Startpagina Akkerbouw

Opbrengstresultaten zeer vroege tot late kuilmaïsvariëteiten

Het CIPF, LCV, Carah en CPL-Vegemar voerden ook in 2020 uitgebreide post-inscriptie rassenproeven met zeer vroege tot late kuilmaïsvariëteiten voor het VarMaBel normaal netwerk. Het maïsteeltseizoen 2020 werd echter gekenmerkt door aparte weersomstandigheden die hun invloed hadden op het verloop van de rassenproeven.

Leestijd : 13 min

Net zoals in de voorgaande jaren was 2020 een teeltjaar met uitdagende klimatologische omstandigheden: lange droge periodes en een zeer zware hittegolf hebben gevolgen gehad voor de opbrengst van de maïs.

De verschillen tussen regio’s, en ook binnen percelen, waren opnieuw erg groot. De drogestofopbrengst ging van ronduit ontgoochelend tot soms toch nog zeer goed. De opbrengst was sterk afhankelijk van de lokale hoeveelheid neerslag, van de omstandigheden en de conditie van de maïs op het moment van de bloei en van het vochthoudend vermogen van de bodem. Door het gebrek aan neerslag en de hoge temperaturen tijdens het begin van de maand september steeg het drogestofgehalte in de planten heel snel naar waarden boven de 38-40% droge stof.

tabel1m

Helaas zijn de rassenproeven in 2020 niet gespaard gebleven van de moeilijke klimatologische omstandigheden. Eind juni werd reeds een aantal van de uitgezaaide proeven opgegeven wegens onaanvaardbare heterogeniteit ten gevolge van de droogte. In de loop van het seizoen vielen nog enkele proeven af door de aanhoudende moeilijke omstandigheden. Na de oogst van de overblijvende proeven werden enkel de proeflocaties behouden die beantwoorden aan de kwaliteitsvereisten van het VarMaBel-protocol. De gesynthetiseerde resultaten weerspiegelen niet helemaal de situatie van de zwaarst getroffen streken, maar voor de evaluatie van de rasverschillen kan men zich enkel baseren op resultaten van geslaagde, homogene proeven.

tabel2m

Opbouw van het proefveldnetwerk

Net als de voorgaande jaren is het normaal netwerk silomaïs opgesplitst in 2 groepen op basis van de vroegrijpheid van de rassen. Een eerste groep groepeert de zeer vroege tot vroege rassen (FAO index ≤ 230). De halfvroege tot late rassen (230 < FAO index ≤ 270) vormen de tweede groep.

In het normaal netwerk van 2020 werden de betere rassen van de afgelopen jaren uitgezaaid samen met de koplopers van het CIPF voorlopig netwerk van 2019. Daarbij komen nog recent op de Belgische rassencatalogus ingeschreven hybriden en tenslotte nog een aantal goed presterende rassen die in 2019 hun eerste jaar meeliepen in de officiële rassenproeven.

De proefvelden voor het netwerk worden aangelegd in de verschillende landbouwstreken van Laag- en Midden-België. Er is een gerandomiseerde blokkenproef met 4 herhalingen op elke locatie waarbij van de 4 uitgezaaide rijen enkel de 2 middelste rijen machinaal geoogst, gewogen en geanalyseerd worden.

In het netwerk met de zeer vroege tot vroege rassen werden afgelopen jaar 39 rassen getest. De resultaten van 6 locaties werden in de synthese van 2020 verwerkt: Ath (Carah), Bossut, Meeuwen en Saint Symphorien (CIPF), Lendelede en Melle (LCV). De verschillende rassen werden vergeleken ten opzichte van 4 standaardrassen (Activiti CS, Elstream, LG 31235 en SY Talisman). De gemiddelde opbrengsten van de verschillende proefvelden gingen van 15,4 tot 21,2 t/ha bij een drogestofpercentage tussen de 35,8 en 42,1% bij de oogst.

tabel3m

Het netwerk met de halfvroege tot late rassen (230 < FAO index ≤ 270) bestond uit 44 rassen. De synthese van deze groep steunt op de resultaten van 7 proeflocaties in Laag- en Midden-België: Ath (Carah), Boutersem, L’Ecluse, Oosteeklo en Overpelt (CIPF) en Lendelede en Melle (LCV). Voor dit netwerk werden volgende 4 standaard-rassen geselecteerd: ES Ruffy, Isigni CS, LG 31276 en RGT Bixx.

