Aandachtspunten in sterk groeiende uienteelt
Uien is de sterkst groeiende groenteteelt in België. Op de jaarlijkse studienamiddag uienteelt van Viaverda en het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, die dit keer op 12 januari plaatsvond in Kruisem, kwamen ruim 150 telers en geïnteresseerden af. Er werd ingegaan op diverse aspecten in de teelt, zoals de mogelijkheden van primeuruien, de stikstofbemesting, het voorkomen van fusarium en de aanpak van trips.

Het uienareaal in België groeide de voorbije 20 jaar sterk en ook in 2025 steeg het nog door tot 7240 ha. Van die 7240 ha bevindt circa 4590 ha (of 63%) zich in Vlaanderen. Vorig jaar was er een sterke uitbreiding van het areaal in Wallonië, tot 2650 ha. In Vlaanderen daalde het aantal telers wel, van 545 in 2024 tot 494 in 2025. Bijna de helft daarvan is actief in de provincie West-Vlaanderen. De kustprovincie telt samen met de provincie Antwerpen ook de grootste uienbedrijven. De helft van het totale Vlaamse areaal wordt in zandleemgrond geteeld, bijna 27% wordt op zandgrond geteeld.
Mogelijkheden van primeuruien
Viaverda-onderzoeker Ellen Dendauw belichtte de eerste resultaten van het onderzoek naar winter- en primeuruien. Voor primeuruien zijn er afzetmogelijkheden in de zomermaanden juni en juli. Door de klimaatverandering kan deze teeltvorm bijdragen aan een betere risicospreiding. Voordelen van de winter- en primeurteelt van uien zijn onder andere minder opkomstproblemen en minder korstvorming, een betere benutting van bodemvocht en potentieel betere prijzen. Nadelen zijn onder meer het risico op een lagere kwaliteit, duurder plantgoed, de vorm van de plantuien en de concurrentie met de klassieke zaai-uien vanaf augustus. “Wie voor primeuruien kiest, moet vooral knopen kunnen doorhakken’, stelde Dendauw.
Stikstofbemesting in uien
Jonas Bodyn van Viaverda ging dieper in op de stik-stofbemesting in uien. De ui is een nitraatgevoelig gewas dat in het huidige mestdecreet valt onder groenten met een lage stikstofbehoefte. Afhankelijk van het gebiedstype en de grondsoort kan de maximumbemestingsnorm variëren van 81 tot 125 eenheden stik-stof.
In 2025 legde Viaverda een stikstofbemestingsproef aan op een uienperceel (zandleemgrond) in Wannegem-Lede. In de proef met voorteelt korrelmaïs gold een norm van 88 eenheden stikstof. Er werden diverse trappen aangelegd: van nulbemesting tot 88 eenheden stikstof. In 1 object werd de maximale norm van 125 eenheden stikstof aangelegd. De uien werden gezaaid op 26 maart aan 3,54 eenheden/ha. Door de korstvorming werd het perceel op 7 april beregend met 10 l om de opkomst te bevorderen. Voor het overige werd er tijdens het seizoen niet beregend. “Dit jaar hebben we ons toegespitst op de toepassingsmomenten, de komende jaren willen we wat meer kijken naar types meststoffen”, zei Bodyn.
Over het algemeen was er een goede opkomst en standdichtheid. De mineralisatie tussen zowel de eerste 2 staalnames (17 maart en 16 mei) als tussen de tweede en de derde staalname (16 mei en 10 juni) was een pak groter dan wat de uien konden opnemen, want de stikstofinhoud in de bodem was alleen maar gegroeid. “Uit proeven in het verleden leerden we dat een laattijdige stikstofvrijstelling aan de uien kan leiden tot overmatige loofgroei, met ‘dikke nekken’ als gevolg. De eerste bijbemesting werd op 23 mei – een 50-tal dagen na de zaai – uitgevoerd. De tweede bijbemesting (waar van toepassing) op 17 juni werd uitgevoerd kort voor de langste dag.
Een lage stikstofgift en een vroege bijbemesting resulteerde in 2025 tot een lager nitraatresidu. Dat is opvallend, want uien is een teelt met de hoogste nitraatresidu’s.
