Juridische verplichtingen voor landbouwers en hobbyhouders bij bijzondere dieren
Op heel wat Vlaamse erven duiken de laatste jaren dieren op die tot voor kort vooral als uitzondering werden gezien: alpaca’s op de weide, damherten achter een sieromheining, lama’s of struisvogels naast de klassieke runderen en schapen. Zulke niet-traditionele diersoorten winnen aan populariteit, zowel bij professionele landbouwers, die ze als bedrijfstak uitbouwen, als bij particulieren.

Die evolutie roept onvermijdelijk juridische vragen op. Het regelgevend kader is immers historisch gegroeid met klassieke gezelschapsdieren en traditioneel landbouwvee in het achterhoofd. Wie minder courante diersoorten houdt, landbouwer of particulier, krijgt desalniettemin eveneens te maken met een lappendeken van regels: omgevingsvergunning en milieuvoorwaarden, Vlaamse dierenwelzijnsnormen, Europese en federale voorschriften rond voedselveiligheid en diergezondheid, fiscale kwalificatie, en ten slotte de burgerrechtelijke aansprakelijkheid als zo’n dier schade veroorzaakt.
Dit artikel biedt een overzicht van de relevante juridische aandachtspunten voor zowel professionele landbouwers als particuliere houders van deze niet-traditionele dieren. Daarbij komen achtereenvolgens de vergunningsplicht en milieuvoorwaarden, de verplichtingen op het vlak van dierenwelzijn, de regels rond tracering, voedselveiligheid en diergezondheid, de fiscale behandeling en tot slot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door deze dieren aan bod.
De vergunningsplicht en uitbatingsvoorwaarden
Wie grotere aantallen van bepaalde bijzondere diersoorten houdt, komt al snel terecht in het omgevingsvergunningenstelsel voor zogenaamde ingedeelde inrichtingen. Dat stelsel geldt zodra het houden of kweken van deze dieren terug te vinden is in de Vlaamse lijst van de ingedeelde inrichtingen (Indelingslijst) bij het Vlarem én zodra de daarin vastgelegde drempelwaarden worden overschreden. Veelal zijn bijzondere diersoorten daarbij niet in een aparte rubrieken ondergebracht, maar vallen ze onder de algemene dierlijke rubrieken, in dit verband vooral de rubriek voor kleine herkauwers (waaronder alpaca’s, lama’s en hertachtigen), de subrubriek voor struisvogels, emoes en nandoes en de rubrieken voor aquacultuur. Soms verschillen de drempelwaarden ook naargelang de planologische bestemming van de locatie: in agrarisch gebied, woongebied met landelijk karakter of andere dynamische zones liggen de drempels doorgaans hoger dan in regulier woongebied.
In de Indelingslijst worden inrichtingen ingedeeld in rubrieken en worden ze voorzien van de toepasselijke klasse. Er zijn 3 klassen van hinderlijke inrichtingen, van hoge naar lage milieubelasting. De exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse is onderworpen aan het bekomen van een omgevingsvergunning. Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse, of de verandering van een dergelijke inrichting of activiteit, volstaat een melding bij het college van burgemeester en schepenen. Dat doet dan een aktename van deze melding. Bij gemengde inrichtingen geldt de regeling voor de hoogste klasse.
Een particulier met enkele dieren rond de woning blijft doorgaans onder de drempels, in tegenstelling tot een landbouwer met uitgebreide kuddes.
Kleine herkauwers Alpaca’s, lama’s en hertachtigen worden in de Indelingslijst expliciet vermeld als ‘kleine herkauwers’. Het gaat om inrichtingen waar dergelijke dieren gefokt of gehouden worden, inclusief de mestopslag en mestverwerking op het bedrijf. De indeling gebeurt aan de hand van het aantal ‘gespeende dieren’ en aan de hand van de ligging. Onder de drempel geldt het houden van dergelijke dieren als zodanig niet als ingedeelde inrichting, al kunnen andere rubrieken, bijvoorbeeld voor mestopslag, nog wel meespelen. Vanaf bepaalde aantal dieren in een bepaald gebied worden de inrichtingen ingedeeld onder respectievelijk klasse 2 en daarna klasse 1.
