Diversificatie met eiwitgewassen of…met andere innovatieve teelten?

Een teler heeft dezer dagen keuze uit een heel gamma aan teelten om aan risicospreiding te doen. Door de vraag naar kwalitatieve eiwitten is het gamma aan eiwitrijke gewassen de laatste jaren mooi uitgebreid. Soja is het meest bekende voorbeeld, en daar gebeurt dan ook al het langst onderzoek naar. Verder zijn veldbonen, quinoa en lupinen mogelijkheden.

Op de percelen van het Praktijkpunt Landbouw Vlaams-Brabant staat nog veel meer te bezichtigen dan enkel eiwitgewassen. Men doet er onder andere onderzoek naar koolzaad, brouwgerst, deder, mosterd en blauwmaanzaad.

Brouwgerst

Brouwgerst is een eerste interessant gewas om bij stil te staan. Aan het Praktijkpunt kozen de onderzoekers een zomergerst als brouwgerst vanwege kwaliteitsredenen. Onderzoeker Wim Fobelets weerlegt echter dat het de enige keuze is. “Wintergerst heeft ook zijn voordelen. Zo brouwt Cristal met Belgische wintergerst. Je beperkt zo namelijk het risico naar opbrengst toe. Zomergerst levert slechts 6 à 7 ton/ha op, en, als het niet regent tijdens de korrelvulling, slechts 5 ton/ha. Van wintergerst kan je 8 à 9 ton/ha van het veld halen. Bovendien moet je er rekening mee houden dat de brouwgerst afgekeurd kan worden door bijvoorbeeld een te hoog eiwitgehalte. Is dat het geval, dan kan het nog voor veevoeder worden gebruikt. Door de hogere opbrengst is wintergerst hier financieel voordeliger dan zomergerst.”

Het CRA-W doet daarom proeven met het inzaaien van zomergerst voor de winter. In België hebben we al jaren te maken met zachte winters, wat betekent dat de zomergerst niet zal uitvriezen. “Wij zaaiden de zomergerst begin maart, maar als je voor de winter kan zaaien, win je wat extra opbrengst. De proefresultaten lijken wel beloftevol.”

Aan het Praktijkpunt liggen in totaal 3 proeven aan in brouwgerst. In een bemestingsproef wordt de variatie gemaakt in de tweede fractie bemesting. “Dat is het moment dat je kilo's wil realiseren en geen te hoog eiwitgehalte”, geeft Fobelets mee. In een onkruidbestrijdingsproef wordt een klassieke chemische bestrijding dan weer vergeleken met mechanische onkruidbestrijding met behulp van een wiedeg. Ten slotte worden in een rassenproef 2 zomergerstrassen vergeleken die veel in de regio worden gezaaid, namelijk RGT Planet en KWS Fantex.

Soja

Voor soja werkt het Praktijkpunt samen met Inagro en PIBO-campus in Tongeren in het kader van een demonstratieproject. Fobelets volgt zowel het proefveld op aan het Praktijkpunt, als een 6 ha groot sojaperceel in Erps-Kwerps.

Een deel van het proefveld soja te Herent werd voor opkomst gespoten tegen onkruid, het andere deel werd eerst chemisch behandeld en vervolgens geschoffeld voor het sluiten van de rijen. Fobelets kon al meegeven dat de bodemmiddelen door de regen heel goed hebben gewerkt. “Dat betekent dat schoffelen weinig meerwaarde heeft. In een droog jaar heeft schoffelen wel meerwaarde.” Verder werd in soja een rassenproef aangelegd. Het ras Lenka is het referentieras, dat wordt vergeleken met 2 nieuwe Belgische rassen van Protealis (spin-off van ILVO), namelijk Hermes en Artemis.

Een goede opbrengst halen, blijft een moeilijkheid in soja. “Soja is warmteminnend, wat niet betekent dat het droogtetolerant is, terwijl quinoa dat wel is. Als het droog is op de verkeerde moment ontwikkelt de soja zich niet naar behoren en krijg je waarschijnlijk een lage opbrengst. In het droge jaar 2020 was de opbrengst van soja ondermaats. We willen in de proef zien wat de impact is van een droog seizoen. Zowel op het Praktijkpunt in Herent als op het praktijkperceel in Erps-Kwerps gaan we vergelijken met soja die later deze zomer beregend zal worden.”

