Startpagina Schapen

Hoe emissies beperken bij kleine herkauwers?

Op 23 februari 2024 trad het Stikstofdecreet in voege. Dit decreet zal de komende jaren een grote impact hebben op de veehouderij. Veehouders met varkens, rundvee en pluimvee kregen nu al een PAS-referentie 2030 en de verplichting om hun stikstofuitstoot tegen 2030 drastisch te verlagen. Ze kunnen dit doen door ofwel hun dierenaantal te verminderen ofwel door één (of meerdere) maatregelen te kiezen uit de PAS-lijst, een lijst met goedgekeurde emissiereducerende maatregelen. Maar hoe zit dit nu voor schapen- en geitenhouders?

Leestijd : 8 min

Voor de sector van de melkgeiten en -schapen is er momenteel nog geen reductieverplichting van stikstofuitstoot van kracht. Toch zal er ook in deze sectoren al rekening worden gehouden met de stikstofuitstoot bij de aanvraag tot verlengen van een bestaande vergunning en zeker bij het aanvragen van een nieuwe vergunning gericht op bedrijfsuitbreiding. Bovendien vermeldt het Stikstofdecreet dat er – wanneer de natuurdoelstellingen onvoldoende worden behaald –in de toekomst verstrengingen kunnen optreden. In beide gevallen is het problematisch dat er op de PAS-lijst géén enkele goedgekeurde maatregel staat voor de melkgeiten- en (melk)schapensector… Een opgelegde reductie van stikstofuitstoot kan nu dus enkel door het verminderen van het aantal dieren.

In het demoproject dat verder wordt besproken, wordt momenteel bekeken welke maatregelen eventueel in aanmerking komen om op de PAS-lijst te komen voor melkgeiten en schapen. Een belangrijk element in het uitstootgebeuren is dat melkgeiten en -schapen bij ons praktisch allemaal in potstallen worden gehouden. Dat zijn ingestrooide stallen, die af en toe uitgemest worden. Daar is tot op heden heel weinig onderzoek gevoerd naar potentiële emissies, en evenmin naar reducties ervan. Omdat alles momenteel datagestuurd gebeurt, missen we hier ‘data’. Daarnaast is er ook nog wat discussie over de gepaste meettechnieken in een potstalomgeving.

Impact van het Stikstofdecreet op vergunningen

De doelstelling van het Stikstofdecreet is het teveel aan stikstofverbindingen dat in Natura 2000-gebieden (de zogenaamde Speciale Beschermingszones (SBZ) conform de Habitat-richtlijn en de Vogelrichtlijn) in Vlaanderen terechtkomt, te reduceren, om zo tot natuurherstel te komen. Het Stikstofdecreet wil op een structurele manier de stikstofuitstoot van de grootste bronnen – de industrie, de mobiliteit en de landbouw – in Vlaanderen verminderen en bevat maatregelen om tegen 2030 de uitstoot van stikstofverbindingen te verminderen. Concreet zou de uitstoot van stikstofoxiden (vooral afkomstig uit de industrie en de mobiliteit) en ammoniak (vooral afkomstig uit de landbouw) met respectievelijk 45% en 40% moeten dalen ten opzichte van de uitstoot in 2015.

Een Speciale Beschermingszone heeft een kritische depositiewaarde (KDW). Deze KDW geeft aan hoeveel stikstof in kilogram per hectare per jaar een natuurgebied zonder negatieve gevolgen kan verdragen. Bij elke vergunningsaanvraag wordt de ‘impactscore’ van een (landbouw)bedrijf berekend.

De impactscore van een bedrijf of een project is de procentuele bijdrage van de (verwachte) stikstof-uitstoot aan de kritische depositiewaarde van het meest stikstofgevoelige habitattype binnen een straal van 20 km. Met een online berekeningstool kan de impactscore van een (bestaand of nieuw op te starten) bedrijf of project worden berekend. Deze score speelt een belangrijke rol bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag:

Als de berekende impactscore lager is of gelijk aan 0,025%, is er geen passende beoordeling nodig. Een dergelijk bedrijf mag binnen het huidige wettelijke kader nog steeds groeien, tot een maximale impactscore van 0,025%.

Als de berekende impactscore hoger is dan 0,025%, is een passende beoordeling wel noodzakelijk. Bij een vergunningsaanvraag wordt er nagegaan of er een negatieve impact van het project op een naburig natuurgebied kan zijn. Dit onderzoek wordt een ‘passende beoordeling’ genoemd. Als de activiteit , waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, schade kan veroorzaken, wordt er geen vergunning verleend.

