Aardappeldag Viaverda toont kracht van kennisuitwisseling
Op 20 augustus organiseerden het Agentschap Landbouw en Zeevisserij en het proefcentrum Viaverda de tweede editie van de Aardappel- en Uiendag. Ruim 400 telers en stakeholders verzamelden op de Viaverda-proefvelden van proefveldhouder Raf De Paepe in Kruisem. In de aardappelteelt werd gefocust op plaagbeheersing, duurzaamheid en opbrengst.

Seizoenen kunnen heel sterk variëren; van seizoenen waarbij bijna geen bespuitingen nodig zijn – zoals dit seizoen – tot seizoenen waarbij tot 20 bespuitingen nodig zijn om phytophthora onder controle te houden. Omdat het middelenpakket voortdurend kleiner wordt en de aardappelziekte alsmaar agressiever, wordt de bestrijding ervan steeds moeilijker. Preventie is dus aangewezen.
“Phytophthora kan je herkennen aan de bruine, waterachtige vlekken met een blekere cirkel errond op de bovenzijde van de bladeren van de aardappelplant”, zei Viaverda-onderzoeker Stany Vandermoere. “Onder vochtige omstandigheden – vooral ’s morgens – zie je aan de onderzijde van de bladeren schimmelpluis. Deze vlekken zijn niet te verwarren met andere verschijnselen zoals bladverbranding, stress en ozonschade.”
Vandermoere toonde via de resultaten van een aardappelziektebestrijdingsproef aan hoe een ziektemodel als basis kan dienen voor gerichte spuitadviezen tegen de plaag. Zo heb je minder bespuitingen nodig en kunnen die ook rendabeler gebeuren. “Aan de hand van het ziektemodel sturen we onze adviezen wanneer je een bespuiting tegen phytophthora en alternaria het best uitvoert via onze nieuwsbrieven uit. Je kan ook onze webapplicatie voor perceelsspecifiek advies gebruiken. Dat model berekent dan voor jou wanneer je het best een bespuiting uitvoert, uitgaande van de weersomstandigheden en de voorafgaande bespuitingen op jouw perceel. Dat is nog iets nauwkeuriger.
Ook de rassenkeuze heeft effect op de bestrijdings-strategie. Zo kunnen de rassen Invictus en Alanis mee met het referentieras Fontane inzake bewaarbaarheid en frietkwaliteit, maar zijn ze duidelijk veel minder vatbaar voor de aardappelziekte. In onze waarschuwingsberichten adviseren we ook in functie van de rasgevoeligheid voor phytophthora of een bespuiting nodig is. Hopelijk komen er in de toekomst nog meer rassen op de markt die resistentiegenen tegen phytophthora bevatten.”
Autonome sporenvallen
Vandermoere toonde ook 2 autonome sporenvallen. Daarbij wordt er via een aanzuigmond lucht verzameld, waarna er onder een microscoop beoordeeld wordt of die lucht phytophthora-sporen bevat. Deze info is zeer waardevol om het risico op infectie door aardappelziekte nog beter te kunnen inschatten en om te weten of je al dan niet moet spuiten.
Onkruidbestrijding
Binnen het onderzoek rond innovatieve technieken voor onkruidbestrijding stelde Valentijn De Cauwer (Viaverda) herbicideschema's voor die een minimale milieu-impact combineren met behoud van financieel rendement. In de vooropkomstbestrijding is het gebruik van de actieve stof metribuzin (Sencor) niet meer toegelaten in de strijd tegen doorn-appel, in 2027 zal dat ook met flufenacet het geval zijn. Prosulfocarb (Defi) is terug op de markt, maar aclonifen (Challenge) ligt dan weer onder vuur, omdat deze werkzame stof in het water wordt teruggevonden. Goed nieuws is de toelating voor Conaxis (50 g/l clomazon + 400 g/l dimethenamid-p). In een proef konden de onderzoekers met beperkte inzet van middelen toch een goede onkruidbestrijding realiseren.
“Heb je ruim 1 week na het planten vochtig weer, dan loont het zeker de moeite om dankzij de goede toepassingsomstandigheden voor bodemherbiciden te kiezen”, adviseerde De Cauwer. Gozai (0,4 l/ha) kan kort bij de opkomst een belangrijke meerwaarde bieden om kleine onkruiden te bestrijden bij de combinatie Proman (3 l/ha) + Centium (0,2 l/ha). De combinatie Proman (2 l/ha) + nieuwkomer Conaxis (1,5 l/ha, 120-dagenregeling) toonde een heel goede bestrijding en nawerking tegen hanenpoot en grassen.
In naopkomst zijn de opties helaas ook beperkt. “Titus werkt goed tegen muur, hanenpoot, kamille en kleefkruid, maar komt tekort tegen probleemonkruiden zoals melganzenvoet en doornappel. Onyx kreeg wel een noodtoelating tegen doornappel, maar moet je op heel kleine, niet afgeharde onkruiden toepassen. Je moet ook spuiten voor het gewas een vijftal cm groot is, dus dat is heel kort na de opkomst.”
