Lode Ceyssens: Grachtenkaart van VMM is kladwerk
De grachtenkaart van de Vlaamse Milieumaatschappij is kladwerk. En die kaart zet de deur open voor nieuwe reglementering voor de landbouw, die gebaseerd zal zijn op die kaart. Dat vertelde Lode Ceyssens, voorzitter van Boerenbond, in het paneldebat op de Vlaamse Rioleringsdag in Antwerpen.

De Vlaamse Rioleringsdag zette dit jaar naast de besturen en de burgers ook de boeren in de spotlights. Meer droogte in de zomers, meer overstromingen in de andere seizoenen, het zijn punten die - samen met de waterkwaliteit - de landbouw zeker raken. Op het congres was de centrale vraag wat burgemeesters kunnen doen voor een waterbeleid dat werkt voor burgers, boeren en natuur.
Vlaams minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns (cd&v) kwam in zijn openingstoespraak op de Vlario-dag nog kort terug op de 500 miljoen euro extra die de Vlaamse regering vorig jaar heeft uitgetrokken om de steden en gemeenten financieel te helpen bij de aanleg en heraanleg van rioleringen. “Ik ben blij dat we in budgettair moeilijke tijden daarin toch hebben kunnen doorpakken”, zei de minister.
Sponscapaciteit verbeteren
“Over de Blue Deal zeggen sommigen dat het een goed plan is, maar dat er te weinig geld voor uitgetrokken is. Dat zie ik als een aanmoediging”, gaf de minister nog mee. “We moeten de sponscapaciteit van onze bodems nog verbeteren, terwijl Europa zegt dat we daar nu al een voorloper in zijn. We doen dat niet vanuit een ivoren toren in Brussel, maar samen en van onderuit, via de gebiedscoalities.”
Hij pleitte op de Vlariodag voor meer doelregelgeving. “Niet de procedure – het hoe – telt, wel dat het doel gehaald wordt. Inzake de Europese regels om mens en milieu te beschermen moeten we de doelen niet in vraag stellen, wel of we met de bestaande regels het doel bereiken. Als we ergens grondwater oppompen en daar zit een PFAS-vervuiling bij, dan kunnen we dat tot een bepaalde graad zuiveren en dan teruggeven aan het water of de bodem. Dan hebben we een verbetering gerealiseerd, een systemische vooruitgang”, gaf minister Brouns daarbij als voorbeeld.
‘Carbon farming’
Tim Hofman, algemeen directeur van de gemeente Sint-Lievens-Houtem, maakte een analyse van de hemelwater- en droogteplannen in de regio van de Vlaamse Ardennen. “Zowat alle gemeenten hebben die plannen opgesteld, omdat dat een voorwaarde is voor het bekomen van subsidies voor rioleringen. Ik zie in die plannen veel aandacht voor ontharding, bijvoorbeeld van speelplaatsen of begraafplaatsen. Voor de bewoners is er vaak sensibilisering en een aanzet naar bijvoorbeeld geveltuintjes in het voetpad. Inzake erosiebestrijding is er veelal aandacht voor erosiepoelen, hakseldammen, grasstroken, enz. Ook carbon farming wordt in dergelijke plannen aangeduid als techniek om meer hemelwater te laten infiltreren. Er is een trend om landbouw te koppelen aan waterbeheer. Meestal neemt men in de Vlaamse Ardennen dan erosie in het vizier, maar soms gaat dat ook over de aanleg van nieuwe baangrachten”, duidde Tim Hofman.
“Voor droogtebestrijding hebben gemeenten zelden een afdoend budget. In de plannen ter zake gaat het vaak over het beheer van de captatieverboden of om acties voor het hergebruik van water”, stelde Hofman. “In al die plannen gaan de meeste miljoenen naar de aanleg van gescheiden rioleringen en veel minder naar erosie, ontharding, bufferbekkens of droogtebestrijding. Het gaat in de Vlaamse Ardennen dan ook vaak over kleine, landelijke gemeenten, die soms nog achteroplopen inzake hun riolerings- en zuiveringsgraad en waar meer kilometers moeten gemaakt worden naar het dichtstbijzijnde zuiveringsstation”, zei Hofman. Hij pleitte voor een herverdeling van de Vlaamse subsidies en voor het inkorten van de doorlooptijd van rioleringsprojecten. Die ligt momenteel op gemiddeld 8 jaar, van eerste idee tot de spade in de grond.
Het debat op de Vlario-dag tussen Lode Ceyssens van Boerenbond, Barbara Vael van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), Noah Janssen van Natuurpunt en Jurgen Callaerts, voorzitter van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten en parlementslid en burgemeester van Rumst voor N-VA verliep vriendelijk, maar toch geanimeerd.
Impact van grachtenkaart kan groot zijn
Een eerste strijdpunt van de landbouwsector in het grotere verhaal van afwatering en waterkwaliteit is de grachtenkaart die de VMM recent introduceerde. Die is gebaseerd op historische bronnen, luchtbeelden en artificiële intelligentie. Melkveehouder Luc Callemyn mocht in een videoboodschap vertellen welke impact die grachtenkaart kan hebben op zijn bedrijf. De grachtenkaart is voor hem een combinatie van wensbeelden en bronnen die niet altijd de werkelijke situatie weergeven. Hij vreest dat er nieuwe ‘waterelementen’ zullen gecreëerd worden, die op het einde van de rit zullen zorgen voor akkerzones waar niet langer geteeld en bemest mag worden of die niet langer bewerkt mogen worden. In een andere videoboodschap vertelde Jan Staes van de Universiteit Antwerpen dat er vroeger te veel grachten waren. Toen was het doel om het hemelwater zo snel als mogelijk af te voeren, terwijl we met het veranderde klimaat vandaag de dag focussen op het vasthouden van water. Het hele watersysteem moet volgens hem herdacht worden.