Emissies van schapen en geiten

Stikstofemissies van de veeteelt betreffen vooral ammoniak. Ammoniak ontstaat wanneer ureum van de urine in contact komt met het enzym urease uit de mest. Dit contact tussen mest en urine ontstaat bij dieren op stal op de stalvloer of in de ‘pot’ (de in de stal opgeslagen stro- en mestlaag), of bij de mestopslag. Twee evidente maatregelen om emissie te beperken zouden dus al kunnen zijn: buitenbeloop op de wei (zodat er geen contact is tussen mest en urine) of/en ervoor zorgen dat er minder ureum in de urine aanwezig is (= de stikstofinhoud van het voeder reduceren). We komen hier verder op terug. Buitenbeloop voor de klassieke melkgeitenbedrijven is evenwel geen evidentie.

Bij de berekening van de ’impactscore ‘ van een bedrijf spelen de emissie per stal en per dier een belangrijke rol.

Met de stikstofemissie van een stal wordt bedoeld hoeveel gasvormige stikstofverbindingen er buiten komen uit de stal en in de omgevingslucht worden verspreid. Deze hoeveelheid is afhankelijk van 2 factoren: de stikstofconcentratie binnen in de stal én het ventilatiedebiet van de stal. Wanneer stallucht een hoge concentratie ammoniakgas bevat, maar erg slecht wordt geventileerd, is de emissie uit deze stal kleiner dan de emissie uit een stal met dezelfde concentratie ammoniakgas met een goede ventilatie.

In het begrip ‘emissiefactor’, wordt het begrip emissie dan weer gebruikt om de hoeveelheid ammoniakgas dat door een dier per jaar wordt geproduceerd aan te duiden. Zoals je kan zien in tabel 1, is het cijfer voor schapen laag, omdat er hier al van uitgegaan wordt dat ze 9 maanden per jaar buiten lopen.

21-Emissiefactoren ammoniakemissie van schapen en geiten

Hoe kunnen we deze emissies nu reduceren?

Als we de impactscore van een bedrijf op de natuur willen verlagen, moeten de emissies per stal of/en per dier naar beneden. Een eerste vraag daarbij is: welke maatregelen zijn mogelijk in een potstalomgeving? En om op de PAS-lijst te komen en officieel aanvaard te worden, moeten de reductieresultaten stabiel zijn en meetbaar/controleerbaar.

Met het demonstratieproject ‘Een toekomstbestendige melkgeiten- en melkschapenhouderij. Het kan!’ willen de Vlaamse Schapenhouderij (VSH vzw) en Animal Welfare Solutions (AWS), met steun van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij en de Europese Unie, samen met de professionele melkgeiten- en -schapensector op zoek gaan naar haalbare en effectieve stikstofreducerende maatregelen. Dit gebeurt/zal gebeuren door discussiemomenten, webinars en (binnen- of buitenlandse) studiereizen te organiseren. Ook de praktische haalbaarheid en de betaalbaarheid van mogelijke maatregelen of technieken zal de nodige aandacht krijgen. Het project is gestart op 1 oktober 2024 en loopt tot en met 30 september 2026.

Mogelijke reductiemaatregelen

Nieuwe stalconstructies Een eerste maatregel die kan genomen worden door melkgeiten en -schapenhouders is het oprichten van nieuwe stalconstructies weg van de potstal, met scheiding van mest en urine, via roostervloer en specifieke ingrepen in de mestkelder. Dat is in de melkveehouderij al courant. Een onderzoeker van WUR heeft omver 3 nieuwe stalconstructies in het kader van dit project al in een webinar toelichting gegeven.

Vernevelen van micro-organismen Een andere mogelijke maatregel is het vernevelen van micro-organismen in de stal. De bedoeling daarvan is om de ammoniakconcentratie in de stallucht naar beneden te halen en om tegelijk ook de geur naar de buitenomgeving te reduceren. Over dit thema organiseerde de projectpartners op 21 mei in Beveren-Waas een studienamiddag, waar ervaringen van Belgische en Nederlandse geitenhouders met dit systeem worden gedeeld.

Gebruik van zeolieten Het is ook mogelijk om zeolieten te gebruiken, hetzij op het strooisel, hetzij in de voeding. Zeolieten zijn kristalvormige mineralen met openingen in de structuur, waarmee ze ammonium kunnen binden. Er zijn ondertussen diverse projecten die deze toepassingen bestuderen (project ‘Zeogoat’ van het ILVO). In dit project werd hierover een webinar georganiseerd met Karen Goossens. Anderzijds staat een studienamiddag gepland op donderdag 25 juni op het bedrijf van Renaat Devreese in De Haan, waar ervaringen zullen worden gedeeld. (info op www.vsh.be of info@vsh.be ). Zeoliet heeft impact op de emissies, maar tot hiertoe zijn de resultaten niet altijd even stabiel.

