Ziektebeelden en MH-behandeling in uien, nodig door hitte en droogte
Momenteel staan door de voorbije droge en warme weken alle gewassen onder stress. Opportunistische ziektes krijgen de mogelijkheid om ze via wondjes, openingen, laesies… te infecteren. Maar er is steeds vocht nodig opdat de kieming van schimmelsporen en nadien een besmetting kan plaatsvinden. Verder waren tripsen zoals elk jaar een focuspunt. Zodra het perceel dit toelaat, pas je ook best zo snel mogelijk een MH-behandeling toe.

Ook voor bacterierot moet je opletten, zeker wanneer je percelen dezer dagen beregent. Het risico hierop stijgt aanzienlijk wanneer je al gestreken uien beregent. In dit opzicht heeft druppelirrigatie of fertigatie een voordeel op een haspel. Op percelen met fertigatie – de combinatie van irrigatie waarin meststoffen zijn opgelost – zagen we snel mooie resultaten.
Wie momenteel uien kan beregenen, slaagt erin om ze langer groen en vitaal te houden. Toch bleek het dikken van de bollen zelfs met beregenen moeilijk tijdens de voorbije zeer droge weken.
Bladvoeding bij extreme temperaturen
Gezien de uitzonderlijke weersomstandigheden schenk je naast de inzet van fytomiddelen ook best extra aandacht aan het gebruik van bladvoeding met kalium, magnesium en mangaan, die helpen met de celsterkte, waterhuishouding en het groen houden van het gewas. De opname gebeurt rechtstreeks via het blad, waardoor het gewas minder afhankelijk is van bodemvocht.
Schade door tripsen
De laatste jaren gaan vaker gepaard met warme en droge zomers; ideale omstandigheden voor een snelle ontwikkeling van insectenpopulaties. Al enkele jaren op rij neemt de druk van tripsen (of donderbeestjes) toe, waarbij de schade door de larven groter is dan die door de adulten. Tripsen zuigen plantcellen leeg die dan een zilverachtige schijn geven op de bladeren door het weerkaatsen van het licht. De zwarte stipjes die achterblijven zijn de uitwerpselen.
Adulten hebben een zwarte kleur. Ze verplaatsen zich over het hele blad en zijn zo makkelijker te raken met insecticiden. De larven zijn geel en zitten talrijk in groepjes bij elkaar, vaak verscholen in het hart van de uienplant, wat het moeilijker maakt om hen te raken met contactmiddelen. Gebruik daarom een systemisch middel dat via de sapstroom overal in de plant terechtkomt. De zuigschade kan namelijk het groeipunt in het uienhart beschadigen, waarna dat minder of niet verder uitgroeit.

Vroege plantuien zijn gevoelig voor een vroege tripsaantasting, omdat ze sneller een groter loofoppervlak hebben. Plantuien rijpen nadien ook sneller af, waarna de tripsen migreren naar gevoelige naburige percelen van zaaiuien, maar ook naar andere groentegewassen zoals prei, spruitkool, kolen…
Bestrijding en middelenkeuze
Voor de bestrijding van tripsen kregen we begin dit jaar positief nieuws via een 120-dagentoelating van middelen op basis van de actieve stof spirotetramat (Batavia, Movento) voor gebruik van 15 april tot en met 12 augustus2026. Dit is noodzakelijk om nog voldoende bescherming te kunnen bieden in diverse (groente)teelten. Dankzij een apart werkingsmechanisme – selectief voor nuttige insecten – past dit middel perfect binnen het resistentiemanagement.
Spirotetramat groeit mee met het gewas en heeft als grootste troef een dubbele systemische werking. Zo zijn ook de onderste plantdelen beschermd en worden tripsen in het hart van de uienplanten en de nieuw gevormde bladeren bestreden. Daarnaast beschik je over cyantraniliprole (Minecto One) en spinosad (Boomerang, Conserve Pro, Tracer) die voornamelijk opwaarts systemisch werken en ook selectief zijn ten opzichte van nuttigen. Algemeen zien we dat waar de 3 hoger genoemde actieve stoffen werden afgewisseld we dit jaar een mooi resultaat verkregen in de bestrijding van tripsen.
Tot slot kan je pyrethroïden zoals cypermethrin (Cyperb, Cythrin Max) en delthamethrin (Decis 15 EW, Patriot Protech) inzetten. Let op, deze middelen sparen de nuttigen niet! Tevens is er enkel een contactwerking, waardoor de spuittechniek belangrijk is. Tripsen die je niet raakt in het hart van de uienplant worden hiermee niet mee bestreden. Bij een zware tripsaantasting kan je overwegen om deze middelen te combineren met een systemisch middel.
Ziekteontwikkeling in uien
Algemeen blijft de ziektedruk in groentegewassen (waaronder uien, spruitkool, bonen en wortelen) laag. Warme omstandigheden bevorderen veelal de ziekteontwikkeling. Extreme droogte leidt tot het niet kunnen kiemen van sporen van diverse schimmelziektes. Ook bacteriën hebben vocht nodig om kolonies te vormen en gezond plantmateriaal aan te tasten. Vooral op beregende percelen moet je momenteel opletten voor ziekteontwikkeling.