Noah Janssen van Natuurpunt stelde dat de focus te lang lag op de grote waterlopen en dat er nu ook een plan nodig is voor de ‘haarvaten’, de grachten. “Er moest een instrument komen om mee te kunnen werken en dat is de grachtenkaart”, duidde Janssen. “Die kaart is kladwerk. Eerder een slechte grappenkaart dan een grachtenkaart. Er wordt zelfs niet met een definitie van een gracht gewerkt. De gemeentediensten zijn gefrustreerd, omdat het geen werkbaar instrument is en omdat zij de verantwoordelijkheid krijgen om alles te gaan controleren. Zowat alles is volgens die kaart een gracht. Zelfs zonnepanelen op het dak van een bedrijfsgebouw of de stroken van de beddenteelt in Sint-Katelijne-Waver zijn aangeduid als gracht. Dat kan je toch niet ernstig nemen?”, vroeg Lode Ceyssens zich af.
Kaart wordt
basis voor bijkomend beleidDe voorzitter van Boerenbond ziet nog meer naderend onheil. “Dit is een heel voorspelbare tactiek. Men begint met een kaart waarvan men eerst volhoudt dat die zuiver informatief is en die uitmondt in verordeningen, reglementen en controles. Die aanpak hebben we in de landbouw al genoeg meegemaakt, met de boskaart en de overstromingskaart.”
Ook volgens Jurgen Callaerts heeft de grachtenkaart van de VMM problemen. “Zoals ze werd aangeboden, is het geen werkbaar instrument, omdat er te veel fouten in zitten. Gemeenten hebben niet de middelen, de tijd of het personeel om dat allemaal te gaan controleren. Gemeenten krijgen steeds meer taken toegeschoven zonder dat er middelen bij komen. Het controleren van een kaart met fouten van een hogere overheid staat niet in elke gemeente hoog op de prioriteitenlijst”, stelde Callaerts.

Kaart heeft veel losse eindjes
Barbara Vael van de VMM gaf toe dat de grachtenkaart nog heel wat losse eindjes heeft. “We moeten ergens beginnen. Er bestond nog geen grachtenkaart. We werken met onder meer AI en een hoogtemodel van 2013, maar zo’n kaart is nooit 100% juist. Daarvoor hebben we de lokale kennis nodig. Nog maar 7 gemeenten hebben gemeld dat ze klaar zijn met de controle van de grachtenkaart op hun grondgebied. Alle andere gemeenten hebben in principe nog tijd tot eind 2029”, zegt Barbara Vael. Voor Noah Janssen moet de grachtenkaart een dynamisch instrument worden. “We moeten kijken welke grachten beter afgeschaft worden – om water meer kansen te geven om in de bodem te dringen – en waar er grachten moeten bij komen. Maar om een plan te maken, hebben we eerst een overzicht en dus een kaart nodig.”
Als het gaat over stikstof in de gracht stelt Ceyssens dat de landbouw daarin zijn verantwoordelijkheid al genomen heeft, onder meer met de verschillende mestactieplannen. “Stikstof in de gracht is een collectieve verantwoordelijkheid. We moeten niet uitsluitend kijken naar de landbouw, maar ook naar bijvoorbeeld het effluent van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of naar overstorten en naar de beste plaats van de meetpunten”, zegt hij. Noah Janssen van Natuurpunt begrijpt de frustratie van sommige landbouwers. “Ze houden zich aan de regels en toch zijn de resultaten in waterkwaliteit niet goed. We moeten evolueren naar werkbare oplossingen en met kleine maatregelen resultaten boeken.”
Duidelijkheid en voorspelbaarheid
In een volgende videoboodschap vertelde landbouwer Pascal van Hoof dat hij al investeerde in stuwen op grachten en in aangepaste machines, maar dat hij zekerheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid mist in het beleid. “Elke landbouwer wil mee aan de kar trekken om meer water vast te houden in de bodem, maar zeg ons in wat we moeten investeren”, vatte hij het samen. Ceyssens voegde daaraan toe dat de overheid in het verleden niet altijd een betrouwbare partner is gebleken. De andere partijen repliceerden dat door de klimaatverandering sneller dan verwacht extra maatregelen nodig zijn en dat ook de overheid geen glazen bol heeft. “Overstromingen en droogte kunnen we niet altijd voorspellen. We kunnen er wel aan werken om het systeem weerbaarder te maken, om beter voorbereid te zijn. Die weg is lang en we vorderen daarin traag. Er is een versnelling nodig”, besloot Barbara Vael van de VMM.
Aansluitend belichtte Sara Garré van het ILVO op deze Vlario-dag het hele traject voor het plaatsen en beheren van 53 stuwen voor een klimaatrobuuste landbouw in de gemeente Sint-Gillis-Waas. Daarna vertelde Raf Bellers van Fluvius over de situatie van de overstorten en mocht Hanne Vandewaerde uitleggen wat de rol is van de Regionale Landschappen als het gaat over water in het landschap. Patrick Willems, professor aan de KU Leuven en voorzitter van Vlario, vatte samen wat er moet gebeuren met water in de open ruimte: meer opslaan in de bodem, minder verliezen en minder verbruiken. “Dat lukt enkel als het beleid voor iedereen duidelijk en voorspelbaar is en als alle betrokken partijen ontzorgd worden.”
Label voor sponsgemeenten
Aansluitend werd op de Vlario-dag het label ‘sponsgemeente’ voorgesteld. Het label toont welke steden en gemeenten hun grondgebied aanpassen aan een nieuw klimaat en water opnieuw ruimte geven om te blijven waar het valt.





