Automatisch melken vergt doordachte keuze

Het energieverbruik verschilt sterk tussen robots van verschillende merken.
Het energieverbruik verschilt sterk tussen robots van verschillende merken. - Foto: Lely

Zo’n 25 jaar na de introductie van de eerste melkrobot in België, maakt ongeveer 10% van alle Belgische melkveebedrijven gebruik van automatische melksystemen. In de provincie Antwerpen melkt inmiddels bijna 1 op de 5 melkveebedrijven automatisch (figuur 1).

Figuur 1: Procentuele verdeling van melkrobots versus klassieke melkinstallaties per provincie.
Figuur 1: Procentuele verdeling van melkrobots versus klassieke melkinstallaties per provincie. - Bron: Control

Volgens de cijfers van Fedagrim, de Belgische federatie van toeleveranciers van machines, gebouwen en uitrustingen voor de Landbouw en voor de Groenvoorzieningen vzw, worden sinds 2017 in België officieel meer melkrobots dan klassieke melkinstallaties verkocht (figuur 2). In 2018 kwam dit overeen met 43% van de bedrijven die investeerden in een nieuwe melkinstallatie (cijfers MCC-Vlaanderen).

Figuur 2: Aandeel verkochte melkinstallaties: klassiek vs. automatisch melken.
Figuur 2: Aandeel verkochte melkinstallaties: klassiek vs. automatisch melken. - Bron: Fedagrim, 2018

Uiergezondheid en melkkwaliteit

In 2018 onderzochten Melkcontrolecentrum Vlaanderen (MCC Vlaanderen) en het Instituut voor Landbouw- Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) de relatie tussen melkkwaliteit en type melkinstallatie van alle Vlaamse melkveebedrijven.

Hieruit bleek dat het gemiddelde celgetal op robotbedrijven significant hoger ligt dan het Vlaams gemiddelde (figuur 3). In vergelijking met zij-aan-zij-melkstallen (best scorende type) lag het tankcelgetal 18.000 cellen/ml hoger bij robotbedrijven. De hogere opvoerhoogte en hoger bedrijfsvacuüm bij melkrobots kunnen de verklaring vormen van dit verhoogd celgetal. Met een opvoerhoogte van 60 tot 160 cm moet het bedrijfsvacuüm bij melkrobots immers hoger ingesteld worden dan bij conventionele melkinstallaties met een laagliggende melkleiding.

Figuur 3: Gemiddeld celgetal in relatie met het type melkinstallatie.
Figuur 3: Gemiddeld celgetal in relatie met het type melkinstallatie. - Bron: Rundveeloket

Een melksysteem dat 24 op 24 uur in werking is en continu in contact staat met melk vraagt een andere reiniging dan conventionele melksystemen. Vanaf 8 uur na een hoofdreiniging gaat de bacteriologische kwaliteit van melk immers sterk achteruit. Dat betekent dat een melkrobot minstens 3 maal per dag een volledige reiniging moet doorlopen. In de praktijk wordt de hoofdreiniging van een melkrobot soms slechts op 2 maal daags reinigen ingesteld. Een vergelijkende studie in 2017 constateerde dat robotbedrijven gemiddeld een hoger coligetal hebben dan het Vlaams gemiddelde en dat tweemaal daags reinigen een significant negatief effect heeft (tabel 1).

Energieverbuik

Melken kost veel energie en het melkproces vertegenwoordigt meer dan een derde van het totale energieverbruik op een melkveebedrijf. Een melkrobot is de klok rond operationeel, dus automatisch melken vergt ook meer energie dan klassieke melkinstallaties waarin men tweemaal daags melkt.

Volgens Enerpedia (de online energie-encyclopedie voor landbouwers) verbruikt een klassieke melkinstallatie zo’n 44 kWh per 1.000 l geproduceerde melk, terwijl het energieverbruik van een melkrobot rond 79 kWh per 1.000 l melk schommelt. Met een elektriciteitsprijs van 0,20 euro/kWh bedraagt de bijhorende kost 0,88 euro per 100 l melk voor de klassieke melkinstallatie en 1,58 euro per 100 l voor de melkrobots. Het verschil van 0,7 euro per 100 l loopt voor 600.000 l op tot 4.200 euro!

Het energieverbruik verschilt echter sterk tussen robots van verschillende merken: de manier van voorbehandelen (borstels versus bekers), het gebruik van hitte- of circulatiereiniging, de aansluittechniek (elektrisch, pneumatisch of hydraulisch), het gebruik van stoomreiniging voor de tepelvoeringen… Naast deze verschillen speelt de bedrijfsvoering en de benutting van de melkrobot een nog grotere rol. Het basisverbruik van de melkrobot (bijvoorbeeld de driemaal daagse hoofdreiniging) blijft onveranderd, ongeacht de melkproductie. Door de efficiëntie van de melkrobot te verhogen, dalen de energiekosten per liter. Hierbij telt vooral de totale melkproductie en het aantal melkingen en niet de bezettingsgraad van de robot.

