Nieuwe handhavingsregels in het omgevingsrecht: Wat moet de landbouwer weten?
Sinds 1 april 2026 gelden nieuwe regels voor toezicht, controle en sancties in het Vlaamse omgevingsrecht. Deze nieuwe regels zijn gebundeld in het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving (hierna ‘KVH’), dat samen met andere regelgeving het speelveld ingrijpend wijzigt voor landbouwers en hun adviseurs. We vatten de belangrijkste punten samen.

Vanaf 1 april 2026 is het KVH de nieuwe standaard voor het omgevingsrecht geworden, zowel op het vlak van onder meer stedenbouw als van milieu, erfgoed, enzovoort. De Vlaamse decreetgever voert hiermee één uniform pakket aan procedures in voor toezicht, sanctionering en herstel, ondersteund door een centrale digitalisering via het Vlaams Handhavingsplatform.
De Vlaamse overheid voert dit nieuwe systeem in omdat ze efficiënter toezicht wil houden op de naleving van milieuregels en omgevingsvergunningen, zonder de rechten van de betrokkenen uit het oog te verliezen. Het KVH vervangt het Kaderdecreet Bestuurlijke Handhaving uit 2019. Al wie een omgevingsvergunning of andere milieuverplichtingen heeft, valt voortaan onder dit nieuwe systeem.
Alles start bij toezicht
Om de miskenning van regels inzake milieurecht, stedenbouw, erfgoed enzovoort te kunnen handhaven, moet er een kader zijn dat vastlegt hoe bevoegde ambtenaren toezicht kunnen houden op de correcte naleving van al deze regels inzake omgevingsrecht. Het KVH omschrijft toezicht als elk nagaan van de naleving van Vlaamse regelgeving, dus ook landbouw- en milieuregelgeving. Het KVH legt duidelijk vast wat deze toezichthouders wel en niet mogen. We lichten een aantal zaken nader toe die voor de landbouwsector belangrijk zijn.
Toezichthouders mogen controles uitvoeren op uw bedrijf, monsters nemen, dieren onderzoeken en technische systemen inspecteren (Art. 15 KVH). Ze mogen goederen tijdelijk meenemen voor onderzoek (maximaal 3 weken) en indien nodig het gebruik van bepaalde installaties of dieren tijdelijk verbieden (Art. 15 KVH). Als zij onregelmatigheden vermoeden, kunnen zij een opsporingsonderzoek starten (Art. 9 KVH). Toezichthouders mogen ook waarschuwingen en raadgevingen geven vóór er verdergaande sancties volgen (Art. 10 KVH).
Toezicht kan dus uitmonden in opsporing. Opsporing wordt door het KVH gedefinieerd als de handelingen die ertoe strekken misdrijven of inbreuken, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen, met het oog op het verzamelen van gegevens die dienstig zijn voor de strafrechtelijke of bestuurlijke vervolging en die herstel- of beveiligingsbeslissingen kunnen ondersteunen. Toezichthouders kunnen in het kader van de opsporing onder meer overgaan tot het verhoor van verdachten van misdrijven en inbreuken volgens de regels die gelden in strafzaken.
Handhaving ingeval van schending van een regel
Indien de toezichthouder een inbreuk vaststelt, start het eigenlijke handhavingstraject. Daarbij is het van belang te vermelden dat er 3 soorten inbreuken zijn. Vooreerst zijn er de misdrijven, dit zijn overtredingen die strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. Vervolgens zijn er de inbreuken, dit zijn de overtredingen die enkel bestuursrechtelijk gesanctioneerd worden. En tot slot zijn er de zogenaamde normschendingen, specifieke verboden gedragingen die uitdrukkelijk zo worden omschreven, ook zonder misdrijf of inbreuk te zijn.
Nadat de toezichthouder een proces-verbaal van een overtreding heeft opgemaakt en het heeft overgemaakt aan de Procureur des Konings, beschikt deze over een vaste termijn van 3 maanden na de ontvangst van het proces-verbaal om de beboetingsinstantie op de hoogte te brengen van het voornemen om een misdrijf strafrechtelijk af te handelen. Die termijn kan verlengd worden tot maximaal 1 jaar. Het uitblijven van dergelijke kennisgeving geldt als (stilzwijgende) seponering.
Strafrechtelijke afhandeling of bestuurlijke sanctionering
Indien de Procureur des Konings beslist om de pleger van een inbreuk op de milieuregelgeving te vervolgen voor de strafrechter, kan er geen bestuurlijke vervolging meer plaatsvinden. Omgekeerd kan de beboetingsinstantie na een al dan niet stilzwijgende seponering beslissen tot bestuurlijk sepot, bestuurlijke vervolging of ook tot het vervolledigen van het bestuurlijke sanctiedossier. Zowel in geval van strafrechtelijke afhandeling of bestuurlijke sanctionering riskeert de pleger van een milieumisdrijf ernstige sancties. Hoe deze sancties opgelegd kunnen worden en hoe de vervolgde landbouwer zich kan verweren, is het voorwerp van een volgende bijdrage.