De standaardrassen zijn rassen die reeds meerdere jaren getest zijn en worden gekozen omwille van hun regelmatige en bevredigende eigenschappen voor de belangrijkste rascriteria. De gemiddelde opbrengsten van de verschillende proefvelden in de late groep gingen van 16,0 tot 23,1 t/ha bij een drogestofpercentage tussen de 34,4 en 40,2% bij de oogst.

De bepaling van de voederwaarde via NIRS van de verschillende variëteiten zijn uitgevoerd in samenwerking met de Afdeling Valorisatie van landbouwproducten van het CWRA te Gembloux en het Provinciale Laboratorium van Henegouwen. Voor de bepaling van de verteerbaarheid van het organisch materiaal wordt gewerkt met de M4 equilibratie-curve van Aufrère.

Bevredigende maïsopbrengsten halen was in 2020 geen evidentie.
Bevredigende maïsopbrengsten halen was in 2020 geen evidentie. - Foto: TD

Hoe het geschikte ras kiezen?

De zeer vroege tot vroege variëteiten kunnen gezaaid worden van (15) - 20 april tot 20 mei. Na 15 mei is het eerder aangewezen om zich enkel nog tot de zeer vroege rassen te beperken (180 < FAO index ≤ 200). De zeer vroege tot vroege rassen verdienen de voorkeur na een snede raaigras of wanneer een perceel tijdig vrij moet zijn voor de volgteelt of de inzaai van een groenbedekker.

De halfvroege tot late rassen (230 < FAO index ≤ 270) worden doorgaans gezaaid tussen 15 april en 10 mei. Als de weersomstandigheden en de grond het toelaten, kan men uiteraard nog vroeger of later zaaien. Men moet er zich dan wel van bewust zijn dat een zeer vroege zaai risico’s op vorstschade met zich mee brengt. Zaaien in een koude bodem kan bovendien een vertraagde en mogelijk slechtere opkomst met zich mee brengen.

tabel4m

Te laat zaaien verhoogt (zeker voor de late rassen) dan weer het risico op een te late oogst en eventueel schade aan de bodemstructuur. Men zaait de late rassen dus het best op de percelen die zowel in het voorjaar als in het najaar goed toegankelijk zijn. De latere rassen worden vooral gekozen omwille van hun hoge productiecapaciteit. We stellen wel vast dat het verschil met de vroegere rassen de laatste jaren kleiner wordt. Vergeleken met de zeer vroege tot vroege rassen gaat de verhoging van de productie meestal samen met een lagere voederwaarde per kilogram, gezien het kolfaandeel daalt: de totale plantenmassa is groter maar het gewicht van de kolven is niet noodzakelijk groter.

Weet men bij zaai nog niet of de maïs gehakseld of gedorst gaat worden, dan kan er gekozen worden voor de dubbeldoelrassen. Het is hierbij aangewezen om te kiezen voor rassen die zich in het proefnetwerk korrelmaïs bewezen hebben door een goede korrelopbrengst met een laag vochtgehalte en een goede resistentie tegen stengelrot.

Binnen deze groep zijn er genoeg rassen te kiezen die ook een goed rendement halen bij het hakselen als kuilmaïs. De keuze voor een typisch kuilmaïsras verhoogt bij een oogst als korrelmaïs de kans op een hoger vochtgehalte of een moeilijker oogstbaar gewas ten gevolge van stengelrot of legering.

Het oogsttijdstip dient goed gepland te worden in functie van de evolutie van het drogestofgehalte en van de weersomstandigheden. Voor de vroege tot zeer vroege rassen zal het behalen van het optimale drogestofgehalte van 32 tot 36% doorgaans geen problemen stellen. Bij dit niveau van drogestofgehalte heeft men ideale inkuilomstandigheden samen met een goede voederopname. Boven de 38% wordt het moeilijker om een goed aangedrukte kuil te verwezenlijken, zodat de kans op schimmelontwikkeling en opwarming van de kuil verhoogt. De schimmels verhogen op hun beurt de risico’s op mycotoxines. De smakelijkheid van het voeder gaat eveneens gradueel achteruit.

