Uiendag Viaverda focust op efficiëntie en weerbaarheid
Op de tweede editie van de Aardappel- en Uiendag op de Viaverda-proefvelden in Kruisem zoomden onderzoekers van Viaverda in op de aardappelteelt maar ook op de in ons land nog steeds groeiende uienteelt. Daarbij ging specifieke aandacht naar efficiëntie, weerbaarheid en de nieuwe rassenlijst.

De uienteelt in België blijft verder toenemen. Vooral de laatste 3 jaar steeg het areaal sterk door, waardoor de kaap van 8.000 ha bijna bereikt is. Van dat totale areaal wordt ongeveer twee derde in Vlaanderen geteeld, verspreid over diverse regio’s.
Aanpak uien- en bonenvliegen
Een eerste aandachtspunt bij de rondleiding op de proefvelden was gewasbescherming. Laure Braeckman van Viaverda stelde de eerste resultaten van de monitoring van de uien- en bonenvliegen in de uienteelt voor. Sinds het verbod op het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel Mundial (op basis van de actieve stof fipronil) en de Force-zaadcoatings kunnen uien- en bonenvliegen zich onge-stoord voortplanten en verspreiden. Daardoor krijgen telers er steeds vaker problemen mee op hun percelen. Begin 2026 startte een project om de plagen beter te kunnen begrijpen en om er meer info over te verzamelen, om ze zo beter te kunnen beheersen. Monitoring via bekervallen, plakvallen en lokpaaltjes gebeurde afgelopen seizoen op 5 percelen met schade door de vliegen.
“Opvallend was dat we vooral bonenvliegen vingen”, vertelde Braeckman. “Gecombineerd met het feit dat deze soort een heel breed waardplanten-spectrum heeft, zullen in de nabije toekomst wellicht eerder bonen- dan uienvliegen de grootste zorg van de telers zijn.” Twee pieken (1 in het voorjaar en 1 begin juni) werden afgewisseld met lagere tellingen. Op het uienplatform in Kruisem vond de eerste piek plaats rond eind maart - begin april, terwijl die zich op het perceel in Pittem later voordeed. Dit wijst op verschillen in gedrag tussen diverse regio’s. Nog opvallend was dat de vliegen er vroeg bij waren. De eerste melding kwam in de tweede helft van april voor een perceel dat op 24 maart was gezaaid. De vliegen komen zowel voor op geploegde percelen als op percelen waar niet-kerende bodembewerking werd toegepast.
In een irrigatie- en bemestingsproef met beide de voorteelt erwten, gevolgd door spinazie, dook er veel schade op. De naburige rassen- en biostimulantenproef toonde dan weer veel minder uitval. Daar werden ook minder larven van de vliegen gevonden. Dat perceel had ook erwten als voorteelt, maar daarna werd er een mengsel van facelia en zomerhaver ingezaaid. “We vermoeden dat de voorteelt en groenbedekker een belangrijke rol spelen, maar het blijft moeilijk om de vinger op risicofactoren te leggen. Inschatten of er schade zal optreden, blijft dus een loterij”, aldus Braeckman.
Beheersing van tripsen
Vervolgens zoomde Louis Lippens (Viaverda) in op de beheersing van tripsen in uien. Meer dan 95% van de schade in het gewas is te wijten aan tabakstripsen. Op de Viaverda-site in Kruisem lag een proef van alternatieve middelen tegen tripsen aan. Opvallend waren de diverse pieken in de curve van de plaagdruk, die zich voordeden in periodes van hittegolven. “Begin juni zagen we de eerste adulten en enkele larven op de planten. Eind juni nam die activiteit toe en nam die niet meer af”, zei Lippens. Uit de eerste resultaten van de schadebeoordelingen bleek dat het onbehandelde object redelijk goed scoorde in vergelijking met de andere behandelingen. “De referentie – 3 behandelingen met 0,2 l/ha Tracer en 1 met 0,31 l/ha Minecto One + 1 l/ha Actirob B – en de referentie aangevuld met de suikerrijke adjuvant PM26/008 scoorden het slechtst. Een mogelijke reden hiervoor is enerzijds de harde omstandigheden – gestresseerde planten, een dikkere waslaag en weinig sapstroom, waardoor opname van de producten bemoeilijkt werd – en anderzijds wellicht de extra activiteit van natuurlijke vijanden in het onbehandelde object. Die konden zo de populatie van tripsen mee onder controle houden. Het referentieschema toegepast met een twin-dop scoorde duidelijk beter dan een standaardtoepassing; op 27 juli zagen we daar tot de helft minder schade. De combinatie van het middel Lalguard 52 OD + de adjuvant PM26/008 en 4 doorspuitschema’s scoorden over het algemeen het best. Dat komt mogelijk doordat ze voordeel hebben gehaald uit de contactwerking en doordat niet afhankelijk zijn van een opname door de plant, maar rechtstreeks op de insecten inwerken. Ze hadden ook een iets hoger spuitvolume.”
