Sams hobby groeit uit tot een ware fokkerij
Sam Geysens is al 18 jaar verzot op alpaca’s. Zijn liefde voor deze knoddige dieren zorgde ervoor dat zijn hobby uiteindelijk zijn beroep werd. Deze dieren hebben voor hem dan ook geen geheimen meer.

We treffen Sam op een natte februaridag op de Salictum Alpacafarm in Bierbeek. Ondanks dat alpaca’s het jaarrond buiten kunnen staan, vertoeft zijn kudde tijdens de winter in de rundveestallen van de achterliggende boerderij van Sams familie. Dit is nodig om de nattere weides te sparen.
Omwille van hun ietwat grappig voorkomen worden de alpaca’s graag gezien door voorbijgangers. Hun leuke look is veelal ook de reden waarom heel wat particulieren graag een alpaca ‘in huis’ halen. Voor Sam Geysens zijn de alpaca’s echter de basis van zijn broodwinning.
Het begon in 2007 met een koppel...
“Toen ik op mijn 16de op de regionale tv een reportage zag over alpaca’s met veulens bij iemand in Meldert, was ik onmiddellijk verkocht”, herinnert Sam zich. “Ik ben er samen met mijn ouders – ik kon immers nog niet met de auto rijden – ter plaatse gaan kijken. En toen was ik nog meer overtuigd: ik wilde ook een alpaca.”
“Op mijn 16de zag ik alpaca’s en was ik meteen verkocht”
Sam kon zijn ouders overhalen om in Oost-Vlaanderen een koppel alpaca’s te kopen. We spreken over het jaar 2007. Voor Sam was dit toen weliswaar nog een hobby, maar het was tevens de start van zijn huidige bedrijf, de Salictum Alpacafarm.
Al snel kreeg dat eerste koppel, merrie Eva en hengst Adam, een veulen. “Adriano was mijn eerste veulen, dat moet ongeveer in 2009 geweest zijn.” Sam kocht al redelijk snel bijkomende merries en een dekhengst bij een professionele alpacaboerderij in Kaullile. Hij combineerde in de jaren nadien de alpaca’s met zijn hogere studies als dierenartsassistent en ingenieur. “Ik kon toen mijn uit de hand gelopen hobby enkel volhouden dankzij de steun van mijn ouders”, vertelt Sam eerlijk. Sams ouders, Michel Geysens en Hilde Steeno, zijn ook vandaag de dag nog steeds een grote hulp voor zijn bedrijf. Sam vertoeft immers regelmatig in het buitenland.
Alpacafokker en nog zoveel meer
Sinds 2018 is Sam voltijds zelfstandige. “Naast de alpacafokkerij heb ik ook een akkerbouwtak. Ik tracht inzake voeders immers zoveel mogelijk zelfvoorzienend te zijn. De aankoop van voeders is immers een grote kostenpost. Ik teel granen en maïs, en de weides liggen voornamelijk rond onze huiskavel. Ook het scheren is een grote kost, maar dat kan ik gelukkig zelf. Daarnaast ben ik ook dienstverlener. Zo ben ik onder meer staalnemer voor de Bodemkundige Dienst van België. In het lammerseizoen ben ik ook verloskundige op een geitenbedrijf. Tussen april en juli ga ik meestal alpaca’s scheren op (buitenlandse) bedrijven. Ook voor het nagelknippen van alpaca’s kun je bij mij terecht. Met enkel alpacafokkerij en -verkoop kun je in België immers geen rendabel bedrijf runnen.”
De meeste alpacahouders in ons land combineren dit daarom met een verbredingsactiviteit, zoals bijvoorbeeld agrotoerisme, of ze houden alpaca’s naast een andere landbouwtak.
De alpaca gedijt goed in onze contreien
In tegenstelling tot wat meestal wordt gedacht, zijn alpaca’s geen wilde dieren. Ze leven dan wel op de enorm uitgestrekte hoogvlaktes in Peru, Chili en Bolivia, toch werden ze al gedomesticeerd door de Inca’s. De kuddes zijn vandaag de dag dus ook steeds eigendom van lokale boeren.
Zowat 90% van de wereldwijde alpacapopulatie is van het huacaya-type. De overige dieren zijn van het suri-type of ook kruisingen van beide types. “Suri’s worden meestal ‘minder mooi’ bevonden door hun lange, warrige dreadlocks”, legt Sam uit. “Ze hebben meestal ook een feller karakter.”