Hoge opbrengst, ook bij lage stikstofgift
Op 27 augustus werden de uien geoogst. De totale opbrengst was goed, met een gemiddelde van 60,31 ton/ha verkoopbare uien. Het onbemeste object lag hier net onder qua opbrengst, maar de volledige norm van 88 eenheden stikstof (toegepast in 2 giften) strandde nog lager in opbrengst. De ‘beste’ opbrengst werd gehaald met een basisbemesting van 88 eenheden stikstof of een bemesting van 46 eenheden bij de start. Ook een strategie zonder basisbemesting, maar met 1 bijbemesting van 42 eenheden, deed het goed. De maximale norm van 125 eenheden resulteerde in het laagste aandeel verkoopbare uien. Er is geen verband tussen de opbrengst en de toegediende stikstof.
“We stellen al enkele jaren op rij vast dat je de stik-stofbemesting in uien aanzienlijk kan verlagen zonder in te boeten op opbrengst. Voor dit jaar adviseren we een lage startgift, gevolgd door een tijdige bijbemesting in de eerste helft van juni, bij ongeveer 4 pijpjes. Hou wel rekening met de voorteelt, het bodemtype en de mineralisatie. Giften van 40 tot 60 eenheden stikstof, afhankelijk van de grondsoort en de te verwachten mineralisatie, lijken voldoende voor een volwaardige uienteelt”, stelde Jonas Bodyn.
Fusarium voorkomen
Staf Antoons van Bayer reikte enkele feiten en slimme oplossingen voor bodemziekten in uien aan. Hij benadrukte het belang van een ruime rotatie – 1 op 7 – om ziekten zoals fusarium, witrot en valse meeldauw te vermijden. Sowieso verhoogt intensief landgebruik de kans op bodemgebonden problemen. In 2025 kregen uientelers af te rekenen met onverwacht veel fusarium, pink root (roze worteltjes, een schimmel) en hier en daar bacterie in het veld. “Bij percelen waarop de voorbije jaren uien of prei werd geteeld en die daarop met fusarium te kampen hadden, ligt het risico op besmetting hoger. Ook hitte, droogte, stress en hoge temperaturen (20-30 °C) in de grond leiden ertoe dat de wortelgroei van de uien stagneert en dat fusarium gemakkelijker de bol kan binnendringen”, aldus Antoons. De uienplanten ondervonden in 2025 veel droogtestress en een gigantische zonlichtin-straling. “Door stress valt de wortelgroei stil, neemt de plant minder nutriënten op en verzwakt zijn weerstand. Daardoor kan de ziekte de plant makkelijker aanvallen. Door de droogte sterft een deel van de wortels af. Dat leidt tot verwondingen, die toegangspoorten zijn voor fusarium om binnen te dringen in de bol. Dat verklaart ook waarom we op maagdelijke gronden zware fusariumaantastingen zien.”
Om fusarium te voorkomen, hou je het best rekening met een geheel aan factoren: een goede rassenkeuze, een iets hogere pH, goede bodembewerking en kwaliteit, fertigatie en irrigatie, perceelskeuze, een ruime rotatie en een goed afvalbeheer.

Toegelaten bodembehandelingen
In uien zijn enkele bodembehandelingen toegelaten. Voor de zaai kan je naast Rudis nu ook het biologisch preparaat Serenade ASO (aan 5 l/ha) inzetten. “Sporen van de bacterie worden oppervlakkig in de grond ingewerkt. Ze worden aangezet tot kiemen door de aanwezigheid van de kiemwortel. De bacterie wordt wakker en koloniseert de wortels van de plant. Zo heeft ze een fungicidewerking”, legde Staf Antoons uit.
Uit proeven op 10 locaties in Nederland in 2023 bleek Serenade ASO een gemiddelde meeropbrengst van 4% en in de bewaring 33% minder fusarium op te leveren. Strokenproeven in België toonden een meeropbrengst van 2,5%.
“Serenade ASO kan je op alle percelen overwegen. Het is een soort verzekering waarvan je je premie wel terugtrekt in meeropbrengst. Op percelen waar op al uien en prei werden geteeld kan je overwegen om daar Rudis (0,6 l/ha) voor de laatste grondbewerking aan toe te voegen. Beide middelen zijn ook vlot mengbaar met vloeibare meststoffen en met andere fytoproducten”, besloot Antoons.
