Franse onderzoeksaccenten in de schapenhouderij belicht

Op de studiedag ‘Grand Angle Ovin’ werd een project voorgesteld gericht op eigen eiwitproductie op de schapenbedrijven.
Op de studiedag ‘Grand Angle Ovin’ werd een project voorgesteld gericht op eigen eiwitproductie op de schapenbedrijven. - Foto: AC

Aan het project Brebis-Link werd al eerder een volledige studiedag gewijd en heeft als inhoudelijke titel Paturage des surfaces additionelles. Het situeert zich in de Dordogne en mikt op de brede zuid-westregio van Frankrijk. De essentie bestaat erin dat men naast het ruwvoeder, gewonnen op het eigen bedrijf, ook bijkomend voederaanbod op niet klassieke percelen wil benutten. Heel concreet worden kuddes ingezet onder wijngaarden en fruitaanplantingen. Ook worden in de winterperiode schaapskuddes ingezet om wintergranen of koolzaad te begrazen gedurende een beperkte periode. Dit doet terugdenken aan gewoonten die ook bij ons in vroegere tijden bestonden, toen herders met rondtrekkende kuddes het overblijvende voedselaanbod op akkers en terreinen wisten te benutten. In de Dordogne wordt dit op een meer gestructureerde manier aangepakt op basis van afspraken tussen schapenhouders, landbouwers/fruitkwekers, met in het achterhoofd ook het creëren van een meerwaarde voor de landelijke gebieden.

Uit de resultaten blijkt dat het begrazen van wijngaarden, boomgaarden en akkerbouwpercelen aardig lukt en een bijkomende bron van voederwinning kan betekenen. Het is niet nadelig voor het dierenwelzijn, de gezondheidsrisico’s (mycotoxines, resten van fytoproducten) zijn beperkt. Alleen het koperprobleem in boomgaarden verdient enige aandacht. Een goed management is nodig om geen schade te laten aanbrengen aan bomen en installaties. Jonge bomen moeten afgeschermd worden. Begrazen is een goede methode om boom- en wijngaarden zonder maaien te onderhouden en is niet nadelig voor de bodemstructuur. Het begrazen van wintergranen of koolzaad geeft wisselende resultaten en wordt verder onderzocht.

Globaal blijft het zoeken naar een evenwicht tussen schapenhouder/herder en de landbouwer/fruitteler: wanneer begrazen, taakverdeling, financiële afspraken. Een duidelijk perspectief voor de schapenhouder is dat zo heel wat bijkomend areaal en ruwvoeder beschikbaar kan komen. Ook bij ons wordt er veel gemaaid, om te maaien (te onderhouden). Innovatieve/alternatieve mogelijkheden zijn het overwegen waard.

Sterke lammeren door selectie en voeding

15 à 20% van de lammeren gaat verloren vóór het spenen. Bij levenskrachtige lammeren is er minder uitval. In een experiment werden gedurende 5 jaar op 23 bedrijven 16.000 lammeren gevolgd. Het protocol bestond uit registratie van sterfte, geboortegewicht, geboortevlotheid, de graad van activiteit van het lam na de geboorte en de vlotheid van het starten met zuigen. 80% van de geboorten verliep zonder menselijke tussenkomst, 8% van de geboorten verliepen moeilijk. Hoe moeilijker de geboorte, hoe lager de overlevingskansen van het lam (vlotte geboorte = 90% overleving; moeilijke geboorte = 66% overleving). Bij een moeilijke geboorte kreeg ook 18% van de moeders problemen. De berekende erfelijkheidsgraden voor vlotheid van de geboorten, het actief zijn van het pasgeboren lam en de vlotheid van het starten met zuigen zijn respectievelijk: 0,25, 0,15 en 0,25. Deze kenmerken zijn dus gematigd overerfbaar. Via selectie van de moeders kan dus wel vooruitgang geboekt worden.

Vervolgens werd er een voedingsexperiment toegelicht om de impact van de voeding op het geboortegewicht en ook op de hoeveelheid werk in de geboorteperiode (onder andere om de lammeren te leren zuigen) na te gaan. Een groep ooien met tweelingdracht, op 100% van de voederbehoefte gevoederd, gedurende 6 weken voor het werpen werd vergeleken met een gelijkaardige groep die slechts 80% van hun normale behoefte aan voeder kreeg. Concreet was er voor de tweede groep een tekort van 300 g krachtvoeder per dag. De resultaten zijn markant!