Alpaca’s zijn bestand tegen de extreem koude en warme temperaturen op die hoogvlaktes. Ze hebben wol met een goede structuur en uitstekende kwaliteit. Om dat te garanderen, moet de vacht wel jaarlijks geschoren worden. Het zijn sterke dieren, die zich gemakkelijk voortplanten. Ziektes zullen ze niet snel tonen. Zo beschermen ze zich tegen mogelijke roofdieren.
“Alpaca’s vallen nog liever dood, dan te tonen dat ze niet oké zijn”, lacht Sam. “In ons milder, maar vochtiger klimaat gedijen ze goed, maar je moet het gedrag van de dieren in je stapel goed kennen en opvolgen, onder meer door hen regelmatig te wegen.”
Juiste combinatie van merrie en hengst
De Salictum Alpacafarm in Bierbeek telt vandaag de dag een 30-tal dieren, waaronder een ruin en 3 hengsten. “De hengsten zorgen voor de noodzakelijke verschillende bloedlijnen in de fokkerij. Bij alpaca’s kun je momenteel nog geen kunstmatige inseminatie doen. We spreken over een geïnduceerde ovulatie. De eisprong wordt gestimuleerd door de paring (geluid en gedrag). Dit betekent dat de merrie enkel via natuurlijke dekking drachtig kan raken. Een bijkomende reden waarom kunstmatige inseminatie niet lukt, is dat je het sperma van een alpaca moeilijk kan bewaren. Embryotransfer wordt wel al toegepast, maar dat is erg duur. De voortplantingstechnieken evolueren, maar er is slechts een trage vooruitgang in onze sector.”
Een merrie is geslachtsrijp vanaf een gewicht van 45 kg en een leeftijd van ongeveer 2 jaar en een hengst als hij 2 à 3 jaar oud is. Omdat de dieren vanaf dan bijna voortdurend dekrijp zijn, worden de hengsten en merries in aparte weides gehouden. “Ze dagen elkaar dan wel wat uit, maar alpaca’s zijn geen ‘brekers’. Een hoge draad als afsluiting tussen de weides is voldoende.

Ik bepaal zelf welke merrie bij welke hengst mag. Eens die samen staan, gaat het snel. De paring gebeurt soms al na 10 minuten. Nadien zet ik ze weer apart. We kunnen zelf checken of de merrie drachtig is. Een merrie die niet drachtig is, gaat namelijk liggen, zodat de hengst haar kan dekken. Wanneer ze wél drachtig is, houdt ze de hengst op afstand door maaginhoud naar hem te spuwen. Dat is trouwens een verschil met lama’s, die spuwen zowat altijd als ze worden benaderd. Om zekerheid te hebben over een geslaagde dekking laat ik 1 à 2 maanden na de paring de veearts de merrie scannen op dracht.”
Een volwassen merrie weegt ongeveer 50 tot 75 kg. “Tijdens de dracht besteed ik extra aandacht aan de voeding. Ik geef dan bijvoorbeeld wat extra bietenpulp, zodat ze voldoende energie opneemt. Gebruikelijk draagt de merrie 1 veulen, soms een tweeling, maar dat komt meestal niet goed. Naarmate het einde van de dracht nadert, ga ik wel wat vaker checken. In principe volgt de worp 11 maanden en 9 dagen na dekking, maar daar kan wel wat spreiding op zitten. Ze kunnen verrassen en dan vind je plots een veulen. Alpaca’s werpen immers vlot, ze hebben meestal geen hulp nodig.”
Conditie opvolgen
Een veulen, ook cria genoemd, weegt 6 tot 9 kg. Ze hebben niet zoveel nazorg nodig, legt Sam uit. “Ik ontsmet de navel en weeg ze kort na de geboorte. Verder is het belangrijk om het zogen op te volgen. Enkel wanneer ze niet drinken, start ik met flessenvoeding met melk van gedroogd schapenbiestpoeder of met geitenmelk. Ik ken het gedrag van mijn oudere merries, dus ik weet meestal wat te verwachten.

