Proefveldbezoek toont kracht van onderzoek in openluchtgroenten
Het proefveldbezoek openluchtgroenten bij Viaverda bracht op 1 juli bijna 70 professionelen in Kruisem bijeen. In perfecte veldomstandigheden trokken telers, adviseurs, voorlichters en onderzoekers langs de proefpercelen voor een voormiddag vol scherpe inzichten, boeiende praktijkervaring en directe kennisuitwisseling.

Dit veldbezoek liet ook deze keer zien hoe sterk en relevant het onderzoek in openluchtgroenten vandaag de dag is. Onderzoekers gaven bij elke proef heldere en deskundige toelichting, terwijl deelnemers actief vragen stelden en met elkaar in gesprek gingen. Die combinatie van veldwerk, expertise en uitwisseling zorgde voor een levendige dynamiek.
Bemesting en fertigatie
De rondgang startte met een reeks proeven rond bemesting en fertigatie. Lien De Schrijver lichtte de bemesting in prei volgens knelpunten in bemestingsadviezen toe. Wanneer gegevens zoals plant- of oogstdatum, ras, ingewerkte groenbedekker of toegepaste dosis dierlijke mest ontbreken, moet een adviseur aannames doen voor de berekening van een bemestingsadvies. Je loopt het risico op een te lage of te hoge bemesting, in dit geval met een minder kwalitatieve prei of een te hoog nitraat-residu tot gevolg. Probeer de staalnemer van zoveel mogelijk informatie te voorzien, om de bemesting optimaal te kunnen afstemmen op de behoefte van de teelt.
Liezel De Kimpe gaf uitleg bij de kaliumbemestingsproef in wortelen. Omdat deze groente veel kalium nodig heeft, wordt op een perceel met een laag kaligehalte nagegaan hoe verschillende kalimeststoffen en dosissen de kwaliteit van de wortelen beïnvloeden. De opkomst is momenteel eerder laag, maar hiermee zal rekening worden gehouden bij de evaluatie van de resultaten bij de oogst.
Daarna kwamen de fertigatieproeven in uien en aardappelen aan bod. Fertigatie – het toedienen van water en meststoffen via druppelslangen – werd hierbij vergeleken met een klassieke volleveldsbemesting. De proeven onderzoeken het effect op de opbrengst en het nitraatresidu. Resultaten uit 2025 tonen dat fertigatie kan zorgen voor een lager nitraatresidu en een gelijke opbrengst dankzij een preciezere toediening van meststoffen.
Van uien tot schorseneren
Aansluitend besprak Ellen Dendauw de diversificatie van de primeurteelt van uien. Daarbij vestigde ze de aandacht op de moeilijkheden van winterteelten van uien, zoals valse meeldauw of verminderde kwaliteit van het afgeleverde product. In het kader van hetzelfde project werd ook de evaluatie van de najaarszaai van pastinaak toegelicht, met wisselende resultaten over 2 jaar onderzoek. De opkomst van pastinaak is beter in het najaar op een warmere bodem, maar de winter leidt mogelijk tot vernalisatie – het proces waarbij een plant een koudeperiode moet doormaken voordat hij kan bloeien – en dus schieters, resulterend in kwaliteitsverlies.
De groep trok daarna verder naar het rassenonderzoek in knolvenkel, waar Annelien Tack ook focuste op schotgevoeligheid. Vervolgens stond Ellen Dendauw stil bij de onkruidbestrijding in schorseneren, een proef die aanligt in samenwerking met de diepvriesindustrie, om te proberen het verlies van enkele belangrijke herbiciden te tackelen. De proef trok veel aandacht vanwege het interessant werkingsbereik en de goede selectiviteit van enkele proefmiddelen.

Sofie Venneman toonde bij de proef rond bladluisbestrijding in wortelen aan dat het belangrijk is om de luizenvlucht op te volgen via de temperatuursom en om meteen te behandelen bij de eerste luizen. Teppeki is een sterke startbehandeling (2 keer toegelaten), maar door de aanhoudende vlucht zijn meestal meerdere behandelingen met andere erkende middelen nodig. Een rijenbehandeling – waarbij enkel de ruggen worden behandeld – bleek even doeltreffend als een volleveldsbehandeling met een lager middelengebruik.
Gewasbescherming en teeltbeheer
Ook teeltbeheer kwam uitgebreid aan bod. Lien De Schrijver gaf toelichting bij het beheer en bij verschillende zaaisels van een beschermingsstrook: grasklaver, meerjarige luzerne, meerjarige klaver en gras. Zaaien in het voorjaar, gevolgd door een warme en vochtige periode, had vooral de onkruiddruk sterk doen toenemen. De luzerne en het grasklavermengsel Protaplus hadden zich het best kunnen vestigen. Daarna besprak Ellen Dendauw een project rond de beheersing van de bonenvlieg in bonen en uien, waarbij vooral gefocust wordt op monitoring en op het verzamelen van informatie over getroffen percelen. Bij een proef in bonen wordt wat meer ervaring opgedaan met (combinaties van) mogelijke beheersstrategieën.
Liezel De Kimpe stelde vervolgens de proef rond stikstofbemesting in late voorjaarsspinazie voor. Door een zware hagelbui raakte het perceel echter zo zwaar beschadigd dat de proef niet geoogst kan worden. Voor de schade waren wel duidelijke verschillen zichtbaar. De resultaten tonen dat het fractioneren van stikstof kan bijdragen aan een betere gewaskwaliteit, op voorwaarde dat bij de bijbemesting een snelwerkende meststof – zoals kalknitraat – wordt gebruikt. Bij een volledige basisbemesting was het gewas minder uniform.
Fytotoxiciteit en tripsbeheersing
Het proefveldbezoek eindigde met 2 proeven die de link leggen tussen teelttechniek en gewasgezondheid. Jan Buyssens lichtte de evaluatie van fytotoxiciteit door gangbare herbiciden in Lobularia maritima (gebruikt binnen alternatieve tripsbeheersing op productievelden) toe, waarna Louis Lippens uitleg gaf bij de alternatieve tripsbeheersing op het zaaibed prei. In deze laatste proef wordt vooral gekeken naar methoden zoals roofmijten, tripsgaas en entomopathogene schimmels om tripsvrij plantmateriaal te kweken.
Ontmoeting en uitwisseling
De grote opkomst, de deskundige uitleg en de actieve interactie maakten van dit proefveldbezoek een voltreffer. De brede reeks proeven bood een helder overzicht van de lopende onderzoeken en projecten binnen de openluchtgroenten bij Viaverda.





