Startpagina Onderwijs

Wim Nijst, adviseur van Zuhal Demir: "Landbouw is belangrijke pijler van de Vlaamse economie"

Iedere land- en tuinbouwer in Vlaanderen komt in aanraking met het landbouwonderwijs, al op de schoolbanken als jongere of later om zich bij te scholen. Het wordt enkel maar belangrijker in een snel veranderende (landbouw)wereld, geeft Wim Nijst, adviseur van onderwijsminister Zuhal Demir, aan.

Leestijd : 9 min

Hij moest zich goed voorbereiden op dit interview, want veel vragen krijgt het kabinet van minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) normaal gezien niet over land- en tuinbouwonderwijs. Toch is landbouwonderwijs belangrijk voor de regering, zegt raadgever Wim Nijst. “De sector is enorm geëvolueerd. Vroeger werd kennis doorgegeven van vader op zoon, maar dat gaat niet meer nu het een hoogtechnologische sector geworden is. De sector staat ook onder druk door dossiers als klimaat, biodiversiteit, de digitalisering, Mercosur... Enkel door mee te zijn met de tijd kan de sector blijven bestaan en daarvoor moeten landbouwers zich (bij)scholen.

Dat stopt ook niet bij de schoolbanken. Met levenslang leren moeten we boeren blijven wapenen voor alle vernieuwingen die alsmaar sneller op hen afkomen.” Hoewel de gespecialiseerde opleidingen van leercentra zoals Landwijzer worden georganiseerd vanuit de sector zelf en dus niet vallen onder de bevoegdheid van de minister van Onderwijs, zijn er toch nog modules in het gangbare volwassenenonderwijs die relevant zijn voor landbouwers. “De sector geeft aan wanneer er nood is aan opleidingen die ze zelf niet kunnen voorzien. Het is enkel dankzij input vanuit de sector dat we kunnen garanderen dat de leerstof relevant en bruikbaar is. Zo wordt er ook tussen de sector en de scholen, hogescholen en universiteiten gecommuniceerd.”

Is er ook overleg tussen het kabinet en de sector, bijvoorbeeld via Groene Kring, over de noden binnen het landbouwonderwijs?

In Vlaanderen bestaan er 2 soorten kwalificaties: de onderwijskwalificatie en de beroepskwalificatie. De beroepskwalificaties beschrijven de competenties die verwacht worden van beroepsbeoefenaars. De onderwijskwalificatie bevatten de algemene vorming, en voor beroepsgerichte opleidingen, ook de competenties uit de beroepskwalificaties. Samen met de sector bepalen we wat de juiste competenties zijn die iemand moet hebben om landbouwer te worden. De beroepskwalificatie wordt op basis van dit overleg afgesproken.

Die beroepskwalificatie moet je zien als de bouwsteen van alle opleidingen die eruit volgen, in het leerplichtonderwijs, het volwassenenonderwijs, maar ook de opleidingen die de sector zelf organiseert. Onze administratie ondersteunt sectororganisaties in het ontwikkelen en actualiseren van deze beroepskwalificaties.

Toch missen bijvoorbeeld leerlingen in de arbeidsfinaliteit, het vroegere BSO, die later vaak toch een landbouwbedrijf overnemen, de voorbereiding daarop, zoals hoe ze personeel aansturen of de financiën moeten doen.

Het klopt dat leerlingen in het beroepsonderwijs niet meer verplicht iets als bedrijfsbeheer en ondernemerschap zien. Er zijn nog scholen die deze leerstof in hun extra aanbod steken. In het volwassenenonderwijs kunnen leerlingen op een laagdrempelige manier hierover leren. Een sterke basis, met voldoende taal, verantwoordelijkheidszin en inzicht in ondernemerschap, blijft cruciaal voor leerlingen in praktijkgerichte richtingen.

Je zegt het zelf, de land- en tuinbouw is een hoogtechnologische sector geworden met constant nieuwe innovaties in het verschiet. Hoe kunnen opleidingen hier rekening mee houden en niet constant achter de feiten aanlopen?

Daarom spreken we constant met de sector. Zij voelen aan wanneer een update van de leerstof nodig is. Er zijn vaste overlegmomenten, maar als de sector merkt dat er een hoogdringend probleem is, nemen zij zelf contact op met het kabinet of de administratie om de beroepskwalificatie te updaten.