Voor de te laag gevoederde groep was het geboortegewicht per lam 690 g lager, er waren 9% meer moeilijke bevallingen, 29% van de lammeren was minder actief en zelfstandig, 19% van de lammeren moest bijkomend geholpen worden om de tepel te vinden en 6% van de lammeren kwam in moeilijkheden na de geboorte. Alles samen resulteerde dat in 6,2% surplus sterfte in verband met de goed gevoede moedergroep. Aangezien 3% minder lamsterfte resulteert in 8 euro meer brutomarge per ooi, is het evident dat een goede voeding van de drachtige ooien in de eindfase van de dracht ook voor de rendabiliteit van het bedrijf een belangrijk gegeven is. Tegelijk kan erfelijkheid, zoals hoger vermeld, via selectie van de moeders ook al een handje helpen in de goede richting.

Genotypering

Genotypering kan gebeuren via bloedafname, analyse van het DNA en ofwel het bepalen van merkers, ofwel een volledige DNA-sequentiebepaling. De doelstellingen zijn afstammingsonderzoek of -controle en ondersteuning van de selectie op basis van de aan- of afwezigheid van een bepaald gen of om genomische selectie te doen.

In een kudde, waar meerdere rammen dekken, is het nuttig om de juiste vader te kennen om beter te kunnen selecteren, inteelt te voorkomen of tot betere indexen te komen. Een selectie gebaseerd op de aanwezigheid van een bepaald gen kan tot snelle vooruitgang van de productiecapaciteit leiden. Als voorbeeld werd de selectie bij Franse rassen op aanwezigheid van het Lacaune-gen gegeven. Aanwezigheid van dat gen bij de ooi resulteert in een toename van de worpgrootte met 0,41 lam, het gevolg van 12% minder eenlingen en 15% meer drielinggeboorten. In omgekeerde richting is kennis van de aanwezigheid van een gen dat anomalieën veroorzaakt (bij ons bijvoorbeeld bekend voor blindheid) belangrijk om bepaalde recessief aanwezige gebreken in de kudde uit te roeien. Bij genomische selectie gaat men uit van een reeks merkers waarvan men het belang inschat, uitgaande van een referentiepopulatie. Op basis van de aanwezige genen berekent men een genomische index die beter is dan de afstammingsindex en vooral toelaat om de productiecapaciteit van jonge ooien en rammen al heel vroeg (vanaf ze 3 maanden zijn) in te schatten. Op die manier kan men veel sneller vooruitgang boeken in het selectieproces, of/en kan men ook nieuwe eigenschappen infokken, denk aan rusticiteit of weerstand tegen bepaalde parasieten. Het kost wel geld, maar men bekomt sneller een betere kudde.

Via selectie van de moeders kan vooruitgang geboekt worden op het gebied van vlotheid van geboorten van lammeren.
Via selectie van de moeders kan vooruitgang geboekt worden op het gebied van vlotheid van geboorten van lammeren. - Foto AC

Op weg naar een duurzame schapenhouderij

Cindy Moreau schetste vervolgens de stand van zaken van een al enige tijd lopend duurzaamheidsproject in de veehouderij in Frankrijk. Er is een module ontwikkeld CAP’2ER, die automatisch de milieuprestaties van houderijen van herkauwers berekent. De bedoeling is evalueren, sensibiliseren en elk bedrijf confronteren met zijn eigen positie ten opzichte van de referentiebedrijven, maar ook inzicht geven in het verband tussen de bedrijfspraktijken en de milieu-impact ervan. De eerste fase (niveau 1) beoogt een systeem op te bouwen gericht op adviseurs en techniekers. Dat vereist het inbrengen van 40 gegevens per bedrijf en een tijdsduur van 1u15. In een tweede fase wil men tot advisering komen. Dat vraagt dan een halve tot 1 dag per bedrijf en inbreng van een 150-tal data. In fase 1 wordt de milieu-impact berekend op het vlak van broeikasgassen, ammoniakemissie, stikstofuitspoeling en energieverbruik. Als positieve elementen wordt aandacht besteed aan koolstofopslag, de bijdrage tot biodiversiteit en de bijdrage op voedingsvlak (= hoeveel personen kan men voeden). Als input zijn er algemene bedrijfsgegevens, gegevens van de veestapel, van de bedrijfspercelen, en van de gebruikte grondstoffen. Als resultaat krijgt men een overzicht van het bedrijf met alle becijferde impact-elementen hogergenoemd, zowel positieve als negatieve. De resultaten van de CAP’2ER-toepassing worden nu verder gebruikt in een Life-project met de volgende 3 ambities: de CO2-uitstoot van lamsvlees- en melkproductie met 12% verminderen, op zoek gaan naar een duurzame schapenhouderij met lage CO2-impact en uitkijken naar innovaties om daartoe te komen. Dat Life-project loopt niet alleen in Frankrijk, maar ook in 5 partnerlanden. Zo wil men voor de sector wegwijzers plaatsen naar een duurzame en klimaatvriendelijke houderij.

