Startpagina Liefhebberstuin

Het geheim van de tuinboon

In februari kan het weer alle kanten uit: het kan vriezen en sneeuwen, waaien en regenen. De vorige generaties wisten het ook: “Februari is nooit zo fel of ze geeft 3 zomerse dagen wel”.

Leestijd : 5 min

De eerste bloeiende planten in de natuur (krokus, kerspruim, gele kornoelje…) en het lengen van de dagen zorgen ervoor dat onze groene vingers af en toe al eens serieus beginnen te kriebelen. De grond is echter nog te nat om nu al volop aan de slag te gaan in de tuin, maar de tuinboon kan al wel gezaaid worden.

De tuinboon is een krachtig groeiend gewas en bovendien vorstbestendig. Daarmee kunnen we dus al vroeg aan de slag. Bij ons is deze misschien wat minder bekend (wij noemen ze vaak labbonen), maar bij onze Noorderburen zijn tuinbonen enorm populair.

Geschiedenis

De veldbonen, waartoe ook de tuinboon behoort, zijn een van de oudste cultuurgewassen, waarvan de vondsten teruggaan tot ver voor onze tijdrekening. Tot de middeleeuwen was het een van de belangrijkste voedingsmiddelen. Droge bonen werden opgeweekt en gekookt, maar ze werden ook tot meel gemalen en in brood en andere meelspijzen verwerkt. Pas nadat de bonen uit het geslacht Phaseolus –waartoe onder andere de stuikboontjes, de staakbonen, de sperziebonen en de snijbonen behoren– uit Amerika werden ingevoerd en de aardappel hoofdvoedsel was geworden, nam de betekenis van de tuinboon af. In particuliere tuinen, vooral in Nederland, bleven ze wel steeds hun plaats behouden.

Botanisch

Labbonen of tuinbonen behoren, net als alle andere peulvruchten, tot de grote familie van de vlinderbloemigen (Fabaceae ). Deze familie staat erom bekend dat de meeste soorten in staat zijn om, dankzij hun symbiose met stikstofbindende bacteriën, gasvormige stikstof te fixeren en om te zetten tot voor de plant bruikbare ammoniumstikstof. Het geslacht Vicia (wikke) waartoe de tuinboon behoort, bestaat voornamelijk uit kruidachtige, rankende planten. Het geslacht Vicia is vooral bekend om zijn soorten die ingezet worden als veevoer, denken we maar aan voederwikke en bonte wikke, maar ook paardenbonen en duivenbonen behoren tot dit geslacht.

De tuinboon (Vicia faba ) is een eenjarig, kruidachtig, vorstbestendig gewas met een zeer lage warmtebehoefte. Daardoor is het een van de eerste planten die in het vroege voorjaar (buiten) gezaaid en uitgeplant kunnen worden. Tuinbonen hebben een bossige groeiwijze, worden ongeveer 1 m hoog en wortelen tot 1 m diep in de grond. Vanaf half mei verschijnen in de bladoksels trosjes bloemen, die uitgroeien tot lange, grote peulen van 10 tot wel 30 cm lang, met daarin bonen die, afhankelijk van het ras, 1 tot 3 cm groot worden.

Teeltwijze

Traditioneel worden tuinbonen eind februari/begin maart buiten ter plaatse gezaaid. Voor de vroegste teelten kan vanaf half januari in potjes binnenshuis worden voorgezaaid of op een zaaibed in de serre of de koude bak (de tuinboon kiemt vanaf een temperatuur van 5 °C). Als er voorgezaaid wordt, dient men dit, vanwege de nog korte en vaak donkere dagen, te doen in onverwarmde ruimtes (veranda of andere onverwarmde, lichtrijke plaats) om het ‘fileren’ van de planten te vermijden. De zaaidiepte is in verhouding tot de grootte van de bonen vrij diep: 5 cm en op lichte gronden tot 8 cm. De bonen worden in de rij op 10 cm van elkaar gezaaid of geplant met een tussenafstand van 60 cm, als de plantjes zo’n 10 cm hoog zijn. Echte tuinliefhebbers gaan vaak nog vroeger aan de slag met tuinbonen. Er wordt dan al in oktober ter plaatse gezaaid. De jonge kiemplantjes kunnen aardig wat vorst verdragen en worden bij hevige vorst afgedekt met een groeivlies. Uit proeven is gebleken dat de bonen geen schade oplopen bij temperaturen tot -4 °C en dat ze ook veel lagere temperaturen overleven, waarbij de toppen wel kunnen invriezen, maar de onderliggende knoppen nadien toch weer gaan uitlopen. Planten van dergelijke najaarszaaiingen leveren in gunstige jaren al eind april oogstbare bonen.

