Bemesting, onkruid en ziekten in wintergranen
2026 startte koel, met veel neerslag in februari. In de eerste helft van maart klaarde het weer op. Door de hoge temperaturen schoten het graan en koolzaad snel omhoog. Veel percelen bleven in februari grotendeels onberijdbaar door de natte bovenste bodemlaag. Telers stelden de eerste stikstoffractie daardoor uit tot begin maart.

In tarwe kozen veel telers voor een eerste fractie tussen 100 en 120 eenheden stikstof. Waar men 80 eenheden koos, zal de tweede fractie hoger liggen. In gerst ligt de stikstofgift in eerste fractie naar gewoonte lager dan tarwe, tussen 80 en 100 eenheden. Zeker voor brouwgerst mag je niet te hoog gaan. Een hoog eiwitgehalte leidt immers tot te veel schuim op ons bier…
Voor een optimaal bemestingsadvies kijk je het best eerst naar tabel 1 ‘Normen en richtwaarden voor wintergranen 2026’ (zie hieronder). Uiteraard ben je afhankelijk van de wettelijke limiet die geldig is voor het gebiedstype en de plaats waar je perceel ligt. Zo mag je voor wintertarwe met nateelt op niet-zandgrond tot 195 eenheden stikstof/ha geven. Kies je in tarwe in de eerste fractie voor 100 eenheden, dan kan je in de tweede fractie aanvullen met 80 eenheden. Na een sterke start met 120 eenheden kan je bijvoorbeeld nog 60 eenheden bijgeven.
In een derde (laatste) fractie kan je aanvullen met een bladvoeding (zoals N-Leaf). Met een massadichtheid van 1,24 kg/l en een stikstofpercentage van 18% krijgt het gewas bij een dosis van 40 l in de praktijk nog 10 eenheden stikstof. Een bladvoeding wordt opgenomen via het blad, wat efficiënter loopt dan stikstof via bodemopname. Algemeen mag je stellen dat bladopname theoretisch 2,5 à 3 keer efficiënter loopt, waardoor het gewas in feite 25 à 30 eenheden stikstof ter beschikking krijgt. Let op, een bladvoeding kan nooit de basisbemesting vervangen.
Tot slot kan je ook werken met een product zoals BlueN of Utrisha N op basis van stikstoffixerende bacteriën die stikstof vangen vanuit de lucht. Deze producten zijn niet aangifteplichtig. Bij een correcte toepassing in optimale omstandigheden kunnen ze idealiter tot 30 eenheden stikstof capteren voor het gewas.

Keuze bemesting
Telers kiezen alsmaar vaker voor een combinatie van stikstof en zwavel. De laatste decennia nam de stikstofdepositie gestaag af door minder verbranding van fossiele brandstoffen en betere filters. We zien daardoor een afname van de zwavelvoorraad in de bodem. Zwavel geeft onder meer een extra gewasvergroening en thiosulfaten geven een efficiëntere omzetting van amidestikstof, waardoor vervluchtiging mindert en de stikstofbenutting door het gewas stijgt.
Stikstof kan in vloeibare vorm via Urean, eventueel samen met N-Smart voor extra zwavel of Sulfazote, dat stikstof en zwavel combineert. De hoeveelheid N-Smart is afhankelijk van de hoeveelheid Urean die je toepast. Gewoonlijk is dit circa 30 l/ha bij de eerste fractie en 20 l/ha bij de tweede. Daarnaast kan je stikstof toepassen in vaste korrel (KAS 27) of in combinatie met zwavel (zoals Nitrosulf). Meng producten zoals Sulfazote niet met fytomiddelen, want ze bevatten zwavel en verlagen de pH van de spuitoplossing. In combinatie met fytomiddelen leidt dit tot verbranding van de bladeren.
Ureaseremmers
Combineer ureumhoudende producten zoals Urean met een ureaseremmer (zoals Limus Perform). Vul de spuittank met de helft van de benodigde hoeveelheid vloeibare stikstofmeststof. Voeg de ureaseremmer toe, meng goed en voeg vervolgens de resterende vloeibare stikstofmeststof toe.
Onkruidbestrijding
In wintergerst kon op de meeste plaatsen een onkruidbestrijding gebeuren in het najaar. In tarwe werd die, afhankelijk van het zaaitijdstip, uitgesteld naar het voorjaar. De najaarsherbiciden deden veelal uitstekend hun werk, waardoor het aantal voorjaarscorrecties meevalt. Eventueel kan je een eerste ziektebestrijding hier en daar aanvullen met producten op basis van florasulam (Primus, Fragma…) of metsulfuron (Allie, Accurate…).
Waar nog niets gebeurde, werk je met een compleet schema. Niet enkel de gewassen, maar ook de onkruiden ontwikkelden zich snel. In het voorjaar kan je slechts gebruikmaken van actieve stoffen uit 3 groepen, de ALS-middelen (florasulam, met-, thifen-, meso- en thifensulfuron…), de hormoonstoffen (fluroxypyr, MCPA, Arylex…) en de echte grassenmiddelen of ACC-ase-familie (pinoxaden).
De laatste jaren duiken alsmaar vaker problemen op met moeilijke (resistente) onkruidgrassen, zoals raaigras, duist en windhalm. Maar ook bij de breedbladigen zien we moeilijke onkruiden, zoals klap-roos. Grijp tijdig in en pas je schema’s aan. Zo is resistente windhalm (target resistent tegen ALS) uit de groep van de voorjaarsmiddelen enkel nog gevoelig voor pinoxaden uit de ACC-ase-groep. Hierdoor voer je het best een aparte toepassing uit met een middel zoals Axial of Axeo, in combinatie met een olie voor een optimaal resultaat.
Resistente duist kent een verminderde gevoeligheid voor ACC-ase- én ALS-middelen. Hier combineer je het best producten met actieve stoffen uit beide werkingsgroepen. Raaigras kan zowel voor ACC-ase, ALS, alsook voor een combinatie van beide resistent zijn. In dit laatste geval hebben de voorjaarsherbiciden in granen geen enkele werking meer. Bestrijding kan dan enkel nog in het najaar… Pyroxsulam (actieve stof van Capri), bekend van zijn zeer goede werking tegen raaigras, komt uit de ALS-groep en heeft in geval van resistentie geen enkele werking. Cichorei uit de composietenfamilie wordt het best bestreden met een combinatie van hormoonstoffen MCPA en clopyralid, resistente windhalm met pinoxaden uit de ACC’ase grassenfamilie. Bij resistente klaproos is pendimethalin (Stomp Aqua) in het najaar onmisbaar. In het voorjaar kan je die eventueel nog bestrijden met de actieve stof arylex (Zypar, Frimax…).

