In gesprek met een gepassioneerde liefhebber van landbouwtechniek

Landbouwleven zocht Maarten op om het met hem te hebben over zijn loopbaan en hoe hij de mechanisatie en de Werktuigendagen zag evolueren. Vele onder onze lezers zullen Maarten Huybrechts wel kennen: de man verzorgde talrijke presentaties op studiedagen of begeleidde praktijkdemo’s. Maarten is geen flamboyante persoonlijkheid, maar wel iemand die durft zeggen waar het op staat. Hiervoor kan hij terugvallen op een rijke ervaring en een grote dosis praktische kennis en inzicht.

Landbouwleven (LBL): Kan je ons vertellen welke opleiding je genoten hebt en hoe je bij Boerenbond aan de slag bent gegaan?

Maarten Huybrechts (M.H.): Na een opleiding tot landbouwingenieur in Leuven ben ik er blijven hangen binnen een project ‘Agrarische bouwkunde’ van de KU Leuven. Mijn taak bestond erin om advies te verlenen naar een architect toe.

Dit was een project en na een jaar ben ik bij Boerenbond beginnen werken omdat het hier om een vaste betrekking ging en dit meer werkzekerheid gaf dan de tijdelijke projecten. Ik was als consulent de baan op in een groot deel van de provincie Antwerpen om de rendabiliteit van melk- en varkensbedrijven op te volgen.

Het was een interessante job, je kwam op veel plaatsen en wist heel wat. Veel adviezen begin jaren tachtig luidden: ga van een bind- naar een loopstal of ook nog breid uit en zet een stal bij. We kwamen toen in discussie met de boer die ons de vraag stelde of hij met twintig koeien meer, wel meer verdiende.

De kennisoverdracht van toen kwam veelal via vergaderingen, literatuur volgen, studiedagen bijwonen, ... Het kennisniveau van de consulent was toen groter dan dat van de boer. Een stelling die de dag van vandaag niet meer opgaat. De boer van vandaag is veel beter geïnformeerd dan vroeger.

Ik ben gestart als consulent in de veehouderij in de Kempen. Het was verrijkend om naar een andere streek te gaan. In West-Vlaanderen kwam ik zo terecht op gemengde bedrijven, in de Kempen waren ze gespecialiseerd in melk of varkens. Ik heb zo een ander denkpatroon ontdekt: gemengde bedrijven gingen breed om aan risicospreiding te doen. Het nadeel is dat ze nooit gedaan hadden met werken en voor negen uur ’s avonds niet binnen waren.

Eind jaren tachtig ben ik overgestapt van consulent veehouderij naar consulent akkerbouw. Voor Boerenbond (niet Aveve) heb ik mee veel proeven omtrent de maïsteelt aangelegd. Bemesting vormde een thema, net als maïs onder folie. Het is de derde keer in mijn loopbaan dat ik het thema van maïs onder folie terug in de aandacht weet komen, hetzelfde voor het thema van grasonderzaai bij maïs.

Werktuigendagen

LBL: Hoe is je betrokkenheid bij de organisatie van de Werktuigendagen er gekomen?

M.H.: In 1987 gingen de Werktuigendagen door in mijn woonplaats Geel. Toen is mij gevraagd of ik de organisatoren wou bijstaan bij het technisch gedeelte van het evenement. Dit hield o.a. in om de bieten- en aardappelteelt te verzorgen. ’s Avonds na mijn dagtaak bij Boerenbond ging ik deze gewassen spuiten.

Twee jaar later gingen de Werktuigendagen in Ieper door en werd er een ander technisch verantwoordelijke aangesteld. In 1991 ging het evenement iets korter bij mijn woonplaats door, namelijk in Maaseik, en werd mij terug gevraagd om het technische op mij te nemen. Sindsdien ben ik deze functie voor de Werktuigendagen blijven uitvoeren tot de vorige editie.

LBL: Hoe zag je de Werktuigendagen evolueren?

M.H. Wel de eerste editie die ik mee coördineerde, was zoals eerder gezegd deze van 1987 in Geel. Toen waren er nog geen tractoren met 200 pk te zien én waren alle merken met gedragen maïshakselaars aanwezig. Krone demonstreerde er met een gedragen drierijïge maïshakselaar met een bek volgens hetzelfde kettingzaagprincipe zoals de fabrikant nu maakt. Hiervoor moest een serieuze tractor met 150 pk motorvermogen staan. Dat was in die tijd moeilijker te vinden.

