De fosforbehoefte van de senior leghen

De tests gebeurden bij bruine leghennen met leeftijd van 90 tot 102 weken.
De tests gebeurden bij bruine leghennen met leeftijd van 90 tot 102 weken. - Foto: LV

Vandaag zijn er nog een aantal uitdagingen voor pluimveehouders om verlengde legrondes succesvol uit te voeren. Zo moeten de eischaalkwaliteit, legpersistentie, botgezondheid, hengezondheid en het dierenwelzijn opgevolgd worden.

Nutritionele behoeften van de senior leghen

Voor veel van die elementen kan het voeder ondersteuning bieden. Voor het vormen van een goede, stevige eischaal is het al gangbaar om extra kalk toe te voegen naar het einde van de leg toe, net zoals vitamine D3 of hydroxyvitamine D3. Men kan ook inzetten op de preventie van leververvetting door het uitbalanceren van het eiwit- en energiegehalte.

Om de senior leghennen te ondersteunen via het voeder is het essentieel om inzicht te hebben in hun nutritionele behoeften. Teerlynck legt uit dat net die kennis vandaag ontbreekt. Daarom heeft het project ‘Leglanger’ erop ingezet om een aantal van die behoeftes beter in kaart te brengen, onder andere de fosforbehoefte.

Na calcium is fosfor het belangrijkste macromineraal bij de leghen. Het is betrokken bij veel belangrijke lichaamsprocessen waaronder de groei, het energiemetabolisme, de botgezondheid en de eikwaliteit. Voor die 2 laatste is er een sterke interactie met calcium.

Geen duidelijke cijfers rond fosforbehoefte

Het dieet van leghennen bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige grondstoffen. Twee derde van de fosfor uit die plantaardige diëten is aanwezig als fytaat-fosfor. Dat is grotendeels onbeschikbaar voor de hen door de beperkte hoeveelheid lichaamseigen fytase. Fytase is een enzym dat de binding tussen fytaat en fosfor verbreekt, waardoor fosfor vrijgesteld wordt en opgenomen kan worden door het lichaam.

Daarom wordt in diervoeder fosfor gesupplementeerd als anorganische fosfor (dat is meteen beschikbaar) en/of met het enzym fytase. Doordat de dagelijkse fosforbehoefte van de senior leghen nu nog onduidelijk is, gebruiken diervoederproducenten veiligheidsmarges met kans op een overaanbod van fosfor.

Gevolgen overaanbod fosfor

Een hoger aandeel fosfor zorgt voor een hogere kostprijs. Daarnaast is fosfor milieubelastend. Via de mest kan fosfor terecht komen in het oppervlaktewater, wat kan leiden tot eutrofiëring (verstoring van het ecosysteem). Als laatste is fosfor een eindige grondstof die gewonnen wordt uit mijnen met fosforrots. Daardoor is er vrees voor fosforschaarste.

Naast het in kaart brengen van de fosforbehoefte, bekijkt Teerlynck ook hoe sterk men het opneembaar fosforgehalte in de voeding van de leghen kan doen dalen. Het gaat hier niet over het totale gehalte, maar het opneembaar gehalte. Dat is het gehalte dat daadwerkelijk opgenomen kan worden door de leghen.

Proef met 8 verschillende voeders

In de proef werden 8 verschillende proefvoeders ontwikkeld, waarbij het fosforgehalte gereduceerd werd. Men start met 0,45%. Dat is het referentieniveau en dat bouwt men af met stapjes van 0,05% tot een niveau van 0,11%. Die voeders zijn aangeboden aan de Lohmann Brown hennen zowel in aanwezigheid als afwezigheid van het enzym fytase.

Kan het fosforgehalte gereduceerd worden zonder een invloed te hebben op prestaties, eikwaliteit en botgezondheid bij een stabiel calciumgehalte van 4,35%? Men verwachtte dat na het onderzoek zou blijken dat het opneembaar fosforgehalte meer naar omlaag gehaald kan worden in de aanwezigheid van het enzym fytase. Fytase zorgt immers voor extra vrijstelling van fosfor uit het fytaatfosforcomplex.

Resultaten na test

Het team deed een test bij bruine leghennen met een leeftijd van 90 tot 102 weken. Ze deelden de proef op in 3 periodes: In de eerste 2 periodes werden de prestaties en de eikwaliteit gemeten. In de derde periode kwamen daar botgezondheid en vertering bij.

Er bleek geen verband tussen het fosforgehalte en de zoötechnische prestaties. Daaronder horen het legpercentage, de voeropname, de voederconversie en het gemiddelde gewicht. Verder kon het team ook geen effect waarnemen op de prestaties na de toevoeging van fytase.

Het legpercentage was laag doordat het onderzoek bij de senior leghen gebeurt. Verder bleek dat er geen belangrijk effect van de fosforreductie was opgetreden op de kwaliteit van het ei. De externe én interne kwaliteit zijn er niet op achteruit gegaan.

Botgezondheid

Op het einde van het onderzoek werd een groot aantal van de leghennen geëuthanaseerd om de botgezondheid te onderzoeken. Zowel de rechter- als linkertibia en femur werden daarvoor verzameld. Op de rechtertibia en femur werd de botbreuksterkte bepaald. Op de linktertibia en femur zal men het asgehalte bepalen en verder ingaan op de botmorfologie, maar die analyses lopen nog.

Men kon geen verband waarnemen tussen het opneembaar fosforgehalte en de botbreuksterkte van tibia en femur. Bij botbreuksterkte is er echter veel natuurlijke variatie per leghen, waardoor het moeilijker is om daar significante effecten vast te stellen.

Teerlynck stelt wel dat de breuksterkte voornamelijk de sterkte van het corticaal bot gaat weerspiegelen. Het medullair bot is van groter belang als grootste calcium- en fosforreserve in het lichaam. Dat is de botstructuur die de spinnenwebstructuur van het corticaal bot opvult. Pas wanneer de medullair botreserve volledig uitgeput is, zal het corticaal bot aangetast worden. (Zie: figuur 1) Als binnenkort de analyses van het asgehalte binnen zijn, zal men een beter zicht kunnen krijgen op de calcium-fosforreserve in het bot.

Figuur 1: de botstructuur van de leghen
Figuur 1: de botstructuur van de leghen

Conclusie

De onderzoekers zagen geen effect van het opneembaar fosforgehalte of fytasesupplementatie op de zoötechnische prestaties, schaalkwaliteit en botbreuksterkte. Er is dus een sterke reductie mogelijk van het fosforgehalte in voeder voor oude leghennen. Dat zal de voederprijzen doen dalen en naar alle waarschijnlijkheid zal de excretie van de fosfor in de mest ook dalen. Minder fosforgebruik zal de duurzaamheid en rendabiliteit van de pluimveebedrijven doen stijgen.

Om te verklaren waarom de fosforreductie zo weinig effect op de leghen had, geeft Teerlynck enkele hypotheses:

“Als eerste zijn de legpercentages lager bij senior leghennen dan bij jonge leghennen, waardoor de behoefte aan calcium en fosfor waarschijnlijk ook lager was. Daarnaast wordt de hoeveelheid lichaamseigen fytase bij de senior leghen misschien onderschat. Die is immers niet gekend. Daardoor zou het daadwerkelijk waarneembaar fosforgehalte hoger kunnen liggen dan gedacht. Als laatste werkte men met voeders op basis van tarwe, want die zijn het meest gangbaar in de praktijk. Tarwe heeft van zichzelf een hoge intrinsieke fytase-activiteit. Daardoor is het misschien helemaal niet nodig om bij tarwevoeder extra fosfor te supplementeren.”

Teerlynck zal de fosforbehoefte van de seniorleghen verder blijven bestuderen in haar project ‘Leglanger’.

Sanne Nuyts

Meest recent

Meest recent