Geurbeoordelingskader zal worden herwerkt
Wie actief is in een landbouwzone, moet daar op rechtszekere manier zijn zone-eigen activiteiten kunnen uitvoeren. Toch is het voor bestaande veehouderijen bijzonder moeilijk om te kunnen voldoen aan het huidige geurbeoordelingskader.

Vlaams minster van Omgeving en Landbouw Jo Brouns (cd&v) laat het bestaande geurbeoordelingskader herwerken. Dat zei hij in de commissie Leefmilieu van het Vlaams parlement op 31 maart. Wie ervoor kiest om in agrarisch gebied te wonen, kiest voor mooie landbouwlandschappen, de rust en de openheid van het platteland. Hij moet echter ook rekening houden met de aanwezigheid van landbouwactiviteiten en met de typische effecten die daarmee gepaard gaan. De minister denkt dan aan de geur, een haan die ’s morgens vroeg kraait, een tractor die op het veld rijdt…
Structurele problematiek
Brouns reageerde daarmee op een vraag van commissielid Leo Pieters (VB). Hij haalde er een concrete casus bij om de structurele problematiek te illustreren: een varkenshouderij gelegen in een agrarisch gebied dat grenst aan een woonzone met landelijk karakter. Pieters haalde aan dat zijn eigen berekeningen volgens het officiële Impact-model (Immission Prognosis Air Concentration Tool) aantonen dat zelfs een theoretische geurreductie van 70% – technisch vrijwel onhaalbaar – niet volstaat om de geldende normen te respecteren. In de conclusie van de studie staat dat ‘naleving van het geurkader structureel niet haalbaar is’ en ‘ruimtelijk niet inpasbaar’ is. Schattingen wijzen erop dat 10% van de varkensbedrijven in Vlaanderen zich in een gelijkaardige situatie van structurele onhaalbaarheid bevinden.
Boven op de onzekere vergunningstoestand wordt de sector onder druk gezet door verplichte elektronische monitoring van luchtwassers, met een deadline eind 2026 en een investeringskost van om en bij de 20.000 euro per bedrijf. “Zonder dat dit systeem ook maar 1 g geur uit de lucht haalt”, beweert Pieters. Een schrijnend aspect is volgens de interpellant het tegenstrijdige overheidsbeleid. Landbouwers werden in het verleden door de overheid verplicht om hun stallen dicht bij de bedrijfswoning te bouwen, om afsplitsing en verkaveling te voorkomen. Nu wordt diezelfde nabijheid aangewend om hun vergunning te weigeren of te bemoeilijken. Dat is een juridisch en moreel onhoudbare situatie. Minstens even zorgwekkend vindt hij het fenomeen van ‘fermettisering’ en de druk vanuit woonuitbreidingsgebieden. Omwonenden die bewust een eigendom kopen in of aanpalend aan agrarisch gebied, of die er komen wonen nadat het bedrijf al decennia actief is, kunnen met geurklachten en juridische procedures de levensvatbaarheid van legale landbouwbedrijven ondergraven.

Perspectief behouden
Brouns zegt dat bij de voorgenomen herwerking van het geurbeoordelingskader vertrokken wordt vanuit 2 principes.
Er wordt rekening gehouden met de inspanningen die landbouwers de voorbije jaren al hebben geleverd, onder meer op het vlak van emissiereductie. Het kan volgens hem niet de bedoeling zijn dat bedrijven die fors hebben geïnvesteerd, bijvoorbeeld in het kader van het stikstofbeleid, vandaag opnieuw in de problemen komen door een cumulatie van normen en toch nog eens bijkomend het aantal dieren moeten verminderen.
Ten tweede moeten bijkomende maatregelen steeds technisch én economisch haalbaar zijn. Er dient voorkomen te worden dat bedrijven in een situatie gebracht worden waarin ze geen perspectief meer hebben. Dat betekent concreet dat gewerkt wordt aan een kader dat meer rechtszekerheid biedt voor bestaande bedrijven, dat rekening houdt met reeds gedane investeringen en dat vermijdt dat bedrijven onbedoeld in een onmogelijke positie terechtkomen.
Ruimtelijke context
Daarnaast zal ook de ruimtelijke context explicieter worden meegenomen. De problematiek van zonevreemde bewoning speelt hier een belangrijke rol. Minister Brouns zegt dat het niet kan zijn dat nieuwe ontwikkelingen in de omgeving de bestaande landbouwactiviteit onder druk zetten. “De stadsjongen die op het platteland komt wonen, moet respect hebben voor de zone-eigen activiteiten.” Daarom laat Brouns onderzoeken hoe men in het vernieuwde kader kan vermijden dat nieuwe, zonevreemde woonfuncties automatisch doorwerken in de beoordeling van de geurimpact op de bestaande landbouwbedrijven.
Wat vragen over de verplichte elektronische monitoring aangaat, is het belangrijk om deze maatregel correct te kaderen. De elektronische monitoring is geen geurmaatregel, maar een instrument om de correcte werking van luchtzuiveringssystemen te garanderen, met het oog op ammoniakreductie. Armos, het internetloket, en de bijhorende elektronische monitoring, hebben tot doel de werking van luchtzuiveringssystemen objectief en continu op te volgen. Uit eerdere controles bleek dat de opvolging door exploitanten vaak onvoldoende was. Daardoor werd de beoogde reductie van ammoniakemissies niet altijd gehaald of gegarandeerd. Elektronische monitoring zorgt voor een transparante gegevensstroom en maakt het mogelijk om afwijkingen of een gebrekkige werking tijdig te detecteren. Om de investeringskost te verlichten, wordt steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) voorzien, zodat landbouwbedrijven financieel ondersteund worden bij de invoering van deze monitoring.