Bodem en bemesting

Tuinbonen groeien goed op vrijwel alle grondsoorten, maar op zware, goed gedraineerde gronden is de opbrengst maximaal. Dankzij het feit dat ze stikstof uit de lucht kunnen fixeren, doen ze het, net als alle andere peulvruchten, ook nog goed op armere gronden. Ze hebben echter toch een uitgesproken voorkeur voor rijkere gronden. Naast de basisbehandeling van het onderspitten van oude stalmest en/of compost weten ze op het moment dat ze goed aan de groei zijn ook een handvol koemestkorrels best te appreciëren. Tuinbonen geven de voorkeur aan bodems met een eerder hoge pH-waarde. Bekalken voor de teelt is dus aan te raden.

Verzorging en oogst

Vanwege de hoogte van het gewas kan het, afhankelijk van de standplaats, nodig zijn om langs weerskanten van de rij een touw te spannen om te vermijden dat de planten omwaaien. Het grootste probleem bij tuinbonen is aantasting door de zwarte bonenluis. Het geheim van een rijke, niet door zwarte bonenluis aangetaste teelt bestaat erin zo vroeg mogelijk met de teelt te beginnen (vanaf half januari voorzaaien). Dan kunnen de planten begin maart naar buiten en heb je al grote stevige planten voor de grote massa luizen er aankomt.

Eens de plant 8 trosjes bloemen ontwikkeld heeft, kan men de jonge, malse, snel groeiende toppen uitbreken. Daardoor wordt de plant minder aantrekkelijk voor de zwarte bonenluis. Een lichte aantasting is op zich niet zo erg. Men eet immers enkel de bonen en niet de aangetaste peulen, tenzij je ze heel erg jong oogst (tot +/- 5 cm lengte). Dan zij ze ook lekker in hun geheel. De jonge, onrijpe peulen zijn oogstbaar vanaf begin juli en kunnen ongedopt enkele dagen bewaard worden in de frigo. Doppen gebeurt het best zo kort mogelijk voor het klaarmaken, omdat de bonen na het doppen al vlug gaan verkleuren.

Rassenkeuze

Er zijn 2 types tuinbonen. Een eerste type tuinboon bloeit met bonte, wit-zwarte bloemen en de bonen daarvan zijn na het koken bruin. Dia zijn bonen met een uitgesproken bittere, typische tuinbonensmaak. Liefhebbers vinden dei boon de enige echte tuinboon. Het tweede type bloeit met zuiver witte bloemen en de, vaak kleinere, bonen daarvan hebben een fijnere, wat minder uitgesproken smaak, kortom ze missen de typische tuinbonensmaak. De teeltwijze van beide types is identiek.

Geert Brantegem

Lees ook in Liefhebberstuin

Pinus: de echte dennenboom

Liefhebberstuin De periode rond de winterzonnewende is het ideale moment om een boompje op te zetten over coniferen. Als groenblijvende bomen (er zijn enkele uitzonderingen) staan ze symbool voor de terugkeer van het licht in de lente. Nu staan ze nog in vele huiskamers te pronken als kerstboom, maar ook in de tuin of op het balkon verdienen deze jaarrond groenblijvende planten zeker een plaats.
Meer artikelen bekijken