Gevogelte Struisvogels, emoes en nandoes zijn ondergebracht in een afzonderlijke subrubriek binnen de rubriek ‘gevogelte’, opnieuw met drempelwaarden per zone en per aantal dieren. In elke zone geldt eerst een ondergrens zonder indeling, daarboven een klasse 2-zone en bij hogere aantallen een klasse 1-indeling. Landbouwers die struisvogels houden als neventak, kunnen, afhankelijk van de omvang van de kudde en de ligging van de stallen, dus een omgevingsvergunning klasse 2 of 1 nodig hebben, eventueel in combinatie met andere rubrieken zoals mestopslag. Voor kleine hobbyhouders met slechts enkele dieren worden de drempels meestal niet bereikt, maar de concrete aantallen en de bestemming van het perceel moeten telkens worden nagegaan.

Aquacultuur Voor aquacultuur – het intensief kweken van vis of schelpdieren – voorziet de Indelingslijst in een rubriek voor ‘intensieve aquacultuur’ en in een rubriek voor het gebruik van uitheemse of plaatselijk niet voorkomende soorten. Hier gebeurt de indeling niet op basis van het aantal dieren, maar op basis van de jaarproductiecapaciteit (levend gewicht) en het onderscheid tussen gesloten en open systemen. Boven een bepaalde productiecapaciteit wordt de activiteit ingedeeld als klasse 2 of 1, en het gebruik van uitheemse soorten in open systemen wordt omwille van het risico voor het milieu zwaarder ingedeeld dan in gesloten systemen. Een gewone siervijver bij een woning valt daar dus niet onder, maar wie op professionele schaal vis kweekt, moet wel degelijk met deze rubrieken rekening houden.Zodra het houden van bijzondere diersoorten als ingedeelde inrichting geldt, zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II van toepassing. De algemene voorwaarden bevatten onder meer een zorgplicht: de exploitant moet redelijke maatregelen nemen om schade en hinder voor de omgeving te voorkomen en bij ongevallen de gevolgen voor mens en milieu zoveel mogelijk trachten te beperken. De sectorale milieuvoorwaarden voor veehouderij regelen onder meer mestopslag, emissienormen, ventilatie, afvalwater en – via een puntensysteem – minimale afstanden tot woningen van derden. In de omgevingsvergunning kunnen bovendien nog bijzondere voorwaarden worden opgelegd die specifiek inspelen op de concrete inrichting.
Naast het milieuluik verdient ook de stedenbouwkundige component van de omgevingsvergunning bijzondere aandacht. Voor het optrekken of plaatsen van constructies voor dieren - zoals stallen, schuilhokken, voederplaatsen, verhardingen of afsluitingen - is immers in de meeste gevallen ook een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist, tenzij een vrijstelling of loutere meldingsplicht van toepassing is.
Een omgevingsvergunning kan in principe enkel worden afgeleverd als de aangevraagde constructie ‘zone-eigen’ is. Zo kunnen in woongebied kleinschalige constructies voor hobbydieren worden vergund als complementair aan het wonen, terwijl in agrarisch gebied enkel constructies in functie van een professioneel landbouwbedrijf worden toegestaan.
De Vlaamse Vrijstellings- en Meldingsbesluiten voorzien respectievelijk in vrijstellingen en loutere meldingsplichten die ook voor dierhouders relevant zijn. Zo is er onder voorwaarden geen stedenbouwkundige vergunning nodig voor bepaalde kleine bijgebouwen bij de woning (zoals een beperkte berging of carport), voor schuilhokken voor weidedieren tot een totale oppervlakte van 40 of 80 m², voor eenvoudige open afsluitingen tot 2 m hoog. Ook bepaalde binnenverbouwingen met stabiliteitswerken of beperkte uitbreidingen vallen slechts onder de meldingsplicht.
De nieuwe Vlaamse Codex Dierenwelzijn
Sinds 1 januari 2025 beschikt Vlaanderen over een eigen, geïntegreerd kader voor dierenwelzijn: de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Die codex vervangt de voormalige federale Dierenwelzijnswet van 1986.