Stemphylium, fusarium en witrot
Stemphylium vormt als ascomyceet – of zakjeszwam – (licht)gele waterige vlekken op bladeren. Die groeien uit tot langwerpige, donkerbruine vlekken met daarin zwarte sporen die leiden tot het vervroegd afsterven van het blad. Een infectie gebeurt bij warm en vochtig weer. Let dus op met beregening. De schimmel kan overleven op oude plantresten. Voor de bestrijding zijn geen middelen toegelaten, al hebben producten tegen andere ziektes een goede nevenwerking...
Fusarium oxysporum geeft op uienpercelen aanleiding tot de vorming van gele bladeren die verwelken boven de grond, met nadien rotte uien onder de grond. Het onderste deel van de rokken wordt zacht, waterig en bruin, beginnend vanaf de basale plaat en die zo naar de bovenkant van de bol verspreidt. Nadien kan zich wit schimmelpluis vormen op de bolbodem.

Fusarium is net zoals witrot (zie hieronder) een opportunistische ascomycete schimmel, die bij voorkeur verzwakt plantmateriaal onder stress aantast via openingen, wondjes en laesies. De bladsymptomen vertonen zich pas wanneer de uien volwassen zijn. Op dat moment zijn de bollen ondergronds al verrot.
Witrot is een schadelijke schimmel in uien en andere looksoorten. Ook hier kleurt het blad geel, waarna het verwelkt en op de bolbodem wit pluis ontstaat, al dan niet met kleine zwarte korrels (sclerotiën). Uiteindelijk sterft de plant af. Net zoals andere bodemschimmels, waaronder fusarium, kan deze schimmel verschillende jaren in de grond overleven.