Onder de 32% droge stof ligt het zetmeelgehalte vaak te laag en verhoogt zeker bij rassen van het staygree n type de kans op het optreden van sapverliezen. Voor de halfvroege rassen haalt men in Laag- en Midden-België meestal probleemloos de 32-36% droge stof. Voor de halflate en late rassen dient men rekening te houden met een voldoende vroege zaaidatum en een mogelijks late oogstdatum.

Gezien de omvangrijke biomassa van bepaalde rassen is het soms nodig om bij een wat lagere zaaidichtheid (90.000 - 95.000 korrels/ha) te zaaien. De impact van een lagere zaaidichtheid op de rijpheid bij de oogst blijft echter beperkt (+0,5% DS) ondanks een hoger kolfaandeel en een meer legeringsvast gewas.

Door de selectie hebben de meeste van de huidige rassen een vrij goed staygreen karakter. Dit maakt het zeer moeilijk om zich enkel te baseren op de uitwendige visuele kenmerken van de gehele plant voor het bepalen van het optimale oogsttijdstip. Planten met een drogestofgehalte van 35% kunnen nog over volledig groene bladeren beschikken terwijl de schutbladeren en korrels al ver zijn afgerijpt. Het regelmatig controleren van de schutbladeren en korrels (via de positie van de melklijn en de verdeling van de verschillende zetmeelvormen en via de al dan niet aanwezigheid van het zwarte puntje) en het opvolgen van de persmededelingen van het LCV (www.lcvvzw.be of in Landbouwleven) betreffende de afrijping van de kuilmaïs in Vlaanderen laten toe om het oogsttijdstip beter te bepalen.

In het drogestoftraject van 32 tot 36%, zijn er normaal gezien geen problemen met stengelrot. Boven de 36% droge stof kan deze ziekte een snelle stijging van het drogestofgehalte veroorzaken waardoor een snelle oogst nodig wordt om bijkomende problemen te vermijden. Stengelrot maakt de planten meer gevoelig voor legering en voor kolfverliezen bij de oogst. Hoewel dankzij de genetische vooruitgang problemen met stengelrot steeds minder voorkomen, zijn er nog aanzienlijke verschillen tussen de rassen onderling. Zodoende blijft dit kenmerk bij de rassenkeuze nog altijd van belang, zeker bij de zeer vroege tot vroege rassen. Voor de halfvroege tot late variëteiten zijn er meestal weinig problemen.

tabel5m

Ondanks de grote jaarverschillen blijft een lagere gevoeligheid voor builenbrand nog altijd een belangrijke troef bij de rassenkeuze. Er zijn duidelijke verschillen in gevoeligheid tussen de verschillende rassen waar te nemen. Afhankelijk van jaar tot jaar kan men in meer of mindere mate builenbrand terugvinden op planten en/of kolven. Wanneer men enkel builenbrand heeft op de stengels blijft de impact op de opbrengst en op de voederwaarde beperkt. Wanneer een ras te kampen heeft met een relatief grote aantasting met builenbrand op de kolven zal er een weerslag zijn op de opbrengst, de voederwaarde en de smakelijkheid van het voeder.

Resistentie tegen mechanische legering en stengelbreuk blijven eveneens belangrijke eigenschappen. Mooi rechtopstaande planten vergemakkelijken de oogst. Goed legeringsvaste planten geven ook minder kans op verhoogde aswaarden in de kuil en op hogere celwaarden in de melk. Dank zij de genetische selectie zien we sinds een aantal jaren nog maar weinig rassen met noemenswaardige problemen met mechanische legering of stengelbreuk.

Voederwaarde-eigenschappen zoals zetmeelgehalte, verteerbaarheid en VEM zijn uitermate belangrijk voor het realiseren van een optimale melkproductie met een zo laag mogelijke aanvulling met krachtvoer.