ALS-tolerante opslagplanten
Daarnaast krijgen we sinds kort te maken met ALS-tolerante opslagplanten van bieten (Conviso), cichorei, witloof… Ook hiervoor is het belangrijk om je bestrijdingsstrategie aan te passen, daar ALS-middelen geen werking hebben. Je moet hier werken met hormoonstoffen, zoals MCPA, fluroxypyr en clopyralid.
Eerste ziekte al aanwezig
Op enkele plaatsen leidden de eerste warme weken van maart tot een vroege ziekteontwikkeling. Hier en daar duikt op tarwe in gevoelige rassen al gele en bruine roest op. Op warme dagen met voldoende vocht zijn verzwakte plantjes ook vatbaarder voor opportunistische schimmels, zoals witziekte. Naar goede gewoonte zijn ook bruine vlekjes met daarin zwarte puntjes, de septoriasporen, aanwezig. In wintergerst duikt al de eerste dwergroest op.

Voor wintertarwe is het nog vroeg voor een eerste ziektebehandeling. Normaal kan dit gebeuren vanaf 15 april in een T0-ziektebehandeling. Begin mei volgt een T1-ziektebehandeling en 3 weken later op het laatste blad een T2-ziektebehandeling. In gerst kan de eerste groeiregulatie in combinatie met een eerste ziektebestrijding (T1) gebeuren. Initieel verwachtten we dit jaar een vroeg seizoen, maar de koude tussenperiode zorgde voor een groeipauze in het gewas. Hou je percelen goed, in de gaten om infectiehaarden tijdig op te sporen en om waar nodig in te grijpen.

Groeiregulatie in wintergranen
Algemeen zien we dit jaar grote verschillen tussen percelen, afhankelijk van de zaaidatum. Dankzij een warme eerste helft van maart schoot het graan omhoog. Toch temperden koude nachttemperaturen nadien de groei van het gewas opnieuw.
De vroegst gezaaide tarwe bereikte in de eerste helft van maart het stadium ‘aar op 1 cm’ in de stengel, het ideale stadium voor een eerste verkorting. Dit is zeer vroeg, daar we dit stadium normaal pas rond begin april bereiken. Het premature aartje was dan al gevormd. De warme, zonnige dagen waren ideaal om waar mogelijk een vloeibare stikstoffractie te combineren met een groeiregulator op basis van chloormequatchloride (Cycocel, Cycofix…). Andere telers kozen voor een aparte verkorting met een combinatie van middelen op basis van prohexadion (Percival, Medax Max, Prodax, die bevatten ook trinexapac) en trinexapac (Moddus Evo, Stemper, Trimax) met chloormequatchloride. Dit kan in bepaalde omstandigheden samen met een correctie tegen onkruiden.
Vanaf de derde week van maart kregen we zonnig weer, maar bleven de nachten koud. Tot 0 °C geeft chloormequatchloride weinig problemen. In combinatie met andere middelen kan dit echter hard zijn voor het graan, waarna het geel kan verkleuren. Voor onder meer de actieve stof trinexapac moet de temperatuur de eerste dagen na de toepassing idealiter boven 2 °C blijven. In de vierde week was het dan weer bewolkt met neerslag, allesbehalve ideaal voor een verkorting. Je stelt dan een verkorting beter uit tot meer geschikte omstandigheden, enerzijds om fytotox te vermijden, anderzijds voor een optimale werking van de producten. Zodra de tarwe het 1-knoopstadium bereikt, kan een tweede verkorting.
Ook in gerst werden de vroegste percelen al in de eerste helft van maart verkort. In gerst doseren we groeiregulatoren krachtiger dan bij wintertarwe. Let op, mengen met herbiciden is mogelijk, maar niet voor alle producten. De groeiregulatie combineren met een fungicidebehandeling is geen probleem. De eerste groeiregulatie gebeurt het best met trinexapac, al dan niet aangevuld met prohexadion. Dit kan eventueel samen met de eerste ziektebestrijding. Je kan ook een biostimulant of bladvoeding toevoegen om stress in het gewas te verlichten.

Insecten in granen
Ondanks winterse temperaturen tot -5°C, die enkele dagen aanhielden, konden de bladluispopulaties hier en daar toch overleven. Waar nodig kozen telers om een pyrethroïde toe te voegen aan de onkruidbestrijding of de eerste verkorting.






