De landbouwsector stond aan de frontlinie bij de natuurbrand in de Hoge Venen
Toen midden augustus de Hoge Venen in vuur en vlam stonden, hoefden de landbouwers uit de regio niet lang na te denken. Tractoren, mesttanks, waterciternes, vrachtwagens, werfmachines, chauffeurs en mecaniciens trokken allemaal naar de getroffen zone. Het team van Jean-Luc Evrard, directeur van het bedrijf Evrard-Sprimat, was er dagenlang 24 op 24 uur actief. Hij vertelde ons zijn relaas van deze indrukwekkende mobilisatie, maar ook van de tekortkomingen van de organisatie.

Jean-Luc Evrard: “Wij zijn zowel dealer als landbouwbedrijf. Onze activiteiten zijn dus tweeledig: we onderhouden ons eigen materieel, maar ook dat van onze klanten.” Op vrijdag 14 augustus, rond 14 uur, toen de rookpluim vanaf het bedrijf zichtbaar was, nam de gemeente contact op met de ondernemer. “De burgemeester vroeg me welk materieel ik beschikbaar had en of we konden helpen.”
Drie mesttanks – 1 van 26.000 l en 2 van 29.000 l – en containers van 90 en 50 m³ konden ter beschikking worden gesteld om water op te slaan.
Wachten op een vordering
Volgens Jean-Luc Evrard moet deze ervaring de autoriteiten ertoe aanzetten om beter vooruit te denken over dergelijke mobilisaties. “We zouden bedrijven die bereid zijn om te helpen vooraf moeten kunnen vorderen, ze moeten registreren en zo precies weten welk materieel ze ter beschikking kunnen stellen.” Zo kunnen de beschikbare middelen snel worden ingezet en zijn de bedrijven en hun werknemers beter beschermd.
24 uur op 24, een week lang
Van de ongeveer 40 chauffeurs en technici die Evrard-Sprimat telt, wisselden in totaal 6 medewerkers elkaar ter plaatse af. De ploegen volgden elkaar dag en nacht zonder onderbreking op. Er bleef ook een bestelwagen met 2 mecaniciens ter plaatse, zodat zij snel konden ingrijpen wanneer er problemen waren met het materieel. Cabinefilters die door de rook verstopt raakten, radiatoren die moesten worden uitgeblazen en gereinigd, kleine defecten, problemen met pompen… er waren heel wat interventies nodig. “Daar kwam onze rol als dealer echt goed van pas. We moesten de machines snel weer operationeel kunnen maken en defecten ter plaatse verhelpen”, aldus Jean-Luc Evrard.

Ondanks de moeilijke omstandigheden vielen er gelukkig geen ernstige ongevallen te betreuren. Enkele slangen raakten beschadigd, maar de tractoren en belangrijkste machines bleven gespaard. “Ik heb mijn team gevraagd om kalm en voorzichtig te blijven en om zich niet op te jagen. We moesten het op lange termijn volhouden. Het was geen sprint, maar eerder een marathon”, benadrukt hij. “Mijn mensen zijn seizoenswerk gewend: op bepaalde momenten is het werk zeer intensief. Het zijn ervaren mensen die dit als een deel van hun werk hebben opgevat. Niet gaan helpen, betekende voor hen ook dat ze dan niet deelnamen aan deze golf van solidariteit. Ik zie hen als strijders, die er trots op zijn dat ze hebben bijgedragen aan de bestrijding van de brand.”
Indrukwekkende solidariteit vanuit de landbouw
Niet alleen de rechtstreeks gevraagde bedrijven kwamen in actie. Een hele sector mobiliseerde zich.
“Die vrijdag werd ik al snel toegevoegd aan een WhatsApp-groep die oorspronkelijk door een dertigtal landbouwers was opgericht om zich voor te bereiden op eventuele branden in de regio en op hun eigen bedrijven”, vertelt Jean-Luc Evrard. Die groep, die op 25 juli was opgericht onder de naam Entraide aux pompiers (Hulp aan de brandweer), had al eerder informatie uitgewisseld over mogelijke brandrisico’s.
“Welk materieel hadden we ter beschikking? Hadden we extra slangen nodig? Wat zouden we doen als het zover kwam? Laten we onze tanks vullen zodat we klaarstaan als het gebeurt…” Het waren allemaal vragen die de landbouwers zich stelden uit bezorgdheid dat er ergens een brand zou uitbreken, want dat kon overal gebeuren. Nadat de brand in de Hoge Venen was uitgebroken, groeide de groep snel aan tot bijna 150 deelnemers.
Op het terrein kwamen meer dan 60 landbouwers in actie, samen met zowat alle loonwerkers uit de regio, bedrijven uit de openbare werken, bouwbedrijven, betonmixers en melkophalers. Iedereen bood aan wat hij ter beschikking kon stellen. “Sommigen boden extra mesttanks aan, anderen tractoren of pompen. Bouwbedrijven kwamen met machines die oorspronkelijk niets met landbouw te maken hadden, maar die wel konden worden ingezet om water te vervoeren.”