De inzet van rooftripsen en kortschildkevers biedt ook mogelijkheden om de tripsenpopulatie te beheersen. In een proef werd een bloemenrand ingezaaid, werden pollen verstoven over de uienplanten en rooftripsen geïntroduceerd. Pollen vormen een alternatieve voedingsbron voor de rooftripsen. Begin juli werd dwars op de bloemenrand een behandeling met Tracer uitgevoerd. Enkele dagen later werden de rooftripsen dan geïntroduceerd. Dit had zeker een effect, maar later in juli nam de schade toch toe. Volgens Lippens zal Viaverda de inzet van natuurlijke vijanden en alternatieve middelen, plus het belang van selectiviteit, verder opvolgen.
Zoeken naar robuuste uienrassen
Rassenkeuze is een heel belangrijke pijler in de uienteelt. De opbrengst en kwaliteit aan het einde van de teelt zijn namelijk sterk afhankelijk van het ras, in combinatie met de grondsoort. Onlangs bundelde Viaverda de resultaten van 5 jaar rassenproeven (2021-2025) op een zandleembodem, verspreid over percelen in West- en Oost-Vlaanderen, in een rassenlijst zaai-uien op haar website (zoek onder het tabblad ‘Kennisportaal’). Die rassenlijst biedt een betrouwbaar gemiddelde over diverse groeiseizoenen heen. Telers kunnen ermee aan de slag om een beredeneerde rassenkeuze te maken.
Bemesting en biostimulanten
Liezel De Kimpe (Viaverda) gaf toelichting bij een efficiënter gebruik van stikstof, waarmee een antwoord wordt gezocht op de uitdaging om productief te blijven binnen steeds strengere bemestings-normen. “De grootste stikstofopname gebeurt tussen juni en juli. Zorg dat je het meeste van je stikstofbemesting hebt gegeven voor de langste dag, want anders krijg je kwaliteitsverlies in je uien – te veel dikke nekken of te veel loof dat nog naar boven komt. Op het uienperceel met zandleembodem in Kruisem werd 88 kg werkzame stikstof per hectare gegeven. Daarvoor werden 9 verschillende bemestingsstrategieën uitgedacht. “Het is moeilijk om nog te corrigeren in het seizoen. Stel je startbemesting in stikstof iets lager in of kies voor iets dat langzaam werkt. Na 2 maanden kan je dan een bodemstaal (laten) nemen en eventueel bijsturen met een bijbemesting”, adviseerde De Kimpe. “Volgend jaar willen we de objecten met een bijbemesting met calcium en zwavel nog meenemen om de aanvullende voordelen van deze nutriënten te onderbouwen.”
In een proef die voor het derde jaar aanlag, vergeleek Viaverda ook de inzet van diverse types biostimulanten om na te gaan welke bijdrage ze kunnen leveren aan een sterkere en meer weerbare uienteelt. De proef lag aan in het kader van het Réfléchi-project. Daarin doet Viaverda, samen met Vlaamse, Waalse en Franse partners, onderzoek om planten weerbaarder te maken tegen de gevolgen van een veranderend klimaat, zoals droogte, en daaruit volgend, een sterke druk van tripsen. De tweede gewasbeoordeling, die op 29 juli plaatsvond, bracht enkele verschillen aan het licht. “Dat komt wellicht ook doordat juli kurkdroog was, waardoor de biostimulanten hun effect niet misten”, lichtte Jan Buyssens (Viaverda) toe. “Alle geteste biostimulanten – vooral Actisil, Aphasol en BCOS1 – leverden een uniformer gewas op dan het onbehandelde object. Ook qua volume deden die biostimulanten het beter, zeker Agrofort en BCOS1. Wat kleur betreft, was er een minder groot verschil zichtbaar; maar vooral BCOS1, Aphasol en Agrofort toonden een iets betere kleur. Qua gezondheid deed Avitar het iets beter dan het onbehandelde object. In de vorige jaren zagen we geen verschillen in de gewasbeoordeling. Dit jaar is het eerste jaar waarin die verschillen meer naar boven komen, net zoals bij de proef in prei.”

Bodembewerkingen en zaaitechnieken
Dat een succesvolle teelt al begint vóór het zaaien, bleek uit de resultaten rond zaaibedbereiding. Hier lagen 2 proeven aan. De ene proef draait enkel rond grondbewerkingen, waarbij diverse bewerkingen gebeurden en gezaaid werd met dezelfde zaaimachine. Bij de andere proef waren alle grondbewerkingen identiek, maar werd er met andere zaaimachines gewerkt.