Late rassen worden vooral gekozen omwille van hun hoge productiecapaciteit, maar het verschil met de vroege rassen wordt kleiner.
Late rassen worden vooral gekozen omwille van hun hoge productiecapaciteit, maar het verschil met de vroege rassen wordt kleiner. - Foto: TD

Welke rassen zaaien in 2021?

1. Zeer vroege variëteiten (FAO index ≤ 200)

Bevestigende rassen: Activiti CS, Jakleen, LG 31225 en LG 31205.

Het ras Activiti CS, dat reeds 3 jaar getest werd in het normaal netwerk, behaalt zeer goede opbrengsten in kg DS/ha en kVEM/ha ondanks een VEM-waarde die onder het gemiddelde ligt.

Jakleen bevestigt opnieuw met zeer goede opbrengsten in kg DS/ha en kVEM/ha. Het ras beschikt over een gemiddelde VEM-waarde.

In de zeer vroege groep beschikken de rassen LG 31225 en LG 31205 over zeer goede algemene eigenschappen: de opbrengst in kg DS/ha en zeker ook in kVEM/ha zijn zeer goed. De VEM-waarden behoren bovendien bij de beteren in het klassement. De opbrengsten van LG 31225 zijn stabiel van jaar tot jaar. LG 31205 is één van de vroegste rassen in de groep van zeer vroege rassen. Dat maakt het ras uitermate geschikt bij een late zaai of een (zeer) vroege oogst.

Interessante nieuwigheden: Micheleen, LG 31224, LG 31223, DKC3204, KWS Saltare en Milkmax.

Micheleen eindigde in het voorlopig netwerk van 2019 op de tweede plaats van de ranking en het ras bevestigt in 2020 met de beste opbrengst in kg droge stof per ha van de groep. De VEM-waarde ligt onder het niveau van de standaardrassen maar dankzij het uitstekende opbrengstpotentieel behaalt het ras nog steeds één van de betere resultaten voor de kVEM-opbrengst.

Het nieuwe ras LG 31224 toont zich in zijn eerste jaar in het normaal netwerk veelbelovend, met een uitstekende opbrengst in droge stof per ha alsook in kVEM per ha. Het ras beschikt bovendien over één van de hoogste VEM-waarden uit de groep.

LG 31223 is een andere interessante nieuwigheid in het LG-gamma: het ras bevestigt in 2020 de resultaten uit het voorlopig netwerk van 2019 met een uitstekend opbrengstpotentieel (zowel in kg droge stof per ha als in kVEM per ha). De energiedichtheid (VEM waarde per kg droge stof) viel dit jaar wel een beetje lager uit.

De rassen DKC3204, KWS Saltare en Milkmax maken een goede intrede in het netwerk met goede resultaten in deze vroegrijpheidsgroep. Alle 3 behalen ze een goede opbrengst, zowel in kg/ha als kVEM/ha. De VEM-waarden liggen net onder het niveau van de standaardrassen.

Op het sanitaire vlak stellen we geen noemenswaardige problemen vast met het merendeel van de rassen in deze groep. Enkel het ras SY Karthoun vertoonde een matige gevoeligheid voor de ontwikkeling van builenbrand op de stengels.

De rassen LG 31224, Activiti CS, LG 31225 enLG 31205 halen in 2020 eveneens goede resultaten in het VarMaBel netwerk ten zuiden van Samber en Maas.

2. Vroege variëteiten (200 < FAO index ≤ 230)

Bevestigende rassen: LG 31245, SY Welas, LG 31238, MAS 16.B, RGT Bonifoxx en LG 30244

LG 31245 bevestigt in zijn tweede proefjaar in het normaal netwerk met de beste resultaten in de groep wat betreft opbrengst in kg droge stof per ha en in kVEM per ha. Hiermee herhaalt het ras zijn prestaties van 2019 en van het voorlopig netwerk van 2018. De VEM-waarde van LG 31245 behoort tot de betere van de vroege rassen.