Veel boeren willen wel eens soja uitproberen. Fobelets is altijd voorzichtig bij teelten waarbij er nog een risico is dat je niets kan oogsten. “Bij quinoa en veldbonen loop je het risico dat de opbrengst veel minder is dan gehoopt, maar als je zaait weet je tenminste dat je kan oogsten. Bij soja geeft zaaien geen garantie op oogsten. Vogels zijn bijvoorbeeld heel gemakkelijk weg met de kiemlobben. Als een perceel volledig verloren gaat, is dat financieel een domper. Dat risico moet je bewust communiceren.”

Quinoa

Quinoa is een gewas dat meer en meer de interesse wekt van telers. Het areaal quinoa stijgt, en tegelijkertijd wordt opgemerkt dat het areaal soja daalt. “Eerst werd een oproep gedaan om het areaal soja op te schalen. In 2020 stond er ongeveer 100 ha soja. Sindsdien zijn de resultaten niet zo goed en de problemen zo groot dat er gekozen is voor een bewuste terugschaling in areaal. Nu staat er in heel Vlaanderen zo'n 20 ha soja. Quinoa maakt de omgekeerde beweging en het areaal gaat naar 100 ha. Daar hebben we zelfs de ambitie om naar 1.000 ha te gaan.”

In het 4-jarige Vlaio-project ‘Quinoa lokaal’ wordt onderzoek gedaan om de teelt te verbeteren. Fobelets is fan van het gewas. “Het is een massaal gewas, wat de onkruidbestrijding eenvoudig maakt”, geeft hij mee. In quinoa is melganzevoet de grootste uitdaging. Net als quinoa hoort dit onkruid onder dezelfde plantenfamilie, de amaranten. Als je melganzevoet chemisch bestrijdt, vernietig je tegelijkertijd ook de quinoa. “Daarom pakken we onkruid mechanisch aan met precisiemachines, zoals wiedeggen en schoffels met sturing. Om problemen te vermijden, start je voor de quinoateelt het best niet op een perceel met een melganzevoetprobleem”, tipt Fobelets.

De onderzoekers streven dus niet naar een erkenning voor herbiciden. In de onkruidbestrijdingsproef worden enkel verschillende mechanisatiestrategieën vergeleken: wiedeggen, wiedeggen + doorzaaien, schoffelen, wiedeggen + schoffelen, niets doen. Overal stond de quinoa erg mooi, met weinig of geen onkruid. Een onderzaai bleek in elk geval ook een goed idee naar onkruid toe. Een onderzaai van graan is een optie. Als het graan afrijpt en de blaadjes vallen, is de bodem bedekt. Grasonderzaai zorgt er ook voor dat onkruid wordt tegengehouden. “Een onderzaai van Alexandrijnse klaver en wikken houdt ook de bodem bedekt, en geeft het bijkomend voordeel dat ze de quinoa van stikstof voorzien. Na zaai van de ‘dekvrucht’ veranderde het droge voorjaar in erg groeizaam weer, zodat de onderzaai in alle objecten goed lukte”, vertelt de onderzoeker tevreden.

In een rassenproef wordt het referentieras Vikinga vergeleken met een ander ras. De meeste telers zaaien Vikinga omdat het weinig van het bittere saponine bevat. Bij andere rassen moet de quinoa tot 3 keer gespoeld worden voor het gebruik. “Vooral voor telers die quinoa zelf verwerken en verkopen is een ras dat niet bitter smaakt nuttig”, legt de onderzoeker uit. De rassenproef wordt gedaan door het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), dat het project trekt. “In Herent vergelijken we 3 zaaidichtheden (300, 400 en 500 zaadjes per m²), en 2 rijafstanden (12,5 cm versus 25 cm).”

Veldbonen

Van alle eiwitgewassen voor dierconsumptie zijn veldbonen de grootste en belangrijkste voor de praktijk. De bonen staan er al op. “Bij oogst ziet de plant van beneden tot boven zwart. Als je dat niet weet, is het wel schrikken”, geeft Fobelets aan.

