Startpagina Melkvee

Alles over biest nog eens op een rijtje

Tijdens de jaarlijkse Binnen(ste)Buiten-studiedag op de Hooibeekhoeve in Geel gaf Sarah Lievens van het ILVO een update over het BiestBoost-project. Dat was meteen een interessante opfrissing over biestmanagement.

Leestijd : 5 min

Voor het BiestBoost-project worden 25 melkvee- en vleesveehouders gevolgd die meer inzicht willen krijgen in hun biestmanagement en die willen weten hoe het gesteld is met de passieve im-muniteit van hun kalveren. Zo willen de onderzoekers een beter beeld krijgen van bedrijfsspecifieke en sectorbrede knelpunten in het biestmanagement, met als doel de gezondheid van de kalveren te verbeteren. Het project loopt nog. Op de definitieve resultaten moeten we nog wat wachten, maar de voorlopige inzichten zijn een leerzame herhaling voor iedereen in de sector.

Eerste melk na het kalven

Eerst de theorie. Kalveren worden geboren zonder antistoffen of immunoglobulines, waardoor ze bij de geboorte heel kwetsbaar zijn voor infecties. Die stoffen zitten – samen met mineralen, vitaminen en groeifactoren – in de biest, de eerste melk die de koe geeft na de kalving. Zo snel als mogelijk na de kalving moet daarom een voldoende volume van kwalitatieve biest verstrekt worden om bijvoorbeeld diarree, luchtweginfecties en sterfte te voorkomen.

De biest moet zo snel mogelijk na de kalving worden verzameld. Het antistofgehalte in de biest daalt elk uur dat het melken wordt uitgesteld. De uier en spenen van de koe en de handen van de melker (bij handmatig melken) moeten grondig gereinigd worden en de biest moet in een gereinigde en gedesinfecteerde recipiënt opgevangen worden. Een goede hygiëne is belangrijk, omdat de effectiviteit van de antistoffen kan verminderen bij een slechte hygiëne.

Het is belangrijk om de antistofconcentratie in de biest te meten om te bepalen hoeveel liter biest het kalf nodig heeft. De refractometriemethode (lichtbrekingsindex) wordt vaak gebruikt, waarbij voor melkvee een Brix-waarde van meer dan 22% (± 50 g IgG/l) wordt beschouwd als goede kwaliteit. Ook met een densiteitsmeting van de biest kan je een idee te krijgen van het IgG-gehalte.

Binnen de 24 uur

Bij het toedienen van biest zijn de eerste 24 uur belangrijk. Vanaf 4 uur na de geboorte beginnen de darmen zich voor de antistoffen te ‘sluiten’, om volledig gesloten te zijn na 24 uur. In die eerste 24 uur moet het kalf 2 tot 3 keer biest toegediend krijgen. Als een kalf weinig of geen biest wil drinken na de geboorte, kan men het kalf sonderen. Dit wordt uitgevoerd met een flexibele slokdarmsonde op een staand of liggend kalf.

Ook de melk van de tweede tot en met de zesde melkbeurt na het kalven (transitiemelk) heeft gunstige effecten op de darmontwikkeling en de persistentie van het antistofgehalte in het bloed. Wanneer een koe, ondanks een goed droogstandsmanagement, biest van mindere kwaliteit produceert, kan die nog gebruikt worden om verlengd biest te geven ter preventie van diarree. De antistoffen worden dan niet meer opgenomen in de bloedbaan, maar ze oefenen wel nog een lokaal beschermend effect uit.

Dat is de theorie. In de praktijk geven rundveehouders aan dat ze problemen ondervinden bij de praktische toepassing van de ‘gouden standaard’ inzake biest. Die gouden standaard omvat de 5 V’s: veel, vaak, vlug, veilig en vers. Het falen situeert zich op 3 niveaus: de productie van biest (bij de koe), de inname van de biest door het kalf en de absorptie van biest door het kalf. Er worden onvoldoende antistoffen overgedragen en dat kan leiden tot meer ziektes of sterfte.

