Belangrijke data voor wie mest wil uitrijden

Belangrijke data voor wie mest wil uitrijden

Uitrijregeling op derogatiepercelen

Het is toegelaten om dierlijke mest (enkel derogatiemest), andere meststoffen en kunstmest toe te dienen vanaf 16 februari tot en met 31 augustus. Op die periode is geen enkele uitzondering mogelijk.

Op derogatiepercelen moet minstens 2/3de van de derogatiemest vóór 31 mei worden opgebracht, met uitzondering van rechtstreekse bemesting door beweiding. Die regel zorgt ervoor dat de landbouwer na de oogst van de hoofdteelt slechts een beperkte hoeveelheid mest kan opbrengen op zijn derogatiepercelen.

Bijkomende informatie over de bemesting van derogatiepercelen is terug te vinden in de brochure ‘Derogatievoorwaarden 2013’. Die kunt u raadplegen op www.vlm.be

Uitrijregeling op niet-derogatiepercelen

Op zware kleigronden is het toegelaten om:

dierlijke mest toe te dienen vanaf 16 februari tot en met 14 oktober;

stalmest en champost toe te dienen vanaf 16 januari tot en met 14 november;

andere meststoffen en kunstmest toe te dienen vanaf 16 februari tot en met 31 augustus.

Percelen blijvend grasland in zware kleigrond bemesten kan maar tot en met 31 augustus (ongeacht de mestsoort) met uitzondering van begrazing.

Op alle andere gronden is het toegelaten om:

dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest toe te dienen vanaf 16 februari tot en met 31 augustus;

stalmest en champost toe te dienen vanaf 16 januari tot en met 14 november.

Voor het toedienen van meststoffen met trage N-vrijstelling of met lage N-inhoud op niet-derogatiepercelen, is er geen verbodsperiode op voorwaarde dat:

de producent van die meststoffen een geldig attest tot afwijking van het rijverbod heeft;

een kopie van het attest aanwezig is bij het transport en de spreiding van de meststoffen. Op het attest moet het nummer van het corresponderende mesttransportdocument vermeld worden;

de hiernavolgende gebruiksvoorwaarden worden gerespecteerd:Trage N-vrijstelling (bv. groen- en gft-compost): 30 kg minerale N/ha en gewas aanwezig of binnen 30 dagen na toediening mest ingezaaid of geplant

Lage N-inhoud (bv. effluent van mestverwerking): 30 kg N/ha (waarvan 10 kg minerale N/ha) en gewas aanwezig bij toediening.

Op de VLM-website staat een overzicht van de verleende attesten.

Extra voorwaarden bij bemesting na een hoofdteelt

Voor akkers gelden bijkomende voorwaarden voor het toedienen van vloeibare dierlijke mest, kunstmest of andere meststoffen na de oogst van de hoofdteelt en dat zowel voor derogatie- als voor niet-derogatiepercelen. Deze regel zorgt voor een beperking van de bemesting na de hoofdteelt.

Op zware kleigronden moet de landbouwer een nateelt inzaaien als hij nog vloeibare dierlijke mest, kunstmest of andere meststoffen wil toedienen na de oogst van de hoofdteelt. Als de nateelt een vanggewas is, moet hij dat vanggewas binnen de 15 dagen na de bemesting inzaaien.

Op alle andere gronden moet hij één van de volgende maatregelen toepassen als hij nog vloeibare dierlijke mest, kunstmest of andere meststoffen wil toedienen na de oogst van de hoofdteelt:

een groente van groep I, II of III als nateelt inzaaien (voor de indeling van de groenten, kijk in de brochure ‘normen en richtwaarden 2013’ op www.vlm.be > Mestbank > Aanwenden van mest > Bemestingsnormen);

uiterlijk op 31 juli een nateelt inzaaien;

een vanggewas inzaaien na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus. In dit geval is de toegelaten hoeveelheid stikstof beperkt:vloeibare dierlijke mest en andere meststoffen: max. 60 kg N/ha;

kunstmest of effluenten van mestverwerking: max. 30 kg N/ha.

Een vanggewas is één van de volgende teelten: gele mosterd, bladrammenas, Facelia, Tagetes, voederkool, bladkool, Festulolium, Niger, gras, Japanse haver, zomerhaver of snijrogge.

Algemene verbodsbepalingen

Het is verboden om dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest te spreiden:

op alle zondagen en feestdagen, met uitzondering van kunstmest;

in de Noordzeekustzone op alle zaterdagen, zondagen en feestdagen, met uitzondering van kunstmest;

vóór zonsopgang en na zonsondergang;

op drassig, overstroomd, bevroren of besneeuwd land;

tot 5 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van een waterloop; deze afstand bedraagt 10 meter vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop die gelegen is in het Vlaams Ecologisch Netwerk, of als de waterloop grenst aan een helling.

op steile hellingen met een stijgingspercentage hoger dan of gelijk aan 15 % (begrazing is wel mogelijk).

Opslag van vaste dierlijke mest op landbouwgrond vanaf 15 november 2013

Vanaf 15 november 2013 gelden nieuwe regels voor de opslag van vaste dierlijke mest op landbouwgrond:

Vaste dierlijke mest opslaan op landbouwgrond mag niet meer van 15 november tot en met 15 januari.

Van 16 januari tot en met 14 november mag de landbouwer wel nog vaste dierlijke mest opslaan op landbouwgrond. Hij moet zich houden aan deze voorwaarden:de mesthoop moet minimaal 100 meter van de woningen van derden liggen.

de mesthoop moet minimaal 10 meter van de perceelsgrens en het oppervlaktewater liggen.

de landbouwer mag er enkel de mest opslaan, die hij nadien op dat perceel zal uitspreiden. Hij moet de mest uitspreiden binnen de maand.

mestsappen mogen niet afvloeien naar het oppervlaktewater of niet-landbouwgrond.

Vaste dierlijke mest is:

stalmest;

de vaste fractie na het scheiden van dierlijke mest en dierlijke mest met een drogestofgehalte van minimum 20 %;

champost.

Meest recent

Meest recent