Heb ook aandacht voor bladluizen, graanhaantje en aarfusarium in wintertarwe
In wintertarwevelden heeft het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG) gemerkt dat het aarstadium dichterbij komt. Om die reden vestigen ze ook eens de aandacht op bladluizen, graanhaantje en aarfusarium.

Net geen derde van de waarnemingspercelen (31%) bevond zich rond 12 mei nog in de fase van de stengelstrekking: nog enkele waren in stadium 33 (derde knoop), 13% in stadium 37 (laatste blad zichtbaar) en 11% in stadium 39 (laatste blad volledig ontrold). Ongeveer 63% bevondt zich toen in de fase van de aarzwelling. Bij het merendeel van deze percelen is de aarzwelling net (20%) of duidelijk zichtbaar (23%), stadium 43 en 45. Op enkele percelen komt de tarwe in aar: gaande van ¼ van de aar zichtbaar (stadium 53) tot de aar die volledig uit is (stadium 59).
Bladluizen en graanhaantje
Op enkele percelen worden al bladluizen en graanhaantje waargenomen. Het graanhaantje heeft ook al eitjes afgelegd. Momenteel vormen geen van beide een probleem of reden tot ingrijpen.
Bij het in aar komen moeten ook de bladluizen worden opgevolgd. De meest gevoelige periode voor schade door bladluizen is de periode vanaf het in aar komen tot het begin van de afrijping van het graan. Vooral in de periode tussen de stadia ‘alle aren uit’ en ‘einde bloei’ kunnen de bladluizen schade aanrichten.
Aarfusarium
Nu verschillende percelen ook al in aar komen, kan er gedacht worden aan de aarbescherming. Het ideale tijdstip om te behandelen is alle aren uit-vroege bloei. Er is enige marge tot midden bloei. Wanneer de aar is uitgebloeid, heeft een behandeling nog weinig zin. Het moment van bloeien is namelijk een toegangspoort voor aarfusarium. Deze groeifase is dus best beschermd.
Voet- en bladziekten
Kijken we nog even terug naar de evoluties van de voet- en bladziekten vorige week, dan gelden deze waarnemingen:
Witziekte blijft minder frequent aanwezig, maar nam toe. Dit zijn veelal geen nieuwe aantastingen maar een uitbreiding op percelen waar eerder al witziekte werd waargenomen.
Bladseptoria gedraagt zich verschillend. Gemiddeld kan gezegd worden dat de situatie eerder stabiel bleef. Terwijl op sommige percelen de bladziekte niet mee opschuift naar de hogere bladlagen is op andere percelen een duidelijke toename waar te nemen. Een behandeling is niet standaard nodig. Voor deze schimmel is het regenachtige weer wel gunstig dus het is nodig om de evolutie ervan en het opklimmen in het gewas op te volgen.
Gele roest blijft uitbreiden. Het is vooral een uitbreiding van bestaande aantastingen. Op meerdere percelen is de behandelingsdrempel bereikt. Een goede opvolging van de situatie blijft nodig.
Bruine roest breidde ook opnieuw verder uit. Opnieuw wordt bruine roest op meer percelen waargenomen en blijkt een verdere toename van bestaande aantastingen. Meerdere percelen hebben de behandelingsdrempel voor bruine roest overschreden. Ook bruine roest moet verder opgevolgd worden.