Waterverbruik

Het waterverbruik ligt bij een melkrobot gemiddeld hoger dan bij klassieke installaties (tabel 2). Het verschil bedraagt per koe gemiddeld 15 l/dag, maar kan oplopen tot wel 40 l/dag. Dit komt neer op een verschil van gemiddeld 1,65 (tot 4,35) euro/koe/jaar voor grondwater (grondwater aan 0,3 euro/m³ water) of gemiddeld 8,25 (tot 21,75) euro/koe/jaar voor leidingwater (leidingwater aan 1,5 euro/m³).

Een melksysteem dat 24 op 24 uur in werking is en continue in contact staat met melk vraagt een andere reiniging dan conventionele melksystemen.
Een melksysteem dat 24 op 24 uur in werking is en continue in contact staat met melk vraagt een andere reiniging dan conventionele melksystemen. - Foto: GEA

Ook tussen robots van verschillende merken of types kunnen grote verschillen zitten. Zo reinigen sommige types melkrobots ook de vloer waar de koe staat, wat extra water verbruikt. Hoewel de kostprijs van (grond)water relatief laag is, levert een zuinig gebruik ook hier heel wat op!

Robotgericht fokken

De keuze voor automatisch melken heeft ook gevolgen voor de fokkerij. Andere kenmerken van de koe worden belangrijker: goed beenwerk voor een vlot koeverkeer, hoge melksnelheid voor een vlotte melking, goede speenplaatsing voor vlot aanhangen van het melkstel… Verschillende fokwaarden worden specifiek voor robotmelkers door CRV berekend.

De fokwaarde melkrobotefficiëntie geeft inzicht in de geproduceerde hoeveelheid melk per minuut totale robottijd. Het Vlaams gemiddelde ligt op 1,6 kg per minuut. De fokwaarde melkrobotefficiëntie hangt nauw samen met de melksnelheid, maar is niet precies hetzelfde, omdat ook de tijd voor voorbehandelen, aansluiten en afnemen wordt meegenomen.

De fokwaarde melkrobotinterval geeft de tijd weer tussen 2 opeenvolgende geslaagde melkingen. Het gemiddelde interval is ruim 500 minuten (8,5 uur), maar de variatie is vrij groot. Twee derde van de koeien heeft een melkinterval dat tussen de 350 en 650 minuten ligt.

Melkrobotgewenning is de derde fokwaarde. Deze index geeft aan hoe snel vaarzen wennen aan de robot. Het gemiddelde interval tussen geslaagde melkingen in de eerste 3 weken na afkalven worden vergeleken met het gemiddelde melkinterval in week 10, 11 en 12 van de eerste lactatie.

Rendabiliteit

Boerenbond vergeleek de boekhoudcijfers (boekjaar 2018) van 76 robotmelkers met het gemiddelde van alle melkveebedrijven en met de melkveebedrijven die recent in een ander type melkinstallatie investeerden (meer dan 50.000 euro in de laatste 10 jaar). De robotmelkers produceerden gemiddeld met iets minder koeien in totaal wel ongeveer evenveel melk als de ‘andere investeerders’ (tabel 3). De productie per koe ligt gemiddeld 600 l/jaar hoger, al liggen de gehaltes wel iets lager.

Op financieel vlak scoren de robotmelkers minder goed. De variabele kosten liggen zowel per 100 l (+2,58 euro) als per koe (+344 euro) beduidend hoger (tabel 4). Het gaat hier vooral om hogere kosten voor krachtvoer, energie en onderhoud.

Ook de vaste kosten liggen hoger bij de robotboeren omdat er meer nieuwbouwprojecten in deze groep zitten, maar ook omdat de afschrijftermijn van melkrobots (10-15 jaar) korter is dan van klassieke melksystemen (15-20 jaar). De hogere melkproductie kan niet compenseren voor de hogere kosten en ook de verwachte arbeidsefficiëntie komt niet uit de boekhoudcijfers naar voor.

Samengevat komen robotmelkers gemiddeld aan een verschil in kostendekkende melkprijs, de melkprijs nodig om alle kosten te betalen, van ruim 4 euro.

Matthieu Frijlink, Rundveeloket

 

Dit artikel geeft een overzicht van enkele hoofdpunten uit een vijfdelige reeks rond robotmelken in Vlaanderen. De volledige reeks is terug te vinden op het Rundveeloket.

Meest recent

Meest recent