapparatuur eindelijk inzage kan geven in de ‘diverse emissieboekhouding’ die de diverse Vlaamse landbouwsector logischerwijze kent. “Een dubbeldoel ras, of Jersey-koeien, zullen naar alle waarschijnlijkheid niet zoveel emissies kennen als een hoogproductieve Holstein. De huidige modellen laten niet toe om die diversiteit te erkennen. Via betaalbare meetapparatuur wordt dat wel mogelijk.
Het maakt ook de erkenning van emissiereducerende maatregelen een stuk eenvoudiger, omdat realtimemetingen voor de nodige onderbouwing kunnen zorgen. Zo weet een landbouwer precies waar hij staat, en kunnen mogelijke reductiemaatregelen veel goedkoper, accurater en bedrijfsspecifiek getest én geborgd worden.” Het woord doelvoorschriftvergunningen neemt het kabinet evenwel (nog) niet in de mond.





