Startpagina Granen

Zeer weinig stikstof voorradig in bodemprofiel

Tijdens de voorbije graanvergaderingen, georganiseerd door het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG) en partners stonden medewerkers van de Bodemkundige Dienst van België (BDB) stil bij de actuele stikstoftoestand van de Vlaamse graanvelden.

Leestijd : 6 min

Eind februari sprak Jan Bries (BDB) in Lubbeek tijdens de traditionele graanavond. Hij gaf aan dat we normaal naar de periode van half november tot half februari kijken om te zien wat de neerslag gedurende die periode deed met de stikstofvoorraad in de bodem. “Dit seizoen mogen we daar zeker een maand bij tellen, en al kijken vanaf half oktober omwille van de zeer natte weersomstandigheden.”

Van de nitraatresidumetingen vorig najaar weten we al dat er rap 15 à 20 kg N/ha minder in de bodem zit. Dus is het logisch dat er nu na de winter niet veel stikstofreserve meer in de bodem zit.

Oktober, november en december 2023 kregen veel meer neerslag dan ‘normaal’ en ook februari 2024 was merkelijk natter. Dat heeft zijn effect op de hoeveelheid minerale stikstof die op dit moment in het bodemprofiel aanwezig is.

Gewasontwikkeling blijft achter

Een tweede punt dat ze bij de BDB meenamen voor hun stikstofadviezen, is kijken naar wat het gewas al kan opgenomen hebben. Daar zien we dat er zelfs op tijdig gezaaide percelen nog niet veel gewasontwikkeling is. Integendeel, door de grote hoeveelheden regen wordt er op vele velden verslemping gezien, met plantuitval als gevolg. De gewasopname op het einde van de winter zit dus zeker nog niet op niveau.

Jan Bries merkte tijdens de graanavond op dat de graansituatie sterk streekafhankelijk is. In het midden van België is duidelijk meer gezaaid dan in West-Vlaanderen. In Frankrijk is er pas in de regio voorbij Parijs minder neerslag gevallen en meet men er nu hogere stikstofreserves.

Vorig jaar rond dit tijdstip waren er eerder lage nitraatvoorraden in Vlaamse velden én dit jaar ligt dit nog een stuk lager. Na de teelt van aardappelen in 2022 bleek er nog een hoge voorraad nitrische stikstof in de bodemlaag van 60 tot 90 cm te zitten. Dat is dit jaar absoluut niet het geval.

Enkel na erwten en bonen blijkt er toch nog wat stikstof in het bodemprofiel te zitten. Men moet hier echter opmerken dat het slechts om een beperkt aantal percelen gaat die opgenomen zijn in het cijfermateriaal. Dat kan een vertekend beeld geven.

Om het bemestingadvies te bepalen, moet je eerst weten wat het gewas nodig heeft. Dat heeft de BDB reeds goed in kaart kunnen brengen. Vervolgens moet je weten wat het bodemprofiel kan leveren uit zijn voorraad en wat er komt dankzij mineralisatie via humus, groenbemester, oogstresten en de nawerking van (organische) mest.

Bemesting fractioneren

Eens de stikstofindex van het perceel dankzij voorgaand in kaart is gebracht, kan de BDB een bemestingsadvies opstellen én gaan ze dit fractioneren. Belangrijk daarbij is om te weten wat in de laag 0 - 30 cm, 30 - 60 cm en 60 - 90 cm zit.

Via een praktijkvoorbeeld liet Jan Bries zien dat wintergerst ingezaaid na een gescheurde weide een zeer hoge stikstofindex heeft. Dat gewas gaat nu profiteren van de stikstofvoorraad in de bovenste laag en heeft een lagere bemestingsbehoefte door de verdere verwachtte mineralisatie. Een bemesting in 2 fracties werd geadviseerd.

Daartegenover toonde hij een voorbeeld waarbij wintertarwe werd ingezaaid na hakselmaïs. De bodemontleding toonde aan dat de stikstofindex zeer laag zat. Eigenlijk zit hier bijna geen reserve, al valt er nog wel wat te verwachten via mineralisatie. De Bodemkundige Dienst van België adviseerde hier een hogere bemesting opgesplitst in 3 fracties.

Het is aan te raden om de gift in de eerste fractie te plafonneren, zij op maximaal 90 kg N/ha, behalve als de teler aangeeft geen 3 fracties te zetten. Van de huidige adviezen die worden geformuleerd, krijgt 70% een eerste gift geadviseerd van 90 kg N/ha. Daaraan merk je dat het merendeel van de percelen in de bovenste bodemlaag tot 60 cm diepte over zeer weinig stikstof beschikt.

Terwijl er in andere jaren een grote variatie zat in de adviezen voor de tweede fractie, is dat dit jaar veel minder het geval, stelde Jan Bries vast. “Daar zien we nog eens dat de stikstofgehalten van de bodem lager zijn.” Terwijl in andere jaren geadviseerd werd om na een ‘zware’ eerste fractie op te passen met de volgende fracties, geldt dat dit jaar niet. Nu worden hier ook doorgaans hoge dosissen geadviseerd. Het niveau van de derde fractie hangt sterk af van de mineralisatiecapaciteit van het perceel.

