Startpagina Akkerbouw

Naar een slim beheer van beschermingsstroken

Sinds 2025 zien we beschermingsstroken langs VHA-waterlopen. Nieuwe regelgeving, vooral binnen de Vlaamse mestwetgeving, verplicht steeds meer landbouwers om deze stroken aan te leggen langs waterlopen. Maar hoe pakken zij dat aan in de praktijk? Wat werkt goed en waar botst men nog op knelpunten?

Leestijd : 4 min

Om dat beter te begrijpen, organiseerden HoGent, Inagro, PCLT, Viaverda, Proefstation voor de Groenteteelt, Boerenbond en Boerennatuur in het kader van de demoprojecten ‘SLIM-BUF, Bufferboost en Beschermingsstroken voor land- en tuinbouw’ afgelopen winter een praktijkbevraging bij landbouwers uit verschillende sectoren.

Een 60-tal landbouwers namen uiteindelijk deel aan de bevraging en deelden hun ervaringen met de aanleg en het beheer van beschermingsstroken. Hun antwoorden geven een eerste beeld van hoe deze stroken vandaag de dag in de praktijk worden ingevuld.

Niet-kerende grondbewerking wint terrein bij de aanleg

De voorbereiding van de bodem voor het inzaaien van een nieuwe bufferstrook verloopt bij de bevraagde landbouwers op uiteenlopende manieren. De meest toegepaste methode is cultiveren of niet-kerende grondbewerking (44%), gevolgd door ploegen (32%). Een kleinere groep (15%) kiest voor het klepelen van de voorgaande teelt of groenbedekker, terwijl doodspuiten slechts door 6% wordt toegepast. Er moet opgemerkt worden dat deze laatste techniek niet toegelaten is in de beschermingsstrook.

De verschuiving naar niet-kerende technieken sluit aan bij de bredere trend naar bodembeschermende of regeneratieve landbouw. Het gebruik van een vals zaaibed, een doeltreffende methode om de onkruiddruk te verlagen, is echter nog weinig ingeburgerd: slechts 28% van de respondenten past dit toe.

Wat het inzaaimoment betreft, kiest een meerderheid (56%) voor het voorjaar. De keuze voor het zaaitijdstip hangt vaak samen met het gewasrotatieschema en de beschikbaarheid van machines. Voor het inzaaien zelf domineert de standaard mechanische of pneumatische zaaimachine (69%), terwijl handmatige methoden nog steeds door 12% van de respondenten worden gebruikt.

Zaadmengsels: grassen domineren, biodiversiteit wint aan belang

Grasmengsels blijven de standaard. 62% van de bevraagde landbouwers zaait enkel grassen in. Toch kiest 22% voor een graskruidenmengsel en 7% voor een bloemenmengsel, wat aantoont dat biodiversiteit als meerwaarde steeds meer wordt erkend. Sommige landbouwers wijzen erop dat bloemenmengsels een meerwaarde bieden voor wild en bestuivers, en dat ze de verplichte strook als een kans zien om iets terug te geven aan de natuur.

Op heden is het zaaien van een bloemenmengsel in een beschermingsstrook niet mogelijk in de context van de regelgeving vanuit de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en in het activeren van de ecoregeling ‘beheer bufferstrook langs waterlopen met klepelmaaier of met afvoer van maaisel’ (BMKL en BMAF langs VHA-waterlopen). Vanuit VLM worden enkel volgende buffergewassen toegestaan: gras, meerjarige vlinderbloemigen en meerjarige mengsels met vlinderbloemigen of houtige gewassen of een spontane vegetatie.

De vraag is of een meerjarig gras-vlinderbloemigenmengsel, aangerijkt met kruidenmengsels die vandaag de dag gekend zijn, in de context van kruidenrijk grasland toch geen kans maakt? Dat is stof tot overleg met de overheid vanuit de projectwerking...

Bij de keuze van het mengsel gebruiken de meeste landbouwers (52%) een kant-en-klaar mengsel van een zaaizaadleverancier. Slechts 18% stelt een eigen mengsel samen, al dan niet op basis van perceelinformatie. Opvallend: 26% geeft aan helemaal geen mengsel in te zaaien, wat wijst op een behoud van een bestaande vegetatie. De wetgeving laat ook spontane begroeiing toe. Hierbij moet echter opgelet worden met onkruiddruk (probleemonkruiden), aangezien gewasbeschermingsmiddelen niet toegelaten zijn in beschermingsstroken.