Op het proefperceel met voorteelt erwten werd er daarna op de ene kant van het perceel spinazie gezaaid en op de andere kant een groenbedekker. “De keuze om al dan niet te ploegen in uien moet je in het najaar maken op het moment dat je de groenbedekker zaait. Je moet immers het type groenbedekker en de timing daarop afstemmen, zodat je in het voorjaar gemakkelijk kan onderwerken”, stelde Jonas Bodyn (Viaverda). “De eerste bevindingen na 2 jaar zijn vooral dat je de grond niet te fijn mag leggen, omdat dat eerder nefast is. Heel diep bewerken hoeft niet; 3 à 4 cm diep bewerken geeft magnifieke resultaten naar opkomst.”
Naast de zaaibedbereiding heb je als landbouwer ook de zaaitechniek zelf in de hand. “Er is een wildgroei aan technieken ontstaan. Bedjes van 1,5 m breedte in 5 enkele rijen hebben veel voordelen, maar in een droog jaar blijven de uien doorgaans toch iets kleiner dan bij andere systemen, zei Bodyn. “De bedjes van 1,5 m in 4 dubbele rijen verwerkt aan een zelfde zaaidichtheid resulteerden in minder uien per lopende meter. Druppelslangen kan je dan nog leggen, schoffelen wordt al iets moeilijker. Een systeem dat in Vlaanderen heel veel voorkomt, zijn de 8 dubbele rijen op 2,25 m breedte; een ander is dat met 6 dubbele rijen op 2,25 m breedte. Een laatste systeem is de techniek van bandzaai, waarbij het zaad binnen een bandje van 3 cm valt en wordt toegelegd met aarde. Doorgaans halen we heel goede opkomsten met machines op enkele rijen, waarbij je het zaad perfect kan afleggen en aanduwen. Na het zaaien met de wiedeg doorgaan om de grond terug open te rakelen, gaf inzake opkomst niet het gewenste resultaat, want we hadden 20 tot 25% minder planten. Dat kwam vermoedelijk door de 10 dagen droogte na het zaaien in 2026.”
Potentieel van trayplanten
In de teelt van zaai-uien is het niet altijd evident om een mooie opkomst te halen. Daardoor kan het interessant zijn om ook het potentieel van trayplanten eens te bekijken. In heel wat teelten is een evolutie aan de gang naar meer mechanisch en automatisch planten, mede door het alsmaar schaarser worden van goede arbeidskrachten. Maar de aankoop van een volautomatische plantmachine betekent uiteraard een grote investering. “Daarom is het cruciaal dat je weet in welke teelten je deze machines succesvol kan inzetten, wat de voor- en nadelen zijn ten opzichte van de huidige plantmethode en vooral of deze investering rendabel kan zijn voor het bedrijf”, stelde Annelien Tack (Viaverda).
In december start een project waarbij in de komende 2 seizoenen enerzijds prei- en uientelers en anderzijds vertegenwoordigers van mechanisatiebedrijven en plantenkwekers kennis zullen uitwisselen om enkele proeven en demonstraties uit te werken. Zo willen ze de voor- en nadelen van volautomatisch planten ten opzichte van de huidige methode in kaart brengen. In het project zijn onder meer het West-Vlaamse Agriplant (met de Agriplanter) en het Nederlandse Kooiman Mechanisatie (met de Ferrari-planter) betrokken.
De resultaten van het project zullen het risico voor de telers inperken en bijdragen aan een hogere arbeidsefficiëntie op de productiebedrijven en sterkere concurrentiepositie in de markt.
De kostprijs bedroeg 35 à 40 euro/1000 pluggen. Streef je naar 75 uienplanten/m2, dan kom je op een opkweekkost van 6.500 à 7.000 euro/ha. Ga je tot 6 zaadjes per plug, dan zou het potentieel gereduceerd kunnen worden tot 4.500 euro/ha. In proeven moeten de voor- en nadelen worden aangetoond en of de teelt zo rendabel kan zijn. “Werk je met trayplanten, dan geeft dat voordelen naar gewasbescherming en zou de onkruidbeheersing vooral kunnen berusten op bodemherbiciden na het planten”, stelde Annelien Tack nog.

Demo Agriplanter
Tom De Rudder van familiebedrijf Agriplant uit het West-Vlaamse Langemark stelde de Agriplanter voor, een volautomatische plantmachine met hoge capaciteit voor het uitplanten van diverse tray- en kluitplanten, gaande van alle soorten kool, spruiten, selderij, venkel, uien en prei tot tomaten of kruiden. “We hebben hier 14 verschillende modellen van, van een- tot en met zesrijige Agriplanters, aldus De Rudder. “Elke machine is modulair opgebouwd. Elke rij bestaat uit een 3-tal hoofdonderdelen: de robot of uithaaleenheid, die de plantjes uit de tray haalt; de selectoreenheid, waar de lege plantjes uitgegooid worden, en het plantelement dat de planten in de grond plaatst. De robot is aanpasbaar aan meer dan 100 verschillende soorten trays. De plantsnelheid bedraagt zo’n 12.000 plantjes per uur per rij. Meer info vind je op www.agriplanter.com.