Periodisch wordt een suspensie met micro-organismen verneveld in de stallen.
Periodisch wordt een suspensie met micro-organismen verneveld in de stallen. - Foto: AC

Eiwitgehalte in krachtvoeder reduceren Een andere mogelijke maatregel is de reductie van het eiwitgehalte in het krachtvoeder van melkgeiten en melkschapen. Hier richt men zich op de drievoudige relatie tussen eiwit in het krachtvoeder in relatie tot het ureumgehalte in de melk en in de urine. Minder ureum in de urine betekent minder ammoniak-emissie. De bepaling van het ureumgehalte in de melk zou als controlemaatstaf kunnen gebruikt worden om deze maatregel te onderbouwen. Belangrijk is dat bij reductie van het eiwitgehalte in het krachtvoeder (lager dan bijvoorbeeld 18%), de melkproductie niet mag teruglopen, althans niet wat het gewicht aan geproduceerd vet en eiwit betreft. We zagen vanuit Nederland beloftevolle cijfers hieromtrent, maar dat was een initiatief van een privébedrijf en deze cijfers worden momenteel niet openbaar gemaakt. Hier zou onderzoeksmatig dringend werk moeten van gemaakt worden om dit uit te diepen.

Installatie van een luchtwasser Een laatste mogelijke maatregel is het installeren van een luchtwasser. Melkgeiten en melkschapen worden momenteel in potstallen gehouden met natuurlijke ventilatie. Om via een luchtwasser/biofilter alle stallucht te zuiveren, moet er naar een gesloten stalopstelling geëvolueerd worden. Deze toepassing bestaat al op een beperkt aantal bedrijven. Een belangrijk element hier is: wat is de impact van alles potdicht maken op het stalklimaat en op het welzijn van dieren en mensen in de stal?

Alarmerend is wel dat bijvoorbeeld enkele jaren geleden een uitbreidingsaanvraag van een geitenbedrijf, dat na installatie van 2 biologische luchtwassers en na de uitbreiding minder ammoniak zou uitstoten dan voordien, in hoger beroep geweigerd werd. Dit gebeurde ondanks het feit dat in het besluit aanvaard wordt dat luchtwassers de ammoniakemissie met 70% reduceren en met als weigeringselement dat de luchtwassers momenteel niet op de PAS-lijst staan voor geitenbedrijven. Noem dit maar een dubieuze motivatie! Er wordt altijd wel een stok gevonden om een hond te slaan natuurlijk, maar dit illustreert dat om melkgeiten- en melkschapenbedrijven toekomstkansen te geven, maatregelen op deze PAS-lijst moeten komen. Het is echter een vicieuze cirkel: geen vergunning betekenst geen installaties. Dat betekent geen meetcampagnes en dit zorgt voor ontmoedigde constructeurs.

Hoe kunnen maatregelen op de PAS-lijst komen?

Om maatregelen op de PAS-lijst te krijgen betreffende een bepaald stalsysteem of een luchtzuiveringssysteem, moet een vrij omstandige procedure doorlopen worden. Eerst moet een meetplan voorgelegd en goedgekeurd worden. Nadien worden metingen uitgevoerd. Het meetrapport moet minstens de ammoniakemissiefactor van het stalsysteem in kwestie bewijzen, of, in geval van een luchtzuiveringssysteem, minstens het ammoniakemissiereductiepercentage van het luchtzuiveringssysteem in kwestie bewijzen. Dat gebeurt rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke inzichten en evoluties. Onder strikte voorwaarden kunnen eventueel ook gelijkgestelde metingen van externe bron aanvaard worden. De hierbij betrokken instanties zijn het Administratief Team en WeComV en het is finaal de minister die beslist over opname op de lijst.

Dat is al bij al een lange en tijdrovende procedure, die omwille van de uit te voeren en wetenschappelijk te onderbouwen metingen ook nog behoorlijk wat centen kost.

Besluit

De bedoeling van het demoproject dat we vermeldden, is de mogelijke technieken, die voor melkgeiten- en melkschapenbedrijven zouden kunnen in aanmerking komen om op de PAS-lijst te komen, te evalueren en de meest geschikte in beeld te brengen. Daar wordt de volgende maanden aan gewerkt. De volgende stap om bepaalde maatregelen dan naar de PAS-lijst toe te brengen, moet navolgend gezet worden, mits hiervoor tijd en financiële middelen kunnen uitgetrokken worden. Voor het voortbestaan van de sectoren melkgeiten en -schapen is de erkenning van ammoniakreducerende maatregelen echter belangrijk, en als meegaand geurhinder en emissie van fijn stof kunnen gereduceerd worden, slaan we meerdere vliegen in één klap.

André Calus

Lees ook in Schapen

Tips inzake voeding en kraamstal en mogelijke problemen voor de geboorte

Schapen Op sommige bedrijven zijn de eerste lammeren al geboren, maar voor de meeste bedrijven vinden de geboorten plaats tussen half februari en april. De geboorteperiode is de meest delicate, maar ook de belangrijkste periode voor een schapenbedrijf. Het aantal lammeren is bepalend voor de rentabiliteit, maar het moeten wel levende en finaal verkoopbare lammeren zijn. In dit artikel hebben we het over de voorbereiding van de aflamperiode.
Meer artikelen bekijken