De Vlaamse Codex Dierenwelzijn legt in de eerste plaats algemene zorgplichten op. Wie gewervelde diersoorten houdt, moet zorgen voor aangepaste voeding, verzorging, huisvesting en beschutting, afgestemd op de aard van het dier en zijn fysiologische behoeften en op zijn natuurlijk gedrag. Het dier moet voldoende ruimte en bewegingsvrijheid hebben. Een dier gewoonlijk of constant vastmaken of opsluiten is in principe verboden, tenzij het dier dan nog steeds voldoende bewegingsvrijheid heeft en niet wordt blootgesteld aan vermijdbare pijn, lijden of letsels.
Daarnaast geldt voor alle buitendieren dat zij moeten kunnen beschikken over natuurlijke of kunstmatige beschutting tegen weersinvloeden, zoals wind, regen, zon en extreme temperaturen. Voor paardachtigen gold deze verplichting al langer. De codex breidt deze verplichting thans expliciet uit naar alle buitendieren, zodat ook een weide met alpaca’s, lama’s of herten niet volstaat zonder schuilmogelijkheid. Uiterlijk vanaf 2029 zal deze algemene beschuttingsplicht volledig van kracht zijn voor alle buitendieren.

De houder mag ook geen handelingen stellen of nalaten waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of waardoor zijn welzijn op een andere manier zonder noodzaak wordt geschaad. Dat betekent concreet dat men dieren niet mag verwaarlozen (bv. geen verzorging bij ziekte, geen aangepast voer, geen bescherming tegen roofdieren), geen overmatige fysieke of mentale belasting mag opleggen (bv. intensief gebruik voor activiteiten dat hun natuurlijke mogelijkheden overschrijdt) en geen onnodige pijnlijke ingrepen mag verrichten. Ingrepen aan gevoelige lichaamsdelen zijn slechts toegestaan onder de strikte voorwaarden van de codex en, in de regel, met verdoving.
Verder verbiedt de codex het toedienen van stoffen die een negatieve invloed hebben op de gezondheid of het welzijn van het dier, behalve om diergeneeskundige redenen. Dit is relevant waar bijzondere diersoorten worden ingezet in toeristische of recreatieve activiteiten: stimulerende middelen om dieren buitennatuurlijk langer of intensiever te laten presteren zijn verboden. Ook het gebruik van dieren voor vermaak, demonstraties of reclame mag niet leiden tot vermijdbare pijn, lijden of letsel en mag ook op een andere manier hun welzijn niet aantasten.
Tot slot bepaalt de Codex dat het houden van bepaalde dieren beperkt wordt tot de soorten of categorieën vermeld in een door de Vlaamse regering vast te stellen lijst. Die nieuwe Vlaamse lijst van toegelaten diersoorten is echter op datum van redactie nog niet vastgesteld, zodat in de praktijk voorlopig wordt teruggevallen op de bestaande lijsten die onder het oude federale regime werden ingevoerd. Een koninklijk besluit van 16 juli 2009 bevat een limitatieve lijst van niet voor productiedoeleinden gehouden zoogdieren die door particulieren mogen worden gehouden. Soorten die niet op die lijst staan, kunnen in beginsel niet als hobby- of gezelschapsdier worden gehouden. Voor reptielen geldt een besluit van de Vlaamse regering van 22 maart 2019, dat op gelijkaardige wijze bepaalt welke reptielensoorten door particulieren mogen worden gehouden en onder welke voorwaarden afwijkingen mogelijk zijn. Wie dus bijzondere zoogdieren of reptielen wil houden die geen klassieke landbouwdieren zijn, moet voorlopig nog steeds eerst nagaan of de betrokken soort op deze ‘positieve lijsten’ voorkomt of via een individuele erkenning mag worden gehouden.
Tracering en diergezondheid
Wie bijzondere hoefdieren (bv. alpaca’s, lama’s en hertachtigen) of vogels in gevangenschap (bv. struisvogels) houdt, valt voor de voedselveiligheid en diergezondheid onder hetzelfde federale kader als de klassieke veehouderij. Dat geldt niet alleen voor professionele bedrijven, maar ook voor hobbyhouders zodra hun dieren onder de in de regelgeving opgesomde soorten vallen. Het uitgangspunt is dat bij een eventuele uitbraak van een besmettelijke dierziekte snel kan worden achterhaald waar een dier vandaan komt en met welke andere dieren het in contact is geweest.