Het ras SY Welas bevestigt ook zijn uitstekend opbrengstpotentieel in kg droge stof per ha. De resultaten zijn bovendien erg stabiel van jaar tot jaar want het ras staat reeds 4 jaar in de top 4 voor deze parameter. Het ras beschikt over een VEM-waarde onder het niveau van het gemiddelde, maar dankzij de goede opbrengst in droge stof levert het ras nog steeds een goede opbrengst in kVEM/ha.

Het ras LG 31238 beschikt over goede algemene eigenschappen: een goede opbrengst in kg DS/ha en in kVEM/ha met VEM-waarde op het niveau van de standaardrassen.

MAS 16.B bevestigt zijn zeer goede resultaten van 2019 met opnieuw een zeer goede opbrengst in zowel kg DS/ha als kVEM/ha. De VEM-waarde ligt wel onder het niveau van de standaardrassen.

tabel6m

De variëteiten RGT Bonifoxx en LG 30244 beschikken over een vergelijkbare, goede DS-opbrengst. De opbrengsten zijn bovendien regelmatig van jaar tot jaar. Beide rassen halen ook goede resultaten wat betreft VEM per kg. Dit vertaalt zich in een zeer goede opbrengst in kVEM per ha. RGT Bonifoxx is een zogenaamd scharnierras dat tot de latere rassen in de vroege groep behoort in de overgangszone met de halfvroege groep.

Interessante nieuwigheden: LG 31229 en RGT Exxon.

LG 31229 en RGT Exxon missen hun start in het normaal netwerk niet. Beiden beschikken over een zeer goede opbrengst, zowel in kg droge stof per ha en in kVEM per ha. Hiermee herhalen de 2 nieuwkomers hun prestaties uit het voorlopig netwerk van 2019. Beiden hebben een VEM-waarde die op het niveau van de standaardrassen ligt. RGT Exxon toonde zich een vroeger ras dan LG 31229.

Binnen de zeer vroege tot vroege groep zijn ondermeer de rassen Micheleenen LG 31238 geschikt als dubbeldoel-rassen aangezien ze ook interessant zijn bij een oogst als korrelmaïs.

Op het sanitaire vlak stellen we binnen het proefveldnetwerk een goede resistentie voor builenbrand op de stengels vast voor alle rassen uit deze groep, uitgezonderdLG 31245. Wat betreft de andere mogelijke gezondheidsproblemen stelde men geen noemenswaardige problemen vast voor de verschillende rassen in proef.

De rassen SY Welas enMAS 16.Bhalen in 2020 eveneens goede resultaten in het VarMaBel netwerk ten zuiden van Samber en Maas.

3. Halfvroege variëteiten (230 < FAO index ≤ 250)

Bevestigende rassen: P8333, P8666, DKC3568, LG31272, RGT Munxxter, Isigni CS en ES Ruffy.

Het ras P8333 staat op de eerste plaats in het klassement voor opbrengst in kg droge stof. Met een energiedichtheid die licht boven het proefgemiddelde ligt, beschikt het ras eveneens over een uitstekende kVEM-opbrengst.

Het ras P8666 is een zeer regelmatig ras van jaar tot jaar. Het levert een zeer goede opbrengst in kg DS/ha en in kVEM/ha.

DKC3568, LG 31272, RGT Munxxter, Isigni CS en ES Ruffy beschikken over zeer goede kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen. Bijkomende troeven voor DKC3568, RGT Munxxter, Isigni CS en ES Ruffy zijn hun stabiliteit op vlak van de resultaten over meerdere jaren.

Interessante nieuwigheden: SY Feronia, DKC3601 en Prestol.

Net zoals in het voorlopig netwerk van 2019 maakt SY Feronia een overtuigende intrede in het normaal netwerk van 2020 met opnieuw uitstekende resultaten in het klassement qua opbrengst in kg droge stof per ha en in kVEM per ha. SY Feronia beschikt bovendien over een zeer goede VEM-waarde.

DKC3601 is ook een veelbelovend nieuw ras in de halfvroege groep met zeer goede algemene eigenschappen, zowel qua opbrengstpotentieel als qua voederwaarde.

