Startpagina Maïs

Met welke criteria rekening houden bij de keuze van een snijmaïsras?

Zoals elk jaar is de winterperiode het gebruikelijke moment voor de keuze van de gepaste maïsrassen voor het komende groeiseizoen. De leden van het Varmabel- netwerk staan in dit artikel stil bij de criteria die aan bod zouden moeten komen om je rassenkeuze op te baseren.

Leestijd : 7 min

Het Varmabel-netwerk, met proefvelden in alle streken in Laag- en Midden-België, is een samenwerking van Carah, Centre indépendant de promotion fourragère (CIPF), CPL-Vegemar en het Landbouwcentrum voor Voedergewassen (LCV).

De rassenkeuze van maïs is altijd een compromis, omdat men met veel parameters rekening dient te houden. Het perfecte ras dat in alle jaren en op alle grondsoorten altijd de beste is, bestaat helaas niet en dus is risicospreiding altijd aangewezen. In dit artikel willen we je de belangrijkste criteria meegeven als hulp bij het kiezen van een ras.

Voldoende aandacht voor vroegrijpheid

De vroegrijpheid is een criterium waar voldoende aandacht aan besteed moet worden bij de rassenkeuze. Dit moet immers worden aangepast aan regiogebonden weersomstandigheden (vocht, temperatuur) en de zaaidatum. Bij de oogst wordt gemikt op een drogestofpercentage tussen de 32 en de 36%. In deze streefzone heeft men het beste compromis tussen opbrengst, kwaliteit (verteerbare organische stof en zetmeel), smakelijkheid en het optimaal inkuilen en bewaren.

Het is belangrijk om rassen zo te kiezen dat ze het beoogde afrijpingstraject kunnen afronden bij een normale zaai- en oogstdatum. Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met de grondsoort en de regio.

Het oogsttijdstip dient gepland te worden in functie van de evolutie van het drogestofgehalte en van de weersomstandigheden. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat het tijdens een warme septembermaand niet ongewoon is om een stijging van de droge stof met 5% per week te noteren. Bij een te vroege oogst (DS% lager dan 32%) wordt het opbrengstpotentieel van de rassen niet volledig benut en zal men sneller te maken krijgen met sapverliezen in de kuil. Tevens is de zetmeelaccumulatie in de kolf nog niet optimaal.

Boven de 38% wordt het moeilijker om de kuil goed aan te drukken, wat leidt tot een hoger restzuurstofgehalte in de kuil en tot een hoger risico op schimmelontwikkeling en broei. De schimmels verhogen op hun beurt de risico’s op mycotoxinevorming. Door een lager aandeel van oplosbare suikers bij overrijpe maïs verloopt het bewaringsproces bovendien veel moeizamer. De smakelijkheid van het voeder gaat eveneens achteruit. Bij overrijpe maïs vergroot ook de kans op oogstproblemen door de ontwikkeling van stengelrot of stengelbreuk.

De zeer vroege tot vroege variëteiten (180 < FAO index 230) hebben een relatief korte groeicyclus: deze rassen halen zonder problemen het optimale drogestofpercentage bij de oogst omwille van een lagere temperatuursom die nodig is na de bloei. Deze rassen kunnen gezaaid worden van het begin van het zaaiseizoen tot 20-25 mei.

Na 15 mei is het eerder aangewezen om zich enkel nog tot de zeer vroege rassen te beperken (180 < FAO index 200). De zeer vroege tot vroege rassen verdienen zeker de voorkeur na een snede raaigras of wanneer een perceel tijdig vrij moet zijn voor de volgteelt of de inzaai van een groenbedekker. In sommige gevallen kan het zinvol zijn om voor ultravroege rassen (FAO < 180) te kiezen, maar dit is maar een zeer klein marktsegment.

Bij een vroege zaai kan er voor de halfvroege tot late rassen (230 < FAO index 270) gekozen worden. In de praktijk worden deze rassen doorgaans gezaaid tussen 15 april en 10 mei. Als de weersomstandigheden en de grond het toelaten, kan men uiteraard nog vroeger of later gaan zaaien. Men moet er zich dan wel van bewust zijn dat een zeer vroege zaai risico’s op vorstschade met zich mee- brengt. Zaaien in een koude bodem kan bovendien een vertraagde en mogelijks slechtere opkomst met zich meebrengen