Geluk bij ongeluk
Het water werd aangevoerd vanuit verschillende waterpunten in de buurt van het vuurfront. De stuwmeren van Robertville, van Gileppe en Bütgenbach en, in mindere mate, van de Vesder in Eupen, maakten het mogelijk om over grote hoeveelheden water te beschikken. “Die verschillende punten lagen uiteindelijk vrij gunstig. Tussen de Gileppe en de plaats van de brand lag ongeveer 10 km. Dankzij de grote wegen kon het water vrij snel worden aangevoerd”, legt Jean-Luc Evrard uit.
De tractoren en tanks deden de heen-en-terugritten, terwijl containers in de buurt van de interventie als waterreservoirs werden gebruikt. Het was een eenvoudig, maar bijzonder efficiënt systeem. “Vanaf zondag werden ook vrachtwagens met diesel voor weggebruik en landbouwdiesel ter beschikking gesteld van de hulpverleners. Zo konden de vele voertuigen die voortdurend tussen de waterpunten en het vuurfront reden, worden bevoorraad.”

Volgens de ondernemer waren verschillende factoren gunstig voor de hulpdiensten. In de eerste plaats was er voldoende water beschikbaar, en bovendien dicht bij de brand, dankzij de stuwmeren. Daarnaast brak de brand uit tijdens ‘het juiste weekend’. Hij legt uit: “Als de brand het weekend voordien was uitgebroken, toen de Gileppe Trophy plaatsvond met meer dan duizend sporters, gevolgd door een hele week met brandende zon, hadden de situatie en de toegang tot dat stuwmeer er heel anders kunnen uitzien.”
Ten slotte keerde ook de regen terug, op zondagavond. “In totaal kregen we die week ongeveer 45 mm neerslag. Dat heeft de brand en de verdere verspreiding ervan echt afgeremd.

Organisatie moet beter
Hoewel de solidariteit goed functioneerde, kwamen ook een aantal tekortkomingen aan het licht. Een van de belangrijkste problemen die Jean-Luc Evrard vaststelde, was de communicatie tussen de verschillende betrokken partijen. De landbouwers beschikten over hun eigen communicatiegroepen, terwijl de brandweer via andere kanalen werkte.
“
Voor de ondernemer zijn een gemeenschappelijke kaart en duidelijk vastgelegde routes dan ook noodzakelijk voor toekomstige interventies.
Verschillende koppelingen
Een ander probleem, veel minder spectaculair maar bijzonder hinderlijk, waren de koppelingen. De uitrusting die door de Waalse, Vlaamse en Duit