Een merrie heeft een kleine uier met 4 spenen. Ze beschikt dus slechts over weinig melk. Het veulen kan dus telkens maar kleine teugjes drinken. Die melk is wel behoorlijk geconcentreerd. Afhankelijk van de conditie van de moeder en van de kwaliteit van haar melk, kan een cria gespeend worden op een leeftijd van 6 maanden. Een gezond veulen groeit ongeveer een kilogram per week.”
Sam wijst erop dat een alpaca een kameelachtige is. Ze hebben geen hoeven, maar eeltkussentjes. “De 2 teennagels moet je minstens tweemaal per jaar bijknippen. Ook dat doe ik zelf. De tanden bijwerken moet enkel gebeuren indien ze niet goed aansluiten en dus niet correct afslijten. Ontworming doe ik niet standaard, enkel wanneer uit mestcontrole blijkt dat het nodig is. Onze dieren zijn gevaccineerd tegen blauwtong en ook steeds tegen clostridium. Ik volg hun conditie van nabij op en doe ook om de 2 à 3 weken een slijmcontrole.”
Inzake huisvesting zijn het gemakkelijke dieren, aangezien ze bijna steeds buiten vertoeven. “Ze zoeken eerder bescherming tegen de zon dan tegen regen. Regen loopt van hun wol af. Een goed gericht hok of schuilgelegenheid voldoet. Voorzie ook steeds water in een kuip. De voeding bestaat voornamelijk uit gras - weiland en hooi, eventueel uit goed voordroog. Ik vul hun rantsoen aan met vitaminen in de vorm van korrels en indien nodig met eiwitbrokken.”
Kwaliteit van de wol is belangrijk
Voor particuliere alpacahouders is het dier vooral leuk om naar te kijken, te verzorgen en om ermee te gaan wandelen. Professionele alpacahouders houden ze voor de fokkerij en wolproductie.
“De eerste wol van een cria is eigenlijk de beste”, legt Sam uit, “maar die vacht vangt ook erg veel vuil. Ik scheer dus meestal een eerste keer als het veulen nog bij de moeder is. Voor de veulentjes die geboren zijn in april-mei betekent dat een scheerbeurt eind juli-begin augustus. Het veulen beschikt dan terug over voldoende vacht voordat de winterperiode aanbreekt. Het alpacahaar groeit zo’n 10 tot 15 cm per jaar.

Een scheerbeurt levert 1 à 3 kg wol op, maar dat is van het volledige lichaam, met andere woorden, bijvoorbeeld ook van de poten. Bij het scheren selecteren we de wol dus al onmiddellijk naargelang de kwaliteit. De beste dieren zijn diegenen waar de wol het langst een goede kwaliteit behoudt.”
De vacht beslaat een waaier van kleuren, gaande van wit over bruin tot zwart. Sam toont ons zelfs een kleurenkaart met de officiële kleurvarianten. “De bleke dieren hebben meestal wol van een betere kwaliteit. Die is erg geschikt voor kleding. Hobbyhouders hebben graag gekleurde dieren. Zelf heb ik vooral zwarte en ‘fawn’ (ree-kleur) dieren.”

In tegenstelling tot schapenwol die naar verwerkingsfabrieken gaat, zijn er minder mogelijkheden voor wol van alpaca’s. “Alpacawol heeft een grote variatie in kwaliteit. In ons land zijn er slechts enkele kleinschalige initiatieven die iets met de wol doen. Er zijn maar een viertal spinnerijen voor alpacawol in ons land. “Enkele fokkers zijn gestart met een spinnerij. Deze draaien goed, er is zelfs een wachtlijst voor de verwerking van de wol. De wol van mijn dieren gaat deels naar iemand die de wol in kleding verwerkt. Als scheerder beschik ik trouwens over meer wol dan van mijn eigen dieren. Ik laat van deze ‘Benelux-wol’ dekbedden maken bij een gespecialiseerde fabrikant. Nu en dan komen hier ook fervente wandelaars aankloppen om wol te kopen. Zij gebruiken onze wol tussen de tenen om blaren te vermijden.” Sam verkoopt via zijn webshop niet alleen breigaren, beddengoed en kledij, maar ook allerlei hebbedingen die te maken hebben met alpaca’s. Alpacahouders kunnen bij hem terecht voor voeders en specifiek materiaal.

Voor Sam is een eigen spinnerij nu echter niet aan de orde. “Je kunt niet alles zelf doen! En als ik hier ooit mee start, dan zal dit eerder in Ibiza zijn, niet hier. Momenteel ben ik met andere zaken bezig, zoals een pelletteerlijn opstarten.” Blijkbaar is niet alle wol geschikt voor verwerking. Sam zoekt naar andere gebruiksmogelijkheden. “Er wordt jammer genoeg veel wol weggesmeten”, zegt Sam. “Het is wel organische stof. Je zou er de bodem mee kunnen verrijken, maar je kunt zo’n wol niet zomaar op het veld gooien. Ik ben dus met een project bezig om er wolpellets van te maken. We zoeken naarstig naar een betere verwerkbaarheid en doseerbaarheid ervan.”
Sam geeft ten slotte nog aan dat alpacahouders buitenbeentjes zijn in allerlei wetgeving. “Iedereen met een alpaca moet wel een Sanitel-nummer hebben, alle dieren moeten een oormerk of chip dragen. Ik moet ook een Mestbank-aangifte doen, maar alpaca’s vallen buiten alle gebruikelijke categorieën. Over ons statuut bestaat nog steeds veel verwarring bij onze verschillende overheden. Daarom is onze aanwezigheid bij overleg wel belangrijk.”