Er moet ook veel meer gekeken worden naar korte, praktijkgerichte modules, zodat boeren zich laagdrempelig kunnen bijscholen. Levenslang leren is overal belangrijk, maar zeker in de land- en tuinbouw is het heel relevant.

Richtingen schrappen

Opleidingen dierenverzorging in het middelbaar kennen een stormloop. Nu, iedereen vindt schattige dieren leuk, maar hoe zorgen jullie ervoor dat zo’n populaire richting aansluiting vindt op de hoeveelheid beschikbaar werk?

Mocht het met de bus bereikbaar zijn, had mijn dochter ook ongetwijfeld dierenverzorging willen volgen, dus ik snap het. Maar het klopt dat we momenteel meer leerlingen dierenverzorging afleveren dan de arbeidsmarkt vraagt. Je ziet hetzelfde met alle richtingen waar kinderen voor kiezen uit interesse, zoals dierenverzorging of sportwetenschappen. Het is een van de grote uitdagingen waar deze regering mee aan de slag wil.

Met het plan BSO/TSO, waaronder ook landbouw valt, willen we hard inzetten op de oriëntatie van leerlingen en willen we hun realistische verwachtingen meegeven over welke richtingen leiden tot duurzaam werk. Zeker met alle ontwikkelingen rond artificiële intelligentie wordt dat belangrijk.

In de talentcentra’s krijgen leerlingen van het zesde jaar van de basisschool en het eerste middelbaar op basis van hun interesses en competenties een rapport met geschikte richtingen. Daar willen we ook richtingen waar de vraag groter is aan koppelen.

Dat zijn een paar van de sporen waar we naar kijken om de studieoriëntatie beter te richten. Dat is alleen maar in het voordeel van leerlingen, want het is heel fijn dat iemand studeert wat hij graag doet, maar het is ook belangrijk dat diezelfde persoon op het einde van zijn schoolcarrière niet gefrustreerd is omdat hij geen werk vindt.

Er komt een rationalisatie aan van kleine, gespecialiseerde richtingen zoals land- en tuinbouwopleidingen, zodat ze niet dubbel aangeboden worden in dezelfde regio. Wat is daar de redenering achter?

Na de onderwijsvernieuwing is er een groei aan studierichtingen gekomen, eigenlijk het tegenovergestelde van wat toen de bedoeling was. Met het lerarentekort in het achterhoofd willen we een aantal richtingen schrappen.

De angst leeft in het veld dat er daarbij enkel naar leerlingenaantallen gekeken gaat worden. Die zullen een factor zijn, maar ook maatschappelijke relevantie en nood op de arbeidsmarkt worden mee in rekening gebracht. Een aantal cruciale opleidingen schrappen we dus zeker niet, ook al hebben ze maar weinig leerlingen.

Leerlingen zijn bang dat ze hierdoor in hun buurt een bepaalde opleiding niet meer gaan vinden.

Het is altijd een moeilijke oefening. Een rationalisatie betekent ook keuzes maken, waardoor het kan dat een aantal richtingen moeilijker bereikbaar zijn in een bepaalde regio. Het is echter niet de bedoeling dat we de enige opleiding van iets gaan schrappen zodat niemand nog de opleiding kan volgen.

Vanuit de arbeidsmarkt groeit juist de vraag naar gespecialiseerde opleidingen.

De sector is op zich niet tegen de rationalisering. Het is goed dat er terug wat meer richtingen komen met een bredere opleiding als basis. Tegelijkertijd moeten mensen zich wel levenslang kunnen blijven bijscholen en specialiseren.

Je ziet ook dat elke land- en tuinbouwschool zijn eigen specialiteit heeft, waardoor de school in Anderlecht heel anders is dan die in Borgloon of Torhout. Scholen zijn echter ook niet helemaal mee met de hoogtechnologische ontwikkelingen in de land- en tuinbouw, wat stages en werkplekleren des te belangrijker maken voor leerlingen in de land- en tuinbouw. We moeten meer en meer een beroep doen op land- en tuinbouwbedrijven om leerlingen van de juiste scholing te voorzien.