Zomerveldbonen worden vooral in mengteelt geproduceerd door bioboeren. Dat kan samen met zomertarwe. Die granen helpen onkruid te onderdrukken en het is ook een vorm van risicospreiding. Als de veldbonen het wat minder doen, heb je nog opbrengst van de tarwe en vice versa. “Mogelijk helpt de tarwe om de veldbonen recht te houden”, aldus de onderzoeker. Hij vertelt dat er biologische melkveehouders zijn die de helft van hun mengteelt zomerveldbonen met zomergraan hakselen als gehele plantensilage, en die de andere helft laten afrijpen en droog dorsen. “Zo voorzie je zowel in ruwvoeder als in eigen krachtvoeder.”

Winterveldbonen worden dan weer vooral in reinteelt gezet. “Dat gebeurt vooral in de gangbare landbouw. Men moet immers kunnen behandelen met bodemherbiciden.” Knelpunten in de teelt zijn legering en vogels die zaad wegpikken. “Een oplossing is diep zaaien voor een stevige beworteling (7-8 cm, kan met precisiezaaimachine) van de plant als ze boven zijn. Dat is ook nodig om de plant goed te doen uitstruiken.”

Lupinen

Lupinen kunnen zowel voor veevoeder als voor humane consumptie worden geteeld. Naar de mogelijkheden van dat laatste wordt gezocht binnen het project 'Een boon voor Leuven'.

Lupinen worden volgens Fobelets op heden onderschat. “Van alle eiwitgewassen benaderen lupinen de soja qua eiwitpercentage het best. In dit kader is het vreemd dat dit gewas ontbreekt in de lijst van subsidiabele eiwitteelten uit de pre-ecoregeling. Quinoa komt er wel in voor, terwijl het maar de helft van het eiwitpercentage van soja bevat.” Omdat de landbouwer tot 600 euro/ha mist door voor lupinen te kiezen, wordt het daarom erg weinig geteeld. “Ik hoop dat de resultaten op ons proefveld zo beloftevol zijn dat lupinen in de definitieve ecoregeling aan de lijst van subsidiabele eiwitteelten worden toegevoegd.”

In de proeven met lupinen wordt het resultaat van een chemische onkruidbestrijding vergeleken met schoffelen. Ook vergelijkt het Praktijkpunt het gewone zaaitijdstip met een wat latere zaai. Ten slotte worden de smalbladige lupinen vergeleken met de breedbladige lupinen. “De breedbladige lupinen zijn forsere planten dan de smalbladigen, dus de zaaidichtheid is verschillend. Breedbladigen werden gezaaid aan 55 zaden per m², de smalbladigen aan 110 per m². Vogels lusten de zaden van de smalbladige soorten niet want die zijn bitter. In de late zaai zijn de smalbladigen goed opgekomen, de breedbladigen zijn opgevreten door de vogels.”

Andere teelten

Daarnaast wordt op het Praktijkpunt ook geëxperimenteerd met wel erg nieuwe teelten. Deder bijvoorbeeld, waarvan camelinaolie gemaakt wordt. “Er is wel vraag naar deze teelt. In Duitsland wordt het gebruikt in voedingsolie, maar ook in de verfindustrie. En er zijn boeren die het in mengteelt zetten met tarwe. Van deder maken ze hun eigen biobrandstof voor de tractor”, zegt Praktijkpunt-onderzoekster Evi Matthyssen. Het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG ) financiert aan het Praktijkpunt een proef naar onkruidbestrijding in deder. Matthyssen: “Met wiedeg en schoffel kunnen we het onkruid in een dederveld mechanisch aanpakken, maar evengoed zoeken we naar chemische oplossingen.”

Een ander bijzonder gewas dat het testen waard is, is blauwmaanzaad. Deze teelt groeit voor het eerste op een proefveld van het Praktijkpunt. In Nederland wordt het al langer op vrij grote schaal geteeld. De grootste moeilijkheid is dat er geen MRL voor bestaat, en dat de plant de neiging heeft om residu’s van gewasbeschermingsmiddelen op te slaan. “In Nederland weten ze voorlopig niet wat ze ermee moeten doen, omdat zoveel partijen worden afgekeurd.”

Last but not least komt ook mosterd in de kijker te staan als een teelt die de proefvelden ontgroeid is en die gewild is door lokale mosterdmakers. Dit belichten we in een artikel in een latere editie.

Marlies Vleugels

Meest recent

Meest recent