Volgens Jean-Luc Evrard zou een eenvoudige oplossing erin bestaan om in de hulpverleningszones voorraden met compatibele koppelingen aan te leggen, zodat landbouwers en ondernemers hun materieel rechtstreeks op de uitrusting van de brandweer kunnen aansluiten. Op langere termijn zou een standaardisering van de koppelingen uiteraard nog beter zijn.
Werken aan een nationale inventaris van beschikbaar materieel
“Het idee is eenvoudig: in plaats van in een noodsituatie te ontdekken welke middelen beschikbaar zijn, waarom zouden we vooraf geen inventaris opmaken van bedrijven die kunnen worden ingezet?”, stelt Jean-Luc Evrard voor. Tractoren, mesttanks, citernes, pompen, vrachtwagens, grondverzetmachines, hefmaterieel…: de landbouwsector en lokale bedrijven beschikken over een enorme hoeveelheid materieel dat bij een ramp kan worden ingezet. “Met de huidige technologische mogelijkheden zou het vrij eenvoudig zijn om bedrijven hun voertuigen, capaciteiten en beschikbaarheid te laten registreren. En indien nodig kunnen we vooraf ook het kader voor een eventuele vordering vastleggen.”
Die aanpak zou overigens verder kunnen gaan dan alleen bij branden. Ook bij overstromingen, stormen, sneeuwperiodes of andere natuurrampen zou hetzelfde systeem kunnen worden gebruikt. “De Civiele Bescherming hoeft misschien geen enorme bedragen te investeren in materieel dat een groot deel van de tijd opgeslagen staat. Ze zou ook gebruik kunnen maken van de middelen die al aanwezig zijn bij lokale bedrijven.”
Een erkenning die verdergaat dan een vergoeding
De vraag naar een vergoeding voor de interventies blijft momenteel nog open. De kosten voor bedrijven en landbouwbedrijven zijn wel reëel: brandstof, werkuren, slijtage van het materieel, onderhoud en uitgesteld landbouwwerk…
Maar volgens de ondernemer gaat het om meer dan alleen een financiële vergoeding. “Natuurlijk moeten de kosten worden gedekt en moet worden vermeden dat degenen die hebben geholpen er financieel bij inschieten. Maar wat landbouwers vooral vragen, is erkenning en meer waardering voor hun rol.”
De brand heeft in ieder geval de kijk van een deel van de bevolking veranderd. “Mensen komen ons op dorpsfeesten aanspreken en zeggen ‘Bedankt, landbouwers’. Dat doet iets met je.”

Die erkenning is misschien wel een van de belangrijkste lessen van deze gebeurtenis. De landbouwer is niet alleen voedselproducent. In uitzonderlijke omstandigheden kan hij ook chauffeur, watertransporteur, logistiek medewerker, mecanicien of assistent van de hulpdiensten worden. “Politici moeten beseffen dat we niet ver hoeven te zoeken naar wat we nodig hebben. Een vergoeding zou uiteraard welkom zijn, maar ik denk dat we landbouwers ook iets anders moeten bieden en ons landbouwbeleid moeten herzien om hen beter te ondersteunen en te begeleiden”, besluit Jean-Luc Evrard.
Een reserve aan middelen die we niet mogen onderschatten
De brand in de Hoge Venen werd uiteindelijk bedwongen. De beschikbaarheid van water, het weer, de terreinomstandigheden en vooral de menselijke inzet speelden daarbij een doorslaggevende rol. Maar de conclusie is duidelijk: bij een volgende ramp zijn diezelfde omstandigheden misschien niet opnieuw aanwezig.
“Als we nog 2 of 3 dagen intense hitte hadden gehad, had de situatie oncontroleerbaar kunnen worden. We hebben enorm veel geluk gehad.” Deze ervaring is dan ook zowel een waarschuwing als een reden tot tevredenheid.
Volgens Jean-Luc Evrard was de solidariteit er, het materieel was er en de mensen waren er. Nu moet die spontane mobilisatie worden omgezet in een echte, georganiseerde interventiecapaciteit. De beschikbare middelen inventariseren, de procedures voor vorderingen verduidelijken, de communicatie stroomlijnen, een gemeenschappelijke kaart opstellen, compatibele koppelingen voorzien en de verantwoordelijkheden vooraf vastleggen: het zijn allemaal zaken die ervoor kunnen zorgen dat in de toekomst kostbare tijd wordt gewonnen. Bij een brand van deze omvang telt immers elk detail en kan elk detail het verschil maken.
De landbouwers hebben het alvast opnieuw bewezen: als ze nodig zijn, staan ze er!