Wim Nijst adviseert minister Zuhal Demir over onderwijskwesties.
Wim Nijst adviseert minister Zuhal Demir over onderwijskwesties. - Foto: ThD

Stages onder druk

Leerlingen vinden stages inderdaad belangrijk om een professioneel netwerk uit te bouwen of om leerstof te zien die niet aan bod komt in de opleiding. De strenge arbeidswetgeving en de verplichting om duur (bio)veiligheidsmateriaal te voorzien voor stagiairs vormen echter voor veel kleine familiebedrijven een drempel om stagebedrijf te worden.

Zonder voldoende stageplekken valt praktijkgericht onderwijs stil. De sector speelt een grote rol in het voorzien van stageplekken. Daarom sluiten we als overheid convenanten af met de sector om die samenwerking te versterken.

Daarin staat dat de sector scholen en jongeren moet informeren over het bestaande aanbod van stageplekken, en bedrijven moet overtuigen en helpen om een stagebedrijf te worden, zodat er voldoende stageplekken zijn. Dat gaat bijvoorbeeld over wat er van bedrijven verwacht wordt wanneer zij leerlingen ontvangen. Met dat sectorconvenant willen wij de drempel verlagen voor bedrijven die bereid zijn om een stageplek aan te bieden, maar die zich soms onzeker voelen over de wettelijke vereisten of over wat er van hen verwacht wordt.

Arbeidswetgeving en bioveiligheid zijn federale materie. In de beleidsnota Onderwijs lees ik dat er overleg zal plaatsvinden tussen de Vlaamse en federale regering om drempels daarrond voor stagebedrijven weg te nemen. Heeft dat overleg al plaatsgevonden?

We zijn op dit moment nog in overleg met de federale regering. Veiligheid is niet evident voor eenmanszaken en kleine familiebedrijven. De gesprekken met de federale overheid vinden in een positieve sfeer plaats en we hopen in de loop van het jaar resultaat te hebben. Maar het is natuurlijk geen gemakkelijke materie, want iedereen draagt veiligheid hoog in het vaandel.

Er moet een balans gevonden worden, die niet te veel inbindt op veiligheid?

Nee, dat gaat uiteraard niet. De wetgeving an sich gaat niet veranderen. We moeten eerder kijken naar hoe wij als Vlaamse overheid bedrijven maximaal kunnen faciliteren bij het voldoen aan de bestaande wetgeving, zonder te veel extra workload en papierwerk.

Daarnaast zijn we binnen het kader van duaal leren bezig aan een oplijsting van administratieve rompslomp in alle domeinen, niet alleen veiligheid, om te bekijken hoe we er vereenvoudiging in kunnen brengen.

Wat kan er dan verbeterd worden?

Welke administratie effectief nodig is bij het opmaken van stagecontracten bijvoorbeeld. Of bij de ongevallenverzekering: wanneer is het stagebedrijf of de school verantwoordelijk? Ook moet het stagebedrijf momenteel de school inlichten wanneer een leerling niet aanwezig kan zijn op school door een bedrijfsongeval. Dat zijn van die kleine ongemakken die we eruit moeten halen.

Dure opleidingen

Land- en tuinbouwopleidingen zijn dure studierichtingen om te organiseren voor scholen.

Klopt, en de schoolrekening vormt ook een van de drempels voor leerlingen om voor die richtingen te kiezen. Het uitgangspunt van de regering is dat financiële overwegingen nooit bepalend mogen zijn bij de keuze van een bepaalde richting. We willen de schoolfactuur van leerlingen zo laag mogelijk houden.

Daarom maakt de regering in het Vlaams regeerakkoord 55 miljoen euro per jaar vrij om het BSO en TSO te versterken. Binnen dat pakket is er een aanzienlijk bedrag voorzien om de schoolfactuur voor net die richtingen omlaag te halen. Het juiste bedrag moet nog afgeklopt worden, maar we plannen om na de paasvakantie met het plan naar de regering te gaan, zodat scholen vanaf september 2026 een tegemoetkoming kunnen krijgen om de schoolfactuur voor leerlingen in die richtingen te drukken.