Warmte verhoogt de druk
Ervaring uit het verleden leert ons dat de aantasting heviger is bij warme zomers, al is voldoende (bodem)vocht nodig opdat de sporen kiemen. Een bodemtemperatuur tussen 25°C en 32°C is optimaal voor het kiemen. Let zeker op wanneer je beregent… De laatste jaren neemt de druk van onder meer fusarium en witrot in de uien toe. Veredelaars en onderzoekers zoeken naarstig naar tolerante rassen. Voor de bestrijding moetje preventief werken.
Bestrijding en valse meeldauw
Voor de bestrijding van fusarium en witrot in uien bestaan geen curatieve middelen. Onder het mom ’voorkomen is beter dan genezen‘ is in de eerste plaats de teelttechniek met een voldoende grote rotatie van het uiengewas belangrijk. Je kan biologische middelen op basis van bacteriën (Serenade ASO, Lalstop Contans) inzetten tegen fusarium, waardoor ze de bodem koloniseren en fusarium minder kans krijgt om uien te infecteren.
Daarnaast heeft de actieve stof prothioconazool een goede werking. De middelen Rudis en Ecana hebben een toelating tegen zowel fusarium als witrot vóór het planten. Dit kan via het dompelen van plantmateriaal of een grondbehandeling gevolgd door opname in de bovenste 0-10 cm-grondlaag, voor of tijdens de voorbereiding van het zaaibed.
Vanaf de bolvorming werd meestal gestart met een preventieve behandeling tegen valse meeldauw op een gewas met 4 pijpjes. Initieel was het opletten geblazen, maar door de aanhoudende droogte viel de ontwikkeling en infectie stil. Op beregende percelen was het wel belangrijk om te blijven controleren en was initieel een interval van 7 dagen nodig om infecties te voorkomen. Idealiter voeg je aan de fungiciden een olie met uitvloeiende kwaliteiten zoals LE 846 toe voor een beter resultaat.
Maleïnehydrazide (MH) in uien
De voorbije weken werden diverse uienpercelen al behandeld met maleïnehydrazide (Fazor Flo, Fazor 60 SG, Crown SL). Deze toepassing gebeurt als kiemremming om te voorkomen dat de uien tijdens de bewaring te vroeg uitlopen. Een tijdige bespuiting verhoogt de uikwaliteit en zorgt voor een rustige en langdurige bewaring.
Het ideale tijdstip voor een behandeling met MH situeert zich meestal in de periode van 20 juli tot 10 augustus, al zien we dit jaar een vervroeging door het droge, warme weer. De celdeling in het groeipunt van de bol is dan gestopt, maar de celstrekking en dus knoldikking gaat door. Belangrijk is dat MH wordt opgenomen door het gewas en zich via de sapstroom tot in de ui verplaatst. Dit duurt tot een tweetal weken na de toepassing. Voldoende groen loof is dus nodig. Bij stress door tripsen, ziekte of droogte heeft MH minder resultaat.
Praktijkvoorwaarden MH
In de praktijk kijk je naar een circa 30% legering van het uiengewas. Dit is echter nooit homogeen over het perceel… Wanneer hier en daar ‘nestjes’ van gevallen uien zichtbaar zijn, kan je starten. Houd er rekening mee dat uien na een windvlaag plots volledig kunnen strijken. Start op tijd en beter iets te vroeg dan te laat, aangezien een te veel gestreken gewas geen MH meer opneemt. De verhouding van diameter van de stengel ten opzichte van de bol moet 1 op 3 zijn. Na een toepassing moet het minstens 10 uur droog blijven, idealiter zelfs 24 uur.
De buitenste rokken van de ui hebben een bladschijf en komen onderaan de basaalplaat uit, de rokken in het midden hebben geen bladschijf. Via de bladschijven verplaatst MH zich naar de bolbodem richting het groeipunt. Een te vroege MH-behandeling leidt tot holle uien, vandaar dat minstens 2 bladloze rokken nodig zijn.

Behandeling en middelenkeuze
Spuit met voldoende water (400 l) en voeg bij voorkeur een uitvloeier of olie (Vegetop, LE846…) toe. Een toepassing gebeurt het best ‘s morgensvroeg en kan eventueel in combinatie met een ziektebestrijding met actieve stoffen zoals oxathiapiproline (Orondis Plus) tegen valse meeldauw, azoxystrobine (Ortiva) tegen valse meeldauw en witvlekkenziekte enfluoxastrobin en prothioconazool (Fandango) tegen valse meeldauw en witvlekkenziekte.

Uien hebben maar één kiem, waar aardappelen meerdere knollen per plant hebben, elk met meerdere ogen. Daarnaast is de afstand tussen het loof en de knol korter in vergelijking met het aardappelgewas. Hierdoor is het rendement van een MH-toepassing in uien groter dan in aardappelen. Waar we in aardappelen dit jaar nog twijfelen over het al dan niet toepassen van MH, bestaat hierover in uien geen discussie.





