Startpagina Varkens

Stalhoest een moeilijk probleem

Enzoötische longontsteking bij varkens, ook wel gekend als stalhoest, is een chronisch verlopende ademhalingsziekte die veel voorkomt in de intensieve varkenshouderij. De primaire oorzaak van deze aandoening is de bacterie Mycopl-asma hyopneumoniae (Mhyo).

Leestijd : 6 min

Deze kiem hecht zich vast op het slijmvlies van de diepere luchtwegen en maakt de weg vrij voor andere kiemen, waardoor de infectie in de praktijk vaak gecompliceerd wordt door secundaire bacteriële infecties.

Traag op gang

Mycoplasma longontsteking kenmerkt zich door een droge, niet-productieve hoest die vooral duidelijk is bij het opjagen van de varkens. De hoest komt eerder traag op gang maar blijft aanhouden voor meerdere weken of zelfs maanden. Hoewel de meeste varkens aangetast zijn, is er weinig sterfte, weinig koorts en is de eetlustdaling beperkt. De symptomen zijn vooral aanwezig in de voormest- en mestafdeling, maar ook jongere varkens zijn gevoelig.

Secundaire infecties

Wanneer secundaire infecties optreden, zijn de symptomen veel erger: er is een productieve hoest met een sterk bemoeilijkte ademhaling. Dit gaat gepaard met hogere koorts en sterke eetlustdaling. Het sterftepercentage stijgt en het uiteindelijke resultaat is een ongelijke toom met een groot aantal achterblijvers. Het al dan niet optreden van secundaire infecties en de ernst ervan hangt in zeer sterke mate af van de omgevingsfactoren en de bedrijfsvoering.

Vermoedelijke en bevestigde diagnose

Een vermoedelijke diagnose van enzoötische longontsteking kan gesteld worden aan de hand van de klinische symptomen en de aanwezigheid van ‘Mycoplasma-achtige’ longletsels aan de slachtlijn. Om de diagnose te bevestigen is bijkomend laboratoriumonderzoek nodig (aantonen van de kiem op neus-swabs of in longspoelsel, serologie).

Via neus-neus

Infecties met Mhyo worden op het bedrijf onderhouden door overdracht van de kiem van de zeug naar de zuigende biggen via neus-neus contact. Vooral eersteworpszeugen vormen een risico. Deze zeugen zijn vaak drager van Mycoplasmen in hun luchtwegen en scheiden ze ook uit. Bovendien geven eersteworpszeugen minder antistoffen door aan de biggen via de biest. De kiem kan niet doorgegeven worden via de melk, en ook niet via de baarmoeder tijdens de dracht.

Bedrijfsomstandigheden bepalen snelheid

Eénmaal zuigende biggen besmet zijn, kan overdracht plaatsvinden tussen toomgenoten via neus-neus contact of via kleine vloeistofdruppeltjes die vrijkomen bij het niezen of hoesten. De verspreiding van de kiem gebeurt over het algemeen traag en vindt vooral plaats in de batterij en mestafdeling. De leeftijd waarop en de mate waarin de varkens besmet worden, hangen in zeer sterke mate af van de bedrijfsomstandigheden. Er is geen leeftijdsgebonden verschil in gevoeligheid voor infectie.

9 km ver

Hoewel Mhyo zeer gevoelig is voor omgevingsinvloeden, kan overdracht van de kiem tussen bedrijven toch plaatsvinden via de lucht (tot 9 km!). Deze verspreiding via de lucht is van belang in varkensdense gebieden, en vindt vooral plaats tijdens vochtige en koude periodes. Besmet schoeisel, kledij en materiaal spelen een minder belangrijke rol in de overdracht van Mhyo.

Gecompliceerd geeft schade

De economische schade veroorzaakt door enzoötische pneumonie hangt, net zoals de symptomen, af van het al dan niet voorkomen van secundaire infecties. Gecompliceerde Mhyo-infecties leiden tot een opmerkelijke verslechtering van de zoötechnische prestaties: de dagelijkse groei daalt en de voederconversie neemt toe. Daarnaast lopen de kosten ook op ten gevolge van een verhoogd sterftepercentage en toegenomen geneesmiddelengebruik.

Niet-gecompliceerde infecties

Bij niet-gecompliceerde infecties is de schade geringer. Cijfers over de economische schade ten gevolge van enzoötische longontsteking zijn zeer uiteenlopend. In 24 verschillende studies was de dagelijkse groei gereduceerd met 2.8% tot 44.1% ten gevolge van de aandoening. Resultaten die het verband weergeven tussen geleden economische verliezen en het percentage longletsels aan de slachtlijn zijn bovendien moeilijk te interpreteren. De beoordeling van longletsels aan de slachtlijn is namelijk geen weerspiegeling van de volledige mestperiode. Letsels die ontstaan zijn in de vroege mestperiode kunnen al geheeld zijn tegen slachtleeftijd.

Antibiotica

Mycoplasma hyopneumoniae is gevoelig voor verschillende antibiotica, en hoewel verworven antibioticaresistentie bij de kiem wordt gerapporteerd, zorgt dit vooralsnog niet voor grote problemen in de praktijk. Curatief kan men antibiotica via het voeder of het drinkwater toedienen, en dit gedurende minstens zeven dagen. Erg zieke dieren worden best ingespoten met antibiotica, eventueel in combinatie met een ontstekingsremmer.