Wat ik mij van de editie in Geel nog herinner is het spektakel dat Fendt bracht: zij demonstreerden met een tractor die een ploeg trok en vervolgens via een trekkabel nog een tweede tractor met ploeg trok. Deze tweede tractor trok niet mee aan de ploeg, hij draaide enkel om op de kopakker de ploeg te heffen en zelf te keren. Doel was om hun trekkracht te demonstreren. De vertegenwoordiger van de ploegenfabrikant (Rabe) was hier aanvankelijk niet blij om, omdat er een trekkabel aan de ploeg gespannen was. Achteraf was hij net tevreden want het geheel heeft het uitgehouden.

LBL: Zijn er nog spectaculaire gebeurtenissen of evoluties over de Werktuigendagen waar je meteen op komt?

M.H.: Wel naast het maïs hakselen heeft ook het bieten rooien een hele evolutie gekend. In de jaren tachtig werden er nog getrokken tweerijïge bietenrooiers gedemonstreerd. Eigenlijk is België koploper geweest in het zesrijïg bieten rooien. In Geel werd een Accord-Phase rooier gedemonstreerd die de bieten ontbladerde, ontkopte en rooide voor de tractorwielen kwamen. Deze machine was ingespannen voor een MB-Trac met omkeerinrichting. Dit oogstprincipe zien we nu algemeen toegepast bij de zelfrijders.

Op de Werktuigendagen van 1993 in Zellik was het zeer slecht regenweer en waren er stevige hellingen. Holmer was aanwezig met een zelfrijdende bietenrooier en wist er goede prestaties neer te zetten. Dat jaar verkocht de fabrikant er acht in ons land. We mogen dus zeggen dat 1993 de doorbraak was van de zelfrijdende bietenrooier in ons land.

In Zellik is er nog een gebeurtenis die mij is bijgebleven: Fendt plaatste een afzonderlijke tent en vroeg nog eens apart inkom hiervoor. Bezoekers konden er naar de nieuwe 500-serie met viervoudige powershift gaan kijken. Een opmerkelijke actie, maar het sloeg aan.

Een spijtige evolutie is het wegvallen van het melk- en aardappelgebeuren op de Werktuigendagen. In Geel was eind jaren tachtig nog heel veel melkmateriaal te zien op de beurs. Eens dit aanbod wegvalt, is het maar moeilijk terug op te nemen, is gebleken. Jammer is dat de opkomst van een internationale aardappeldemonstratie die om de vier jaar ons land aandoet ervoor gezorgd heeft dat deze teelt op vandaag niet meer aanwezig is op de Werktuigendagen.

Passie en ...

LBL: Vanwaar is je passie voor landbouwmechanisatie gekomen?

M.H.: Door met de organisatie van de Werktuigendagen bezig te zijn, is mijn interesse in de mechanisatie alsmaar groter geworden. Plus, ik had vroeger op kantoor een collega die een echte machinefreak was. De filosofie van die man, hoe hij over systemen dacht, wakkerde bij mij ook de interesse in mechanisatie en techniek aan. Ik weet dat mijn collega toen een aparte visie had op de voorwielaandrijving die eigenlijk nog algemene opgang moest kennen. De man vond vierwielaandrijving prachtig, maar kreeg met zijn visie aanvankelijk weinig bijval. Zijn stelling was: koop een tractor met tien pk minder, maar met voorwielaandrijving. Andere geluiden stelden dat we met voorwielaandrijving in de winter bij het werk in de stal en rond het erf niets waren. Het zorgde alleen voor extra brandstofverbruik, wegens de grotere weerstand van het systeem, zeker bij koudere temperaturen.

... fascinatie

LBL: Naast je interesse in landbouwmechanisatie ben je gefascineerd door bodem(bewerking). Hoe komt dit?

M.H.: Door mijn job als consulent bij Boerenbond was ik ingeschakeld bij Interregprojecten rond bodem(erosie) en dan moet je wel gaan nadenken over hoe we de bodem bewerken. Ik merkte ook dat we vaak in twee kampen verdeeld werden: zij die voor of tegen de ploeg zijn. De vraag die we ons eigenlijk moeten stellen is: ik heb grond, wat moet ermee gebeuren? Vaak luidt het antwoord om de ploeg en de rotoreg in te zetten en het ligt goed. Visueel gezien klopt dit, maar …

Wat we niet mogen vergeten is dat we met niet-kerende grondbewerking ook fouten kunnen maken. Dieper werken wordt delicater omdat de bodem in principe vochtiger wordt. Een natte bodem is plastischer en de bewerkte bodem kiest de weg van de minste weerstand. In natte omstandigheden is dit veelal niet het ‘opheffen’ maar het versmeren van de bodem.