Prestol bevestigt zijn uitstekende resultaten uit het voorlopig netwerk van 2019: zeer goede opbrengst in kg droge stof per ha en in kVEM per ha.

Bij de rassen P8666 en ES Bond stelden we een verhoogde gevoeligheid voor builenbrand op de stengels vast. Voor de rest van de rassen in deze groep werden geen noemenswaardige aantastingen door ziektes waargenomen.

Het ras SY Feronia haalt in 2020 eveneens goede resultaten in het VarMaBel netwerk ten zuiden van Samber en Maas. Het feit dat de resultaten erg gelijklopend zijn in verschillende streken is een goede bevestiging van de algemene kwaliteiten van het ras.

4. Halflate tot late variëteiten (FAO index > 250)

Bevestigende rassen: Sucorn (DS1710C), Motivi CS, SY Glorius, LG 31280, P8888, Franceen, LG 31293 en LG 31276.

De rassen Sucorn (DS1710C) en Motivi CS bevestigen hun goede resultaten van 2019 met een uitstekende opbrengst in kg DS/ha en in kVEM/ha: beide variëteiten halen zo de top 3 voor de 2 klasseringen. Sucorn (DS1710C) enMotivi CS beschikken over een VEM-waarde die licht boven het gemiddelde van de standaardrassen ligt. Een laatste pluspunt voor beide rassen zijn hun stabiele opbrengst van jaar tot jaar. Motivi CS zit qua vroegrijpheid in de overgangszone naar de groep van de late rassen

De rassen SY Glorius, LG 31280 en P8888 beschikken alle 3 over gelijkaardige, zeer goede kwalitatieve en kwantitatieve eigenschappen. LG 31280 beschikt bovendien over een stabiele opbrengst in kg DS/ha over de jaren heen.

De variëteiten Franceen, LG 31293 en G 31276 beschikken allen over een goede opbrengst in kg DS/ha en in kVEM/ha. Alle 3 hebben een gemiddelde VEM-waarde.

Interessante nieuwigheden: Mastodon en Clementeen.

Mastodon bevestigt zijn uitstekende resultaten van het voorlopig netwerk in 2019 met de beste opbrengst in kg DS/ha in het normaal netwerk van 2020. Daarnaast beschikt het ras over een VEM-waarde onder het gemiddelde van de standaardrassen, maar dat belet het ras niet om toch een goede kVEM-opbrengst per hectare te realiseren.

Clementeen behoort bij de latere rassen die getest werden in het normaal netwerk van 2020 maar beschikt desondanks over een interessante energiedichtheid. Gekoppeld aan een zeer goede opbrengst resulteert dit uiteraard in een zeer goede kVEM-opbrengst.

Voor de vrij late rassen Sucorn (DS1710C), Motivi CS, P8888, Clementeen, Franceen en Misteri CS raden we aan om deze rassen enkel bij een vroege zaai in overweging te nemen. Daarnaast is een iets lagere standdichtheid van 90.000 tot 95.000 zaden/ha aangewezen om een voldoende hoog DS% te kunnen garanderen bij de oogst.

In de moeilijke omstandigheden van 2020 stelden we geen noemenswaardige problemen vast voor de rassen in deze groep wat betreft aantasting met builenbrand op de stengel, uitgezonderd voor het ras P8888. Ook voor de andere sanitaire parameters vertoonden alle geteste rassen geen noemenswaardige problemen.

Jurgen Depoorter, Michaël Mary en Guy Foucart (CIPF)

Geert Haesaert, Sofie Landschoot en Gert Van de Ven (LCV)

Géry Carbonelle en Olivier Mahieu (Carah)

Maxime Hautot (CPL-Vegemar)

Lees ook in Akkerbouw

Plagen: bladluizen zeer variabel bij bieten

Bieten Bij de eerste bieten, gezaaid op 10 april, beginnen de rijen te sluiten, terwijl de laatst gezaaide bieten amper het 4-bladstadium bereiken. Voor deze laatste is het zeker steeds belangrijk om attent te zijn voor bladluizen, meldt het Koninklijk Belgisch Instituut tot Verbetering van de Biet vzw (KBIVB).
Meer artikelen bekijken