De resultaten van een antibioticakuur vallen echter vaak tegen omdat na het stopzetten van de behandeling de symptomen en de uitscheiding van de kiem opnieuw kunnen optreden. Een antibioticabehandeling slaagt er namelijk niet in om infectie met Mhyo te voorkomen. Op bedrijven met chronische problemen kunnen antibiotica strategisch worden toegediend. Dit houdt in dat men één week voor de verwachte symptomen start met de behandeling en deze voor één tot drie weken aanhoudt.

Pulse medicatie

Deze manier van behandelen kan de ernst van de ziekte en ook de infectiedruk sterk doen dalen, maar de symptomen kunnen terug op gang komen na het stopzetten van de behandeling. Pulse medicatie waarbij periodes van medicatie afgewisseld worden met periodes waarin geen antibiotica worden gegeven, kan men ook toepassen. Hierdoor loopt de infectiedruk niet te hoog op, en krijgen de dieren de kans om een natuurlijke weerstand op te bouwen. Echter, langdurig antibioticagebruik onder de vorm van strategische of pulse medicatie is ten zeerste af te raden gezien het toegenomen risico op de ontwikkeling van antibioticaresistentie en het voorkomen van antibioticaresiduen in karkassen op slachtleeftijd.

Management en huisvesting

Een optimale bedrijfsvoering en huisvesting in combinatie met vaccinatie zijn de belangrijkste punten in de bestrijding van enzoötische longontsteking.

Daar jonge zeugen de infectie op het bedrijf kunnen onderhouden en zorgen voor een vroege besmetting van de biggen is een evenwichtige zeugenpopulatie zonder teveel eersteworpszeugen (< 30%) zeer belangrijk. Om de immuniteit van de zeugenpopulatie zo stabiel mogelijk te houden is het eveneens aan te raden om te werken in een gesloten productiesysteem, of om enkel gelten aan te kopen van bedrijven met minstens een even goede gezondheidsstatus als het eigen bedrijf en een quarantaineperiode van minstens 30 dagen te respecteren.

Vroeg spenen (< 3 weken) kan de overdracht van Mycoplasmen van de zeug naar de biggen reduceren, maar mag niet systematisch worden toegepast in de EU. Om de cyclus van kiemoverdracht van oude biggen naar jonge biggen te doorbreken, is het aan te raden om leeftijdsgroepen te scheiden en te werken in een zo strikt mogelijk ‘all-in-all-out’ systeem. Naast een goed bedrijfsmanagement is het tevens belangrijk om te zorgen voor een optimaal stalklimaat. Bijzondere aandacht moet besteed worden aan de temperatuur, ventilatie en de hokbezetting.

Vaccinatie

Vaccinatie tegen enzoötische pneumonie wordt wereldwijd toegepast. In België zijn er verschillende dode Mhyo-vaccins beschikbaar. Aangezien infectie reeds op jonge leeftijd plaatsvindt, worden de meeste biggen gevaccineerd tijdens de kraamstalperiode via een éénmalige of tweemalige injectie. Vaccinatie op latere leeftijd (bijvoorbeeld op tien weken) kan men toepassen in bedrijven waar de varkens pas op latere leeftijd worden besmet. Men raadt eveneens aan om aangekochte gelten afkomstig van een bedrijf met een onbekende of lagere infectiestatus te vaccineren tijdens de quarantaineperiode.

Vaccinatie van zeugen?

Over de vaccinatie van zeugen bestaat enige controverse. Vaccinatie van zeugen tijdens het einde van de dracht heeft als doel de overdracht van Mycoplasmen van de zeug naar de biggen tegen te gaan, en de biggen te beschermen tegen infectie via antistoffen in de biest. Onderzoek toonde aan dat vaccinatie van zeugen vijf en drie weken vóór het werpen leidt tot een lager aantal Mhyo-positieve biggen bij spenen. Echter, het volledig verhinderen van kiemoverdracht van de zeug naar de biggen is niet mogelijk en maternale antistoffen kunnen het aanslaan van Mhyo bij de biggen niet volledig voorkomen.

Zes maanden wachten

De varkens ontwikkelen immuniteit enkele weken na de tweede of enige vaccinatie, maar de effecten op het bedrijf worden pas ongeveer 6 maanden na het starten van de vaccinatie duidelijk. Vaccinatie tegen Mhyo resulteert in een daling van het aantal secundaire infecties en van de klinische symptomen, een verminderd percentage dieren met longletsels, een verbetering van de dagelijkse groei (2-8%) en een stijging van de voederconversie (2-5%). Vaccinatie kan echter het aanslaan van de kiem in de longen niet voorkomen en kan eveneens de spreiding van de kiem niet tegengaan. Onderzoek naar innovatieve vaccins en vaccinatiestrategieën is daarom volop aan de gang.

Dierenarts Anneleen Matthijs,

Faculteit Diergeneeskunde, Ugent

Lees ook in Varkens

Consortium ontwikkelt vaccin tegen AVP

Varkens Het Spaanse farmaceutische bedrijf Hipra leidt een consortium met een tiental partners om een vaccin te ontwikkelen tegen de Afrikaanse varkenspest (AVP), zowel voor commerciële varkens als voor wilde everzwijnen.
Meer artikelen bekijken