Met het oog op de toekomst onderzocht Viaverda de mogelijkheden van een spot sprayer (zoals de Ecorobotix) en kappenspuit in naopkomst met een – nog niet toegelaten –contactmiddel. De kappen-spuit is minder prijzig dan een spot sprayer en heeft een heel mooie afbrandende werking. Dat is dan wel enkel tussen de rijen; met een spot sprayer kan je ook in de rijen spuiten.
Erosie beperken
Duurzaam bodembeheer en erosiebestrijding vormen een andere belangrijke onderzoekslijn. Onderzoeker Jeroen De Waele stelde een demonstratieve proef voor die was aangelegd in het kader van het Leaderproject ‘Niet-kerende grondbewerking als erosiebeperkende maatregel in intensieve teelten’ (zoals groenten en aardappelen). Via een ‘lerend netwerk’ van landbouwers wordt deze techniek meer gangbaar gemaakt in de Vlaamse Ardennen. “Dit najaar willen we een specialist laten rondgaan bij de telers van ons netwerk die hen nog verder kan adviseren”, gaf De Waele mee.
“Eind mei - begin juni vingen we een week lang de afstroming van het proefperceel op. We kregen toen 3 grote buien met telkens 10 l neerslag (in totaal 32 mm neerslag). In diverse objecten probeerden we ploegen en niet-kerende grondbewerking met en zonder aanleg van drempels uit. De hoeveelheid water die we opvingen was telkens sterk gereduceerd door de drempels. Die houden het water tegen en ook het sediment blijft liggen vóór de drempels.
Er waren ook objecten waarbij er werd geplant met een kooirol. “De ruggen werden afgewerkt met een kooi, die ervoor zorgt dat ze een kruimelige structuur behouden, waardoor je heel veel infiltratie mogelijk laat”, legde De Waele uit. “Met de kooirol werd de afstroming in de demonstratieve proef sterk gereduceerd, vergelijkbaar en zelfs iets beter dan de drempels. Met de kooirol kan je de structuur van je grond ook luchtig houden.”

Opbrengst en kwaliteit
Ilse Eeckhout, teamleider Aardappelen bij Viaverda, stond stil bij de toestand van de aardappelen als gevolg van de hitte en de droogte van de voorbije zomer, waardoor de opbrengsten tegenvielen. Het vroege segment – genre Amora – kon duidelijk nog profiteren van regen in juni, met een opbrengst van 43 ton/ha. Sinora had meer te lijden onder de droogte en haalde maar 31 ton/ha. Fontane haalde op het moment van het proefveldbezoek bruto 31 ha/ton en netto 28 ton/ha. Veel percelen zullen de sortering niet halen die ze moeten halen. Eeckhout adviseerde om te kijken wat er aan opbrengst en sortering in je aardappelen te zien is, ook omdat in heel veel contracten staat dat, als er zich een calamiteit voordoet of als je niet in de mogelijkheid bent om aan je contract te voldoen – je contracthoeveelheid niet kan leveren of de sortering niet kan halen – je dat moet melden aan je afnemer. “Lees de kleine lettertjes in je contract en meld het schriftelijk via e-mail als je ziet dat je niet aan de voorwaarden kan voldoen. Hopelijk leidt dat tot overleg en zullen er misschien normen worden aangepast of kan er nog iets worden besproken.”
Eeckhout verwacht aardappelen met een vrij hoog onderwatergewicht, met misschien stootblauwproblematiek tot gevolg. “Hergroei zien we hier en daar al, zeker op beregende percelen, waardoor ook de kans op doorwas vergroot. Misschien moeten dergelijke percelen nog een MH-behandeling krijgen. Het wordt sowieso een jaar van weinig MH-toepassingen. Door de voorbije hitte zal de kiemlust heel groot zijn. De fijnere sortering zal leiden tot een grotere tegendruk en minder tussenholtes tussen de aardappelen, wat bij de toepassing van de kiemremming in de bewaring de nodige aandacht zal vragen.”
Viaverda wil graag meer diversifiëring in het rassengamma, met alternatieven voor Fontane. “Door het jarenlang telen van Bintje kregen we aardappelmoeheid door het aaltje Globodera rostochiensis, met minder opbrengst tot gevolg. Door op grote schaal het resistente ras Fontane te telen, dreigt een ander aaltje, Globodera pallida, nu roet in het eten te strooien. Het wordt dus stilaan tijd om weer een ander resistent ras in te zetten. Sowieso is een ruime rotatie al een goed begin om het aaltjesprobleem aan te pakken.”
