Insecten als bondgenoten in de (fruit)tuin

Vooral de larve van de gaasvlieg is een echte bladluisvreter
Vooral de larve van de gaasvlieg is een echte bladluisvreter

En die laatste groep, de insecten die ons helpen om gewasbeschadigers te bestrijden, willen we vandaag eens in het zonnetje zetten, hoewel de meesten onder hen liever in de schaduw of de donkerte vertoeven. De hierna besproken beestjes kunnen heel nuttig zijn in de fruittuin. Daarom is het belangrijk dat we ze ook als dusdanig herkennen, zodat we ze een handje kunnen helpen om te overleven in de boomgaard.

Belangrijk om weten is dat ook de larven, het jeugdstadium van de insecten die er vaak totaal anders uitzien dan het volwassen insect, nuttig zijn; vaak nuttiger dan het volwassen insect.

Gaasvliegen

Gaasvliegen zijn gemakkelijk te herkennen aan hun tere, grote transparante vleugels die voorzien zijn van een fijnmazige vleugeladering, hun grote bolle ogen die vaak een metaalachtige glans hebben en hun lang, slank, meestal groen- of bruinkleurig lichaam. Gaasvliegen zijn vooral actief in de schemering en worden dan vaak aangetrokken door licht, waardoor we ze ook wel eens binnenshuis aantreffen. Gaasvliegen overwinteren als pop of volwassen insect in spleten en scheuren van boomschors. Volwassen gaasvliegen voeden zich met nectar en stuifmeel of bladluizen.

De larven, lijkend op die van het lieveheersbeestje maar met twee grote, robuuste, stekelvormige kaken, zijn beruchte prooi-eters. Vooral bladluizen, maar ook allerlei andere 'zachte' insecten zoals bladvlooien, schildluizen, mijten... staan op hun menu. Wanneer er een bladluizenplaag is, kunnen gaasvliegen zich vanuit de omgeving – ze hebben een voorkeur voor bosranden en bloembermen – zeer snel ontwikkelen en de plaag onder controle houden, de larven doden zelfs meer bladluizen dan ze nodig hebben om zich te voeden (tot 500 per maand).

Lieveheersbeestjes

Dit alom gekende, meestal feloranje gekleurde insect, met zwarte of witte stippen op zijn dekschilden en zijn liefelijk imago is een goede bladluisopruimer. Vooral de larve, licht- tot donkergrijs met een ongeveer 8 mm lang, ietwat rupsachtig, plat lichaam en opvallende oranje streepjes op de rug, is een echte bladluisvreter (ongeveer 80 per dag). Ook tripsen, schildluizen, mijten en voor sommige soorten zelfs meeldauwschimmels staan op het menu.

Lieveheersbeestje, meestal feloranje, met zwarte of witte stippen op zijn dekschilden is een goede bladluisopruimer.
Lieveheersbeestje, meestal feloranje, met zwarte of witte stippen op zijn dekschilden is een goede bladluisopruimer.

Lieveheersbeestjes overwinteren graag in groep, onder dorre bladeren of loszittende schors op plaatsen die droog blijven. Om ze de winter te helpen doorkomen in de eigen tuin zijn rietmatten of alles wat op een holle stengel lijkt en niet nat wordt zeer geschikt. Na de winter zijn ze vaak te vinden op jonge brandnetels, waar ze zich voeden met brandnetelbladluizen, van waaruit ze dan verder op zoek gaan naar andere bladluiskolonies.

Oorwormen

In tegenstelling tot het lieveheersbeestje ziet dit insect met zijn opvallende, uitsteeksels aan zijn achterlijf, er eerder angstaanjagend uit, en ook de naam doet, onterecht, vermoeden dat men dit insect beter mijdt. Nochtans is dit insect op zijn nachtelijke wandelingen zeer effectief tegen bladluizen en verorbert hij ook bloedluizen, bladvlooien, maden, kleine rupsen, bromvliegen, fruitmoteieren en soms schildluizen en is hij dus een welkome gast in de moderne boomgaard. Van nature is dit insect lichtschuw en schuilt overdag op donkere, koele en vochtige plaatsen zoals schorsspleten, in gekrulde bladeren, tussen vruchten en onder stenen of planken. Overwinteren doen ze meestal als paar in de grond om pas in het late voorjaar weer boven de grond te komen als de temperatuur voldoende hoog is.

Om zo veel mogelijk van deze nuttige insecten in de boomgaard te lokken, kan het helpen om geschikte nestplaatsen te voorzien, die men in het dichtste deel van de kroon kan ophangen. Een klein stenen bloempotje gevuld met stro of fijne houtsnippers, afgedekt met kippengaas zodat de inhoud er niet uitvalt, omgekeerd opgehangen in de boom is ideaal als schuilplaats en uitvalsbasis voor zijn nachtelijke rooftochten.

Zweefvliegen

Zweefvliegen zijn er in allerlei soorten en maten. De meeste blijven onder de 2 cm en zijn meestal geel-zwart gestreept, waardoor ze op wespen of hommels lijken en ze beter beschermd zijn tegen hun vijanden. Kenmerkend voor zweefvliegen is dat ze bijna roerloos ter plaatse kunnen blijven zweven. Zweefvliegen voeden zich met nectar en stuifmeelkorrels maar hun maden hebben een grote voorkeur voor bladluizen. Al zwevend sporen deze insecten bladluiskolonies op om hun eitjes in de buurt af te zetten. De half doorzichtige, 15 mm lange maden, die zich voortbewegen als slakken kunnen op twee weken tijd tot 700 bladluizen verorberen.

Roofmijten

Wetenschappelijk zijn dit geen insecten (mijten hebben net als spinnen en teken 8 poten) maar in de boomgaard zijn deze kleine, ongewervelde diertjes wel zeer nuttig omdat ze zich voeden met andere, vaak schadelijke mijten.

Alleen al op appelbomen kunnen tot 25 soorten roofmijten voorkomen waar ze zich voornamelijk voeden met fruitspintmijt, bonenspintmijt, roestmijten en galmijten. Als er nog weinig schadelijke mijten aanwezig zijn, voeden ze zich met stuifmeel, nectar of schimmels. Wil je deze roofmijten graag in je boomgaard, zorg dan voor een gevarieerde omgeving met voldoende kruidachtig gewas en wat bloeiende struiken.

Bestuivers

Insecten spelen ook een grote rol bij de bestuiving van fruitbomen. Hoewel ook windbestuiving een even grote rol speelt is men erachter gekomen dat bestuiving door insecten niet alleen de opbrengst verhoogt maar ook zorgt voor een gelijkmatigere oogst en beter volgroeide vruchten.

In de eerste plaats denken we dan aan de honingbij, het belangrijkste bestuivende insect. Bijen zorgen voor 70% van de bestuiving bij appels, 50% bij peren en kersen en 40% bij pruimen. Ook hommels zijn belangrijk voor een goede bestuiving, hoewel de kolonies veel kleiner zijn dan die van de honingbijen. Hommels leveren vooral een meerwaarde doordat ze al vliegen bij een temperatuur van 8°C en bij slechtere weersomstandigheden.

Bovendien vliegen hommels twee keer zo lang en bezoeken ze twee keer zoveel bloemen per minuut als honingbijen.

GB

Meest recent

Meest recent