Innovatief rooisysteem
Bennie Poppe en Frank Kerckhaert van het Zuid-Nederlandse mechanisatiebedrijf Agri Poppe stelden het innovatieve rooisysteem AP-LIFT voor. Dit multicropsysteem is inzetbaar in de aardappel-, uien- en wortelteelt. Dankzij de heavy duty-uitvoering, die bestand is tegen zowel stenen als harde gronden, blijft de machine betrouwbaar onder zware omstandigheden. “Zo vormen een ongelijke bodem, natte weersomstandigheden of onkruid geen probleem. De extra schijfjes vormen een recht snijvlak tot 3 m breed”, zei Bennie Poppe.
Strategieën voor aanpak van trips
Tot slot werd er ingegaan op de aanpak van trips in uien. Viaverda-onderzoeker Louis Lippens gaf enkele aanbevelingen uit het recente onderzoek mee. Er bestaan meer dan 1000 verschillende soorten trips, die van heel veel waardplanten houden, maar er zijn er slechts enkele die echt schadelijk zijn voor gewassen. “Tabakstrips zijn het meest schadelijk voor openluchtgroenteteelten. Het typische schadebeeld dat we altijd zien, zijn zilverkleurige plekjes (leeggezogen plantencellen die zich vullen met lucht en die dan verkleuren). Bij zeer zware aantasting vanaf juni kunnen ze ook in het groeipunt veel zuigschade veroorzaken en is er meer risico op opbrengstverlies”, verduidelijkte Louis Lippens.

Tabakstripsen blijven zitten in het uiengewas, terwijl andere soorten, zoals graantripsen, kunnen overvliegen. “Net als in andere teelten is het middelenpakket al flink ingeperkt. We adviseren om voldoende water (300 à 400 l/ha) te gebruiken, zodat je diep genoeg in de schacht kan geraken. Adjuvanten kunnen een meerwaarde bieden, zeker in droge zomers als de waslaag dikker is, zodat de opname wordt verbeterd. Behandel het best ’s ochtends of ’s avonds, wanneer de planten iets minder stress hebben en makkelijker producten opnemen. Zeker in warme zomers zijn tripsen beruchte snelvermeerderaars. Daarom willen we op de lange termijn kijken of we ook andere actieve stoffen dan de erkende stoffen cyantraniliprole en spinosad kunnen inzetten.” Het Interregproject Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen Trans-Control focust op de verbetering van de toepassing en op de werking van het huidige productgamma. Het project gaat ook na of er eventueel alternatieve middelen uit andere teelten inzetbaar zijn en spitst zich ook toe op de aanpak in de buurlanden. “De insecticiden Ultor en Tracer scoorden het best, bij de adjuvanten was er eerder verrassend geen meerwaarde. Afwisseling tussen actieve stoffen blijft aangewezen.”
Sinds 2020 voert Viaverda samen met Inagro een monitoring van tripsen in uien uit. “Daaruit blijkt een duidelijk verband tussen zomerweer en druk. De schade is sterk variabel. Sinds enkele jaren hebben we ook meer oog voor de inzet van natuurlijke vijanden. De vraag is hoe dit te rijmen valt met een minder selectief middelenpakket. Dat blijft een uitdaging.”
Mogelijkheden natuurlijke vijanden
Afsluitend lichtte Sam Euben, accountmanager Agri bij Koppert, een wereldmarkleider in biologische gewasbescherming en bestuiving, toe hoe natuurlijke vijanden kunnen worden ingezet als onderdeel van de tripsbestrijding. Sinds 2022 is Koppert in Nederland actief in het uitzetten van Orius majusculus-roofwantsen in de preiteelt. Die roofwantsen eten tripsen in alle stadia. Zo kunnen adulten zo’n 20 tripslarven en 6 à 7 volwassen tripsen per dag eten.
“Bankerplanten zoals Lobularia maritima zijn essentieel om roofwantsen op het perceel te houden, want ze zorgen voor een alternatieve voedselbron, zoals pollen. De lobularia trekt ook andere natuurlijke vijanden aan. Let wel op bij de onkruidbestrijding dat je de doppen dichthoudt boven de bankerplanten. Zodra de bloemen bloeien, kan je een 20.000-tal roofwantsen/ha uitzetten, verspreid over 2 à 3 keer om risico’s af te dekken. Vorig jaar was het eerste jaar met een grootschalige proefopzet voor dit systeem in uien; dit jaar komt er vervolgonderzoek”, aldus Euben.