Eeckhout belichtte nog kort het financiële rendement van dit jaar. “Via plaagbestrijding kan je zo’n 500 euro besparen en het pootgoed was dit jaar misschien iets goedkoper, maar alle andere kostenposten bleven even duur of werden duurder. In combinatie met een lagere opbrengst per hectare zal het financiële rendement van aardappelen dit jaar dus een heel moeilijk verhaal worden. Met de lage opbrengsten zal immers ook het vrije marktsegment voor veel telers beperkt zijn.”
Stikstof op maat van het ras
Een ander onderzoeksthema handelde over stik-stofbemesting op maat van het ras. Bij de start van het seizoen kan je zelf de stikstofbemesting berekenen door het boekje Eerste hulp bij de basisbemesting van aardappelen te downloaden op de B3W-website (www.b3w.vlaanderen.be).

Stefanie De Clercq (Viaverda) legde het verschil uit tussen stikstofbehoefte en stikstofbemesting. “De stikstofbehoefte slaat op de hoeveelheid stikstof die je aardappelplant moet opnemen om een optimale opbrengst te bekomen, vermeerderd met een buffer die in je bodem standaard aanwezig moet zijn vooraleer je plant stikstof kan opnemen. Voor aardappelen ligt die buffer op zo’n 60 kg N/ha. Stikstofbemesting is de stikstofbehoefte verminderd met de stikstofvrijstelling tijdens het seizoen. Voor die stikstofvrijstelling kan je rekening houden met 5 factoren: eerst en vooral je organische mest die je op het perceel hebt gestrooid, resten van je vorige teelt en ook of er een groenbedekker op je perceel stond of niet. Je kan ook rekening houden met of je aardappelen zet na gescheurd grasland of niet (als je je grasland scheurt en daarna aardappelen zet, moet je je stikstofbemesting drastisch verminderen of je hebt in het najaar een heel hoog nitraatresidu). Tot slot kan je ook rekening houden met het feit dat er elke maand een mineralisatie van organisch materiaal in je bodem plaatsvindt.
Een volgende belangrijke stap is fractioneren: maar 70% van je berekende startbemesting geven bij de start. Twee weken na opkomst kan je dan een staal tot 60 cm diep laten nemen en bij het labo een bijbemestingsadvies aanvragen. Op basis van dat advies kan je dan bepalen of je nog al dan niet moet bijbemesten. Fractioneren kan je ook aangeven als terugverdienmaatregel in je verzamelaanvraag, maar dan moet je het advies van het labo wel echt volgen.”
In het project ‘OptiN-Ras: Stikstof op maat in aardappelen’ gaan Viaverda, Inagro en PIBO-Campus op zoek naar de optimale stikstofbehoefte van enkele specifieke rassen. Vorig jaar lag er op het proefveld in Kruisem een proef aan met de rassen Fontane, Challenger, Markies en Alegria. Elk ras kreeg een nulbemesting, een 75, 150 en 225 kg N/ha, met als doel per ras een curve te kunnen opstellen die het effect van stikstof op opbrengst weergeeft. Uit de resultaten bleek dat een stikstofbemesting boven advies niet leidt tot veel extra kilo’s. “De proeven tonen aan dat een rassenafhankelijke stikstofgift mogelijkheden biedt om het gebruik van stikstof verder te reduceren, zonder de opbrengst uit het oog te verliezen”, zei Stefanie De Clercq.
Goede praktijk vul- en spoelplaatsen
Ellen Pauwelyn (Inagro) stelde het Europese project ‘AdvisoryNet Pest’ voor, waarin men een netwerk van gewasbeschermingsadviseurs wil oprichten. Dat project heeft als doel om via nieuwe technieken het gebruik en de risico’s van gewasbe-schermingsmiddelen te verminderen. Zo werkt Viaverda onder meer rond resistente rassen, waarmee je het aantal bespuitingen tegen de aardappelplaag sterk kan verminderen.
Pauwelyn lichtte ook de richtlijnen uit de nieuwe Code Goede Praktijk voor vul- en spoelplaatsen van spuittoestellen en watercaptatiepunten toe. Deze code biedt je duidelijke richtlijnen voor de aanleg van aangepaste infrastructuur om puntvervuiling door gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen. Bij de aanleg van een nieuwbouw moet je een vul- en spoelplaats zeker overwegen. Voor de bouw ervan krijg je 50% VLIF-steun. Voor jonge landbouwers komt daar nog eens 10% bij, en als je een vul- en spoelplaats combineert met een zuiveringssysteem, nog eens 5%. Een vul- en spoelplaats is meestal een betonnen constructie, maar plastic matten zijn ook goedgekeurd en die kosten uiteraard heel wat minder.
Inagro en Viaverda geven bedrijfsspecifiek advies voor de aanleg van een vul- en spoelplaats. Voor landbouwers in de provincie West-Vlaanderen is dit gratis, want de provincie stimuleert dit sterk. Landbouwers die met Viaverda samenwerken, kunnen via de Kennisportefeuille 70% van de kostprijs terugkrijgen.