Klepelen zonder afvoer is norm

De meerderheid van de landbouwers maait de strook 2 keer per jaar (36%), terwijl 22% dit 3 keer of vaker doet. Slechts 12% maait enkel wanneer strikt noodzakelijk, en een gelijk aandeel houdt zich uitsluitend aan de wettelijk opgelegde maaidata. De landbouwers geven duidelijk aan dat de regelgeving over maaidata in combinatie met de nieuwe ecoregeling als complex of onduidelijk ervaren wordt.

De klepelmaaier is veruit het populairste werktuig (59%), waarbij het maaisel op de strook blijft liggen. Een derde (34%) maakt gebruik van een schijven- of balkmaaier, waarbij het maaisel op een zwad wordt gelegd. Slechts een minderheid voert het maaisel daadwerkelijk af: 60% laat het gewoon liggen.

Van de landbouwers die wel afvoeren, is veevoeder de meest voorkomende bestemming, gevolgd door gebruik als strooisel of compostering. Dit afvoergedrag heeft gevolgen voor de nutriëntenbalans en de onkruiddruk op de strook, iets wat in de praktijk nog onvoldoende wordt erkend.

Onkruid en regelgeving frustreren

De bevraging maakte ook de voornaamste knelpunten zichtbaar. Onkruiddruk springt er met stip bovenuit: 40% van de respondenten duidt dit aan als het grootste probleem bij het beheer van hun beschermingsstroken. Wortelonkruiden zoals akkerdistel, veenwortel en brandnetel zijn daarbij de meest genoemde probleemplanten (57%), gevolgd door eenjarige onkruiden (30%) en knolcyperus (5%).

Zeer recent (na deze bevraging) is evenwel voor bufferstroken met knolcyperus de mogelijkheid voorzien om via intensief maaien ook tijdens de sperperiode van 1 mei tot 15 juni knolcyperus in de beschermingsstrook aan te pakken.

Op de tweede plaats staat de complexe regelgeving (24%), meer bepaald omtrent maaidata en de administratieve afbakening van stroken. Een aantal landbouwers wijst erop dat beschermingsstroken verplicht als apart perceel moeten worden afgesplitst indien je de ecoregeling beschermingsstroken wil inzetten. Dat wordt als bureaucratisch en onpraktisch ervaren. Slibafzetting door het ruimen van de waterloop (11%) en de logistiek en kosten van maaiselafvoer (12%) zijn bijkomende uitdagingen die de beheerslast vergroten.

Nood aan praktische ondersteuning

De bevraging toont een sector die actief zoekt naar een werkbaar evenwicht tussen regelgeving, praktische haalbaarheid en ecologische meerwaarde. Landbouwers staan open voor meer biodiversiteit in hun beschermingsstroken, maar botsen op onkruidproblemen, onduidelijke regelgeving en een gebrek aan betaalbare afvoeroplossingen voor het maaisel.

Niet-kerende grondbewerkingstechnieken en het gebruik van graskruidenmengsels winnen terrein, maar kennis over het nut van een vals zaaibed of over de impact van maaiselafvoer op bodemkwaliteit is nog onvoldoende aanwezig.

Er is duidelijk nood aan heldere, praktische begeleiding: van eenvoudigere regelgeving en eenduidige communicatie over maaidata tot concrete teeltfiches voor onkruidbeheer en zaadmengselkeuze. De beschermingsstrook mag dan wettelijk verplicht zijn, met de juiste ondersteuning kan ze uitgroeien tot een ecologische troef voor het hele bedrijf en voor de omgeving.

Bart Vandaele (PCLT)

Lees ook in Akkerbouw

Vijf jaar (on)kruid: van experiment tot beweging

Akkerbouw Tijdens het eerste (on)kruidfestival op 23 mei in Lievegem maakt (on)kruid de resultaten bekend van het LEADER-project ‘(On)kruid van boeren voor de samenleving’. Wat begon als een experiment met wilde bloemen, kruiden en zogenaamde “onkruiden” op landbouwgrond groeide in 5 jaar uit tot een samenwerking rond biodiversiteit, regeneratieve landbouw en lokale kruidenthee.
Meer artikelen bekijken