Daarnaast voorzien we 10 miljoen euro voor materiaalintensieve opleidingen, waaronder land- en tuinbouw, om nieuw materiaal aan te kopen, zodat leerlingen die kosten ook niet moeten dragen.

Hoeveel geld er precies naar land- en tuinbouwscholen gaat, is dan nog niet bekend?

Hoeveel geld scholen krijgen, hangt af van een aantal factoren. We kijken naar de werkelijke kost van een richting – de duurste opleidingen krijgen meer geld. Maatschappelijk relevante opleidingen zullen echter ook een grotere vergoeding krijgen. Daarbij gaat het heus niet alleen over STEM-richtingen. De maatschappij heeft ook verplegers nodig.

We gaan ook inzetten op transparante schoolfacturen, zodat ouders duidelijk zicht hebben op waar ze voor betalen en zodat ze kunnen aankloppen bij scholen om uitleg over de rekening. Daarbij willen we afbakenen welke kosten wel of niet aan ouders mogen doorgerekend worden. Er komt ook een actieplan om scholen te helpen om de kosten te drukken in richtingen BSO/TSO waar de kosten vaak hoog oplopen.

Met de extra werkingsmiddelen kunnen scholen zaken zoals persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) voor de leerlingen kopen, zodat die niet meer op de schoolfactuur verschijnen.

Het zevende jaar

De vorige minister van Onderwijs, Ben Weyts (N-VA), besliste dat leerlingen die het zevende specialisatiejaar volgen geen diploma meer krijgen dat gelijkgesteld is met het technisch onderwijs. Maakt dat het zevende jaar niet een beetje waardeloos in de ogen van de arbeidsmarkt?

Een aantal scholen hebben hierdoor geen terugval gezien, of zelfs een stijging van het aantal leerlingen in de zevende jaren. Het klopt echter dat leerlingen in veel richtingen besluiten te stoppen na het zesde jaar of direct doorstromen naar graduaatopleidingen. Dat is jammer, want we zien als overheid de waarde van die zevende jaren in. Veel leerlingen zijn gebaat bij een extra zevende jaar, waarin ze volwassener worden.

Het is wel zo dat leerlingen nog altijd in het zevende jaar een beroepskwalificatie van een hoger niveau halen. Dat heeft waarde op de arbeidsmarkt, maar is nog niet genoeg bekend bij ouders en leerlingen. Als overheid roepen we scholen en bedrijven op om duidelijk te maken dat je wel degelijk iets aan zevende jaren hebt op de arbeidsmarkt.

De zevende jaren zijn een van de aandachtspunten in ons nieuw plan BSO/TSO, dat momenteel in een afrondingsfase zit. We willen met een pakket maatregelen komen om de zevende jaren te herwaarderen en om terugval in het aantal leerlingen tegen te gaan.

Het zijn drukke tijden voor jullie, met veel onderwijshervormingen en de herwaardering van het leerkrachtenstatuut in het verschiet. Wanneer is er dan tijd voor het landbouwonderwijs tussen al die plannen?

We hebben heel veel werk op de planken, maar land- en tuinbouwonderwijs is voor ons even belangrijk als andere richtingen. Het is nog steeds een belangrijke pijler van de Vlaamse economie. We nemen de sector mee in al onze beleidsplannen, zoals het plan BSO/TSO en het plan van de werkingsmiddelen.

Lukt het om daarbij rekening te houden met de specifieke noden van de sector?

We kunnen niet voor iedere richting met een apart plan komen. Binnen de krijtlijnen van een groot omvattend plan kunnen we ‘en cours de route’ voor bepaalde opleidingen klemtonen leggen. Dat is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven, ook voor land- en tuinbouw.

Thor Deyaert

Lees ook in Onderwijs

PITO Stabroek al 100 jaar bruggenbouwer tussen onderwijs en arbeidsmarkt

Onderwijs PITO Stabroek staat sinds haar ontstaan in 1926 bekend als dé landbouwschool in de Antwerpse polder. Gestart als een bescheiden landbouwschool met slechts 15 leerlingen groeide ze in een eeuw uit tot een moderne secundaire school, waar ook STEM-richtingen een prominente plaats innemen. De link met de landbouw blijft echter belangrijk.
Meer artikelen bekijken