Minder hoge (eerste) stikstofgift nodig in wintertarwe
Het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG) gaf enkele studievergaderingen omtrent de graanteelt. Op het programma hierbij stond een toelichting van de Bodemkundige Dienst van België (BDB) over de stikstofadviezen die momenteel gelden voor de graanteelt.

Op de graanavond in Lubbeek (Vlaams-Brabant) werd de toelichting verzorgd door Jan Bries van de BDB. “In het voorjaar vragen de graantelers zich af hoeveel nitraatstikstof er nog in het bodemprofiel zit. Dat is het resultaat van wat er in het najaar inzat, met uitspoeling en denitrificatie in mindering gebracht, eventueel aangevuld door wat al gemineraliseerd is”, aldus Jan Bries.
“Kijk rond u, naar de stand van het gewas en je kan hiervan al een idee krijgen. Vroeg gezaaide wintertarwe na een voorteelt aardappelen staat er nu mooi bij. Is die wintertarwe niet midden oktober, maar pas in december gezaaid na een voorteelt suikerbieten, dan staat die tarwe er nog niet zo goed ontwikkeld bij. Waar die laatst gezaaide wintertarwe maar rond de 10 kg nitraatstikstof/ha heeft opgenomen, heeft de vroegst gezaaide tarwe al zo’n 30 kg kunnen opnemen.”
Jan Bries raadde ook aan om als landbouwer aan te geven welk type graangewas je teelt en met welk doel (bijvoorbeeld bak- of voedertarwe of nog voor de zaadvermeerdering). Zo kan de BDB het bemestingsadvies scherper stellen.
Toch meer neerslag dan gedacht
Om te weten hoe het zat met de nutriëntenuitspoeling afgelopen winter, keek hij even naar de weergegevens van het KMI. Die lieten zien dat de neerslag tussen 16 november vorig jaar en 15 februari dit jaar, toch hoger lag dan hij verwacht had. Hij bemerkt ook dat de bodems rond 16 november nog droog waren en water nodig hadden om op ‘veldcapaciteit’ te komen. Ze hadden bij wijze van spreken eigenlijk een tweede neerslagperiode nodig om de nutriënten mee te nemen dieper in de bodem. Jan Bries concludeert dat de ‘waterstoom’ doorheen het bodemprofiel zo toch minder is geweest afgelopen winter, dan wat andere jaren wordt gezien. Dit is een eerste belangrijke vaststelling om de stikstofadviezen voor komende bemesting op te baseren.
Hiernaast ziet hij dat 2 populaire voorteelten voor de teelt van wintertarwe, namelijk aardappelen en suikerbieten, een ander nitraatresidu laten zien. Bij aardappelen werden afgelopen najaar waarden gemeten van 140 kg nitraatstikstof/ha en bij suikerbieten van ‘maar’ 40 kg. Doorgaans zijn de velden met een ‘gemiddeld’ nitraatresidu de winter ingegaan. Opmerkelijk is wel dat de nitraatvoorraad die afgelopen winter al gemeten werd toch hoger ligt dan andere jaren. Al zijn er zoals steeds grote verschillen tussen percelen die te verklaren kunnen vallen door de zaaidatum van de wintertarwe, de grondsoort, uitspoeling, nitraatresidu in het najaar… Jan Bries ziet dat door de voorraad in de bodem samen met de te verwachten mineralisatie, toch wel wat vrijstelling van stikstof in de bodem verwacht mag worden, die de wintertarwe de komende weken en maanden ten goede zal komen.
Als de BDB de resultaten van bodemstaalname (0-90 cm) en de stikstofadviezen die volgens de N-indexmethode hierop werden berekend tot op datum van 23 februari analyseert, dan stellen ze vast dat er relatief weinig percelen zijn met een hoge behoefte aan een grote eerste stikstofgift. Jan Bries zijn voorlopige eerste conclusie was dat de wintertarwepercelen doorgaans minder bemest moeten worden dit voorjaar. “Ook met de eerste stikstofgift moet voorzichtig omgesprongen worden.”
Hij wees er ook op om de percelen voldoende te laten opdrogen alvorens ze te gaan bemesten. Indien dit niet gebeurt is er risico op stikstofverliezen bij een vroege eerste gift.
Organische bemesting
Jan Bries keek in zijn presentatie ook eens naar de organische meststoffen en naar de invloed die ze op de bemestingsstrategie kunnen hebben. Hij haalde hiervoor de langjarige compostproef aan die sinds 1997 op hetzelfde perceel in Boutersem (Vlaams-Brabant) aanligt. Hij wou hiermee compost niet ophemelen, maar verwijzen naar de mogelijkheden van organische stof in de bodem.
Als ze de proefobjecten vergelijken waar enkel een jaarlijkse minerale bemesting met kunstmest gebeurt met het object dat jaarlijks 45 ton/ha gft-compost krijgt (enkel in proef toegelaten), dan zie ze dat de nitraatvoorraden én dus ook de bemestingsadviezen stevig kunnen verschillen. Het mineraal bemeste object laat meer dan de helft minder nitraatvoorraad zien dat het object dat stevig met gft-compost bemest is.
Met voornoemde wou Jan Bries aantonen dat ‘stikstof’ niet noodzakelijk van kunstmest moet komen, maar ook spreekwoordelijk uit de bodem kan komen door compost, maar evengoed door de vertering van bijvoorbeeld bietenblad. De objecten bemest met gft-compost laten logischerwijze een hoog koolstofgehalte zien en leveren hierdoor meer stikstof aan het perceel. Toch wees hij erop dat eenmaal compost toedienen gelijk staat aan een lage stikstoflevering. Daarom luidde het advies om regelmatige toedieningen met compost te verzorgen.
Nog een conclusie die de onderzoekers trekken, na voornoemde 2 objecten te vergelijken, is dat de opbrengsten wel op hetzelfde niveau liggen.