Verschillen tussen vleesvee en melkvee

Uit het volgen van de 25 rundveehouders komen enkele logische zaken naar voren. Vleeskoeien geven in volume minder biest dan melkkoeien, met zowat 5,5 l voor melkvee en 2,2 l voor vleesvee. Omdat er bij vleesvee vaker met keizersneden wordt gewerkt – en de veehouder en dierenarts er dus bij zijn op het moment van de geboorte – wordt bij 96% van de vleesveekalveren de biest al na 2 uur gemolken. Bij melkvee ligt dat percentage niet zo hoog. Daar beslist de veehouder soms om onmiddellijk de biest te melken of om te wachten tot de volgende melkbeurt. Langer wachten verlaagt de kwaliteit van de biest.

De droogstand van de koe moet lang genoeg zijn om genoeg volume biest te produceren. Effecten van het seizoen op kwaliteit en volume van de biest zijn er niet bij melkvee. Bij vleesvee ziet men een betere biestkwaliteit in de wintermaanden, omdat die dieren dan op stal staan. Daardoor is er meer controle op wat en hoeveel ze eten. Ook is de biestkwaliteit beter bij een tweede of derde kalving dan bij een eerste kalving. De manier van biest geven (speen of sonde) heeft geen invloed op de kwaliteit ervan. Ook tussen stier- en vaarskalveren werden er inzake biest geen verschillen genoteerd, al zijn er hier misschien enkele bedenkingen te maken. Zo was de prijs voor kalveren gunstig tijdens het onderzoek en hebben sommige veehouders misschien hun gedrag aangepast, omdat ze wisten dat ze ‘gevolgd’ werden.

Pasteuriseren en verrijken

Pasteuriseren heeft geen effect op de antistoffen en kan de opname door het kalf verbeteren. Door het pasteuriseren vermindert de concentratie van pathogenen (E. coli, salmonella...). Bij het melken van de biest met een robot of melkmachine moet men opletten voor Pseudomonas spp-bacteriën in de leidingen. Die vormen biofilms en kunnen zo in de biest terechtkomen. Bij de kalveren zorgt Pseudomonas in biest voor lagere IgC-gehaltes. Dat zorgt voor een slechte overdracht van antistoffen en een verhoogde kans op falen van de overdracht van de passieve immuniteit.

Als verlengde biestgift kan de veehouder gedurende 14 dagen biest toevoegen aan het melkpoeder. Dat biedt een lokale bescherming tegen diarree en pneunomie, zorgt voor een hoger lichaamsgewicht en zorgt ervoor dat de kalveren minder lang ziek zijn. Biest van lage kwaliteit (Brix-index lager dan 22) kan verrijkt worden met gevriesdroogde biest. Het verrijken van biest tot een Brix-index hoger dan 22 heeft geen invloed op de opname van stoffen door het kalf.

Meten is beter dan buikgevoel

Sarah Lievens waarschuwt rundveehouders ervoor om inzake biest niet te veel voort te gaan op hun buikgevoel. “Wat je meet in de biest, komt vaak niet overeen met wat je verwacht op basis van je eigen ervaring.”

Over het kalf bij de koe houden meteen na de geboorte waren de meningen in de zaal verdeeld. Tegenargumenten zijn onder meer het risico op doodliggen of dat het pasgeboren kalf een trap krijgt. Bovendien heb je er dan geen zicht op wanneer of hoeveel biest het kalf effectief drinkt of van welke kwaliteit die biest is.

Sarah Lievens had in Geel enkele afsluitende tips voor rundveehouders. De eerste melkbeurt moet zo vroeg mogelijk gebeuren en met materiaal dat grondig gereinigd is. De koe moet volledig uitgemolken worden (wat het kalf niet opdrinkt, kan bewaard worden). De biest moet snel gekoeld worden tot 4 °C of lager of moet ingevroren worden. Het ontdooien gebeurt aan maximaal 60 °C. En het is belangrijk om telkens de kwaliteit van de biest te testen, bijvoorbeeld met een refractometer.

Filip Van der Linden

Lees ook in Melkvee

Jaarvergadering BCZ: "Melkveehouders, produceer minder melk"

Melkvee Tijdens hun jaarvergadering op 12 juni blikte de Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (BCZ) terug op een uitdagend jaar voor de sector. BCZ spreekt van een ‘herculesopdracht’ voor zuivelverwerkers om een onverwachte vloedgolf van melk op te halen, te verwerken en zo goed mogelijk te valoriseren.
Meer artikelen bekijken