Alles begint met de registratie van de houder en de inrichting. Wie dergelijke dieren houdt, moet zich bij Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) laten registreren als exploitant en voor elke weide, stal of locatie waar dieren staan, wordt een beslagnummer toegekend. Voor hertachtigen en kameelachtigen geldt dat elk dier individueel moet worden geïdentificeerd met officiële merktekens, meestal oormerken die via de erkende vereniging worden besteld. De houder moet bovendien geboorte, aankoop, verkoop en sterfte van de dieren tijdig doorgeven, en een beslagregister bijhouden waarin deze gebeurtenissen overzichtelijk worden genoteerd of elektronisch worden geregistreerd.

Ook voor verplaatsingen gelden administratieve verplichtingen. Zodra dieren het eigen beslag verlaten, zoals bijvoorbeeld bij de verkoop, deelname aan een markt of tijdelijk onderbrengen op een andere locatie, moet er een verplaatsingsdocument worden opgemaakt. Dat document vermeldt onder meer van welke beslaglocatie de dieren vertrekken, waar ze naartoe gaan, om welke diersoort en hoeveel dieren het gaat, en wie de vervoerder is. De gegevens uit dat document moeten binnen korte termijn worden ingevoerd in de centrale databank, zodat op elk moment duidelijk blijft welke dieren waar aanwezig zijn. Ook wie zijn eigen dieren met de eigen trailer vervoert en daarvoor geen aparte erkenning als vervoerder nodig heeft, moet deze tracering en basisregels rond hygiëne en diergezondheid naleven.
Aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door dieren
Sinds 1 januari 2025 is het nieuwe buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht in werking getreden. Voortaan wordt de aansprakelijkheid van een bewaarder van een dier geregeld in artikel 6.17 van het (nieuw) Burgerlijk Wetboek.
De basisregel blijft dat een bewaarder, degene die feitelijke controle heeft over een dier, aansprakelijk is voor de schade die dat dier aan derden veroorzaakt, zonder dat er sprake moet zijn van enige fout in het toezicht. Deze regel geldt evenzeer voor huisdieren en klassieke landbouwdieren als voor bijzondere diersoorten.
De eigenaar van het dier wordt vermoed ook de bewaarder te zijn, maar dat vermoeden kan worden weerlegd door aan te tonen dat het dier op dat ogenblik feitelijk onder de hoede stond van iemand anders, bijvoorbeeld de eigenaar van een pensionstal, een manegehouder, een dierenarts of een tijdelijk oppas.
Het slachtoffer hoeft niet aan te tonen dat het dier hem bewust heeft aangevallen of agressief was. Het volstaat dat de opgelopen schade werd veroorzaakt door het dier, ongeacht de wijze waarop. Ook een alpaca die op het fietspad blijft liggen en zo een fietser doet vallen, of een hert dat uitbreekt en een botsing veroorzaakt, volstaat om de aansprakelijkheid van de bewaarder in het gedrang te brengen. Ook wanneer het dier uit de weide ontsnapt of verdwaalt, is de bewaarder in principe aansprakelijk voor alle schade die dit dier onderweg aanricht.
Wanneer evenwel het slachtoffer ook zelf de schade mede heeft uitgelokt door een eigen fout, zoals door het gooien van stenen, geeft dit aanleiding tot een aansprakelijkheidsverdeling. In de verhouding onderling wordt de schadelast dan verdeeld tussen de bewaarder en het slachtoffer volgens de mate waarin die laatste zelf heeft bijgedragen tot het ontstaan van het schadegeval.
Particuliere dierhouders kunnen het aansprakelijkheidsrisico doorgaans laten dekken via een familiale verzekering, terwijl professionele houders zich het best laten adviseren over een passende bedrijfs- of landbouwpolis die zowel schade aan derden als schade door ontsnappingen en ongevallen met hun dieren dekt.
