Aardvlooien in vlas vragen extra waakzaamheid
Het zomervlas is gezaaid en ook dit jaar zijn er aardvlooien waargenomen. Tot een gewashoogte van 5cm is waakzaamheid nodig, bemerken ze bij het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG).

Nog voor het vlas volledig boven is, kan al schade optreden. In het beginstadium is waakzaamheid nodig om tijdig in te grijpen. Jonge vlasplanten zijn in de eerste groeifase bijzonder kwetsbaar voor vraatschade door aardvlooien. Zodra het gewas 5 à 10 cm hoog is, daalt het risico op ernstige schade sterk.
Deze insecten worden niet alleen gesignaleerd in het vlas, maar kunnen ook schade brengen in kolen, koolzaad en bieten. De uitdaging bestaat er dus in om de planten zo snel en uniform mogelijk door deze eerste groeiperiode te loodsen.
Verhoogde risico’s
Volgende factoren kunnen zorgen voor een verhoogde kans op aardvlooien op uw perceel:
Grof klaargelegd zaaibed: Een kluiterig zaaibed biedt schuilplaatsen voor aardvlooien. Een fijn en egaal zaaibed vermindert hun overlevingskansen en bevordert een snelle en uniforme opkomst.
Trage opkomst en jeugdgroei: Bij koude, droge of natte omstandigheden blijft het vlas langer in een gevoelig stadium. Zaaien onder ideale omstandigheden (temperatuur, vocht) verhoogt de groeisnelheid en verkleint het risico op schade.
Aanwezige landschapselementen: Struiken, bomen, houtkanten of perceelsranden met een strooisellaag vormen overwinterings- en schuilplaatsen voor aardvlooien, waardoor de druk op aangrenzende percelen groter is.
Nabijheid van wintervlas: Besteed extra aandacht aan perceelsranden waar zomervlas grenst aan wintervlas. Vanuit wintervlas kan een sterke migratie van aardvlooien optreden, wat lokaal tot hogere schade leidt.
Ongelijkmatige of dubbele opkomst: Percelen met een gespreide of dubbele opkomst blijven langer kwetsbaar, omdat jonge plantjes voortdurend aanwezig zijn. Dit verlengt de aantrekkelijkheid van het perceel voor aardvlooien.
Warme en droge weersomstandigheden na opkomst: Aardvlooien zijn actiever bij warm en droog weer, wat de vraatschade kan versnellen.
Vroege zaai: Dit kan samenvallen met de eerste activiteit van aardvlooien, waardoor jonge planten extra risico lopen.
Erkende middelen
De meeste erkende insecticiden in vlas hebben een contactwerking. Voor deze producten zijn de volgende aandachtspunten belangrijk bij het toepassen van deze middelen. Behandel als de aardvlooien aanwezig zijn (product moet in contact komen met de insecten). De aardvlooien zijn het actiefst bij zachte temperaturen en bij zonnig weer. Best niet te behandelen bij veel wind en/of regen.
Gebruik voldoende water om een goede contactwerking te verkrijgen. Behandel niet tijdens het warmste moment van de dag, vooral wanneer het te warm en te droog is.
Vaak wordt meer dan 1 behandeling toegediend. Denk eraan om te variëren in actieve stoffen om resistentie te vermijden. Middelen op basis van de actieve stof acetamiprid hebben naast een contactwerking ook een systemische werking.
Levenscyclus van de aardvlo
Wanneer in het voorjaar de temperatuur stijgt tot 12–14 °C, worden de overwinterende aardvlooien actief. De volwassen insecten komen dan uit de grond en voeden zich met de jonge blaadjes en groeitoppen van het vlas.
Tijdens het groeiseizoen ontwikkelt zich vervolgens een nieuwe generatie aardvlooien. Vanaf april-mei worden de eitjes in de bodem afgezet, waarna de larven zich ontwikkelen. Deze tweede generatie volwassen insecten verschijnt vervolgens in de zomermaanden. Het is echter nog onduidelijk waar de larven vooral worden afgezet: op het perceel zelf of eerder in specifieke omgevingen zoals struiken of graskanten.
Vanaf oktober trekken de aardvlooien zich als volwassen kevers terug naar hun overwinteringslocaties. Er is nog niet veel gekend over deze fase maar er wordt aangenomen dat de kevers vervolgens een pauze doormaken om in het voorjaar opnieuw actief te worden.
Monitoring en onderzoek in Vlaanderen
In het kader van het Vlaio LA project ‘IPM aardvlooien: systeemgerichte aanpak van aardvlooien’ wordt getracht om de levenscyclus van de aardvlo in kool- en vlasteelten in kaart te brengen om op basis van deze kennis een duurzaam, systeemgericht beheersingskader te ontwikkelen. Door inzicht te verwerven in de verspreiding, activiteit en kwetsbare fasen van deze plaag, wil het project telers ondersteunen in het anticiperen op een probleem dat de laatste jaren duidelijk aan belang wint.
In Vlaanderen worden sinds 2024 jaarlijks 10 percelen gemonitord (4 wintervlas en 6 zomervlas) via verschillende monitoringstechnieken zoals: plakvallen, vangschalen, uitsluipvallen en bodemstalen. Op die manier brengen we de cyclus en overwinteringsplaatsen van deze insecten in beeld. Uit de intensieve monitoring de afgelopen 2 jaar blijkt dat in vlas voornamelijk 2 soorten voorkomen. Namelijk de kleine vlasaardvlo (Longitarsus parvallus) en de vlasaardvlo (Aphtona euphorbiae). Dit zijn andere soorten dan die typisch voorkomen in kool- of koolzaadteelten.
Praktijkproef en toekomstgericht onderzoek
Naast monitoring loopt dit seizoen ook een veldproef bij Inagro om de werking van verschillende beheersingtechnieken en -producten te testen, waaronder biocontroleproducten. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar aantallen aardvlooien, maar ook naar de effectieve schade op perceelsniveau.