Meststoffenkeuze

Van planten is geweten dat ze bij voorkeur stikstof opnemen in de vorm van nitraat en beperkt in ammoniumvorm. De graanvelden vragen nu snel naar een stikstofbemesting, dus kan het volgens Jan Bries dan beter zijn om gekorrelde meststoffen te strooien dan wel om vloeibare stikstof te spuiten. Deze laatste bemestingsvorm werkt iets trager en is nu in de omstandigheden van 2024 minder efficiënt.

Hij wees op een nieuwigheid in het mestbeleid door het stikstofdecreet. Daarin staat nu dat ureumhoudende kunstmeststoffen voortaan onmiddellijk moeten ingewerkt worden. Alternatieven zijn het toedienen via injectie of gebruikmaken van ureaseremmers. Deze laatste verminderen de verliezen via vervluchtiging.

Uitdaging

Jan Bries erkent dat optimaal bemesten – niet alleen in tarwe – maar in iedere teelt een stevige uitdaging is geworden door de wisselende groei- en weersomstandigheden die we de laatste jaren kenden. De BDB ontwikkelde een heel performant stikstofindexbemestingsadviessysteem dat gebaseerd is op jaren van uitgebreide proefveldwerking. Dat systeem houdt rekening met de mineralisatie gedurende het seizoen, met de stikstofopname in functie van de zaaidatum en met eventuele verliezen door uitspoeling. Een bemestingsadvies dat een optimaal teeltrendement nastreeft, is het doel van het systeem dat werd uitgewerkt.

We worden echter geconfronteerd met het feit dat de ‘gemiddelde’ waarde voor voornoemde parameters steeds meer afwijkt volgens de eigenaardigheden van het groeiseizoen. Een extreme droogte in de zomer remt zo de stikstofopname. Een zeer warm najaar zorgt dan weer voor meer stikstofopname bij de aanvang van de teelt. Ook de mineralisatie die het perceel levert, is sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Daarom is er nood aan een dynamischer adviessysteem.

Dynamischer systeem

Een dynamischer adviessysteem moet inspelen op de actuele groei- en weersomstandigheden en moet het mogelijk maken om het advies bij te sturen tijdens het seizoen. Concreet kan bijvoorbeeld het advies van de tweede en derde fractie zo bijgestuurd worden tijdens het seizoen.

Met Vlaamse financiële steun is er nu een Vlaio-project lopende, genaamd ‘Optitarwe’. De BDB onderzoekt hierin samen met Inagro en de Hogeschool/Universiteit van Gent een optimalere stikstofbemesting bij tarwe op een dynamische manier, dus in functie van het groeiseizoen en door toepassing van bepaalde meststoffen en/of biostimulanten.

Uit eerste ervaringen van vorig teeltseizoen blijkt dat de eerste 2 fracties snel opgenomen en benut werden. Ondanks de droogte in mei en juni van 2023 werd doorgaans de derde en vierde fractie nog goed opgenomen. Een andere conclusie is dat de opbrengstcurve begint af te vlakken eens er meer dan 150 kg N/ha werd toegediend. Een hogere bemesting zorgt wel voor een duidelijke toename van het eiwitgehalte. Het onderzoek wordt dit jaar voortgezet.

Mogelijkheden van drijfmest

In zijn uiteenzetting stond Jan Bries stil bij de mogelijkheden van drijfmest in wintertarwe als alternatief voor kunstmest. Dat is zeker geen nieuwe techniek, maar deze wordt weinig toegepast, ondanks het feit dat de techniek vele voordelen biedt. Hét probleem is dat dit enkel kan toegepast worden bij goede bodemomstandigheden om insporing en verdichting te vermijden.

Drijfmest op wintergranen toedienen vraagt doorgaans extra planning en flexibiliteit in functie van de weersomstandigheden en de aanvoer van de drijfmest. Als aandachtspunt werd gewezen op het correct in rekening brengen van de stikstofvrijstelling en het uitdenken van de verdere bemestingsstrategie.

Uit proefveldwerking van vorig jaar werd al waargenomen dat er geen opbrengstverschil te zien is als er wel of niet drijfmest werd toegepast. Bij inzaai van een groenbedekker werd er in november een laag nitraatresidu gemeten, ook waar er drijfmest werd gegeven.

Groenbedekker

Tot slot werd ons gewezen op het belang van een groenbedekker na tarwe. Granen hebben het voordeel dat ze vroeg van het veld zijn, waardoor er de mogelijkheid is om aan de bodemkwaliteit te werken. Denk hierbij aan bekalken, organische mest toedienen en het inzaaien van een groenbedekkermengsel.

Dat heeft een aanzienlijke bijdrage tot het organischestofgehalte van de bodem, heeft een positief effect op de bodemstructuur en vermindert de erosiegevoeligheid van het perceel. Bijkomend, maar zeker niet onbelangrijk, neemt een groenbedekker nog nutriënten op, zoals stikstof. In het voorjaar komen deze vrij, waardoor er bespaard kan worden op meststoffen.

Tim Decoster

Lees ook in Granen

Meer artikelen bekijken