Indicatoren voor dierenwelzijn in de schapenhouderij

De doelstelling is om te komen tot een objectief meetkader voor de welzijnsbepaling binnen de schapenhouderij (vlees- en melkproductie). Na de opstart op basis van een literatuurstudie volgt een enquête bij techniekers en kwekers. Nadien doet men observaties en proeven op bedrijfsniveau.

Er worden 4 componenten weerhouden voor de bepaling van het welzijn: als eerste component een goede voedingstoestand met als meetpunten de lichaamsconditie en de staat van het gebit; als tweede, een correcte huisvesting met observaties van algemene properheid van de dieren, maar specifiek ook van de uier, en van de vochttoestand van het ligbed; als derde component een goede gezondheid met als indicatoren: manklopen, lengte van de nagels, properheid van de achterhand, ademhalingsproblemen, anemie en eventuele kwetsuren en als laatste component de diergedragingen in relatie tot de mens of bij manipulatie, stereotype gedragingen. Uit bevraging van kwekers en technici blijkt dat voor melkschapen het belang van de 4 groepen indicatoren vrij gelijkwaardig ervaren wordt. Voor de lamsvleesproductie wordt het meest belang gehecht aan de diergedragingen.

Er werd ook een validering gedaan van de indicatoren voor voeding en huisvesting. Qua haalbaarheid wordt een conditiescore als te gedetailleerd aanzien. Er blijkt ook dat de herhaalbaarheid van de waarnemingen matig tot slecht is. Bij een bevraging van enerzijds kwekers en anderzijds technici omtrent het al dan niet pertinent en belangrijk zijn van de indicatoren is men het eens dat observatie van het gebit niet relevant is. Voor de technici zijn evenwel heel wat meer indicatoren echt relevant dan voor de schapenhouders zelf.

Het is de bedoeling dat de komende jaren verder werk gemaakt wordt van de uitwerking van de welzijnsindicatoren met het vastleggen van minimumdrempels en ondersteuning door een vormingsprogramma, met als uiteindelijk doel om die welzijnsbepaling in de praktijk te gaan toepassen.

Eigen eiwitproductie

Tot slot werd nog een project dat in opstart is, voorgesteld, gericht op eigen eiwitproductie op de schapenbedrijven. De eigen eiwitvoorziening varieert nu in functie van het type bedrijf en regio tussen 60 en 90%. De bedoeling is om op bedrijven met herkauwers tot zelfvoorziening op het vlak van eiwit te komen, door meer eiwithoudende gewassen te produceren, maar ook door de efficiëntie van de benuttiging te verhogen. Anderzijds wil men ook zowel granen als de perskoek van oliehoudende gewassen beter valoriseren. Er wordt gewerkt op pilootbedrijven en proefbedrijven. Basishefbomen zijn onder andere maximale benutting van gras onder het motto ‘1 kg gras = 1 kg krachtvoeder’; maar ook voederverspilling en -overconsumptie tegengaan, door een korte dektijd, drachtdiagnose, indelen van de drachtige ooien in productiegroepen en de dieren telkens in functie van hun behoeften te voederen.

Buitenlandse hulp

We mochten andermaal kennismaken met een reeks interessante projecten in de schapenhouderij bij onze zuiderburen. Voor de vooruitgang is het als sector belangrijk ondersteund te worden door een onderzoekskader. In Vlaanderen missen we dat, en daarom zijn buitenlandse ervaringen meer dan welkom.

André Calus

Meest recent

Meest recent