Net daarom is strip-till een delicate techniek. De grond uit de bewerkte bodem moet je kunnen opheffen, niet samen drukken. Dit doet mij aanbelanden bij de kritische werkdiepte. Dit is de diepte waar je de bodemdeeltjes opzij en bij elkaar duwt in plaats van oplicht.

LBL: Als we het goed begrijpen durf je de inzet van de ploeg best te verdedigen?

M.H.: Als je de ploeg goed afstelt, kan je er goed werk mee doen! Dit zelfs naar erosiebeheersing toe: werp de voorscharen eraf zodat gewasresten minder ondergewerkt worden en je hebt onmiddellijk een ander verhaal richting erosiebestrijding. Maar visueel oogt dit minder.

Voor mij is de inzet van ondergronders bij de ploeg belangrijk. Doordat de schaar een deel grond weg ploegt hebben de ondergronders een groot effect. Deze kunnen nu meer aarde oplichten en voor betere breuklijnen zorgen in de bodem.

Evoluties

LBL: Welk zijn zo de voornaamste technische evoluties geweest voor jou binnen de landbouwmechanisatie?

M.H.: Dat is niet echt een moeilijke vraag, maar mogelijks een met een te uitgebreid antwoord. Wat we misschien veelal vergeten is de evolutie richting zelfrijders voor de oogstwerkzaamheden. Getrokken maaidorsers hebben we in België niet echt gekend. Na de dorskast was het voor ons vrijwel onmiddellijk de zelfrijdende pikdorser. Maar vroeger werd het hakselen van gras én maïs en het rooien van aardappelen en bieten door getrokken machines uitgevoerd. Nu zijn er hier allemaal zelfrijders voor.

Andere technische evoluties die mij zeker bij blijven is de introductie van de fabriekscabine, de opkomst van de voorwielaandrijving in de jaren tachtig, geveerde vooras, airco, ... Ik heb zelfs geweten dat een hefinrichting op de tractor een optie was.

Wat ik ook een opmerkelijke evolutie vind is hoe de ruwvoederwinning de laatste jaren is geëvolueerd. Ik had nooit gedacht dat loonwerkers zouden gaan maaien. Op dat drukke moment in het voorjaar zitten zij immers nog in de drijfmesttoediening en het zaaien van maïs. Net omdat gras maaien sterk weersafhankelijk is, had ik gedacht dat de boer dit zou blijven doen. Maar we zien de dag van vandaag dat hij dit ook uitbesteedt aan de loonwerker. Een gegeven dat ik duidelijk mis heb ingeschat.

Een ander aspect lijk ik beter ingeschat te hebben: in mijn filosofie ben ik overtuigd dat hoe kleiner het perceel, hoe groter de machine moet zijn. De verklaring voor mij zit hem in de werkefficiëntie. Op een klein perceel dat vier hoeken en vaak meer telt moet veel gedraaid en gekeerd worden. Hoe groter de machine is, hoe minder er gemanoeuvreerd moet worden. Brede graanmaaiborden en maïsbekken steken een klein perceel direct veel groter open, waardoor het manoeuvreren daalt. Op technisch vlak houdt mijn visie steek, op economisch vlak kan het een ander verhaal zijn.

We hebben het daarjuist over de ploeg gehad, maar eigenlijk ben ik ook favoriet van de schijveneg en ik ben blij dat dit werktuig verder doorbreekt bij ons. Met een schij-veneg kunnen we zowel een stoppelbewerking doen als groenbemesters inwerken. Dankzij de schijveneg gaan we dit in een ondiepe bewerking doen, waar we anders riskeren om te diep te gaan werken in de eerste werkgang. Het voordeel van de schijveneg is dat we snel kunnen rijden en ze toch goed werk levert bij een relatief lage trekkrachtbehoefte. In onze hedendaagse landbouw gaan we steeds meer organisch materiaal moeten gaan inwerken; dit zal er volgens mij nog meer voor zorgen dat de schijveneg in beeld komt.

Om af te sluiten nog meegeven dat ik de laatste 15 jaar voorstander ben geworden van getrokken werktuigen. Dit omdat bij het optillen de aslast van de achteras boven de 8 en zelfs 12 ton gaat. Indien het niet echt droog is op het veld, hebben we hiervoor geen geschikte banden. Hoge aslasten geven bodemverdichting van de ondergrond en beperken wortelgroei en bodemleven. Zelfs een gevolg op een efficiënte nutriënten- opname is niet uitgesloten.

De laatste 10 jaar zit de evolutie voornamelijk in elektronica om meer comfort te creëren en uitlaatgasbehandeling voor schonere lucht. Maar ook de tijd van de robotjes is stilaan in aantocht.

T.D.

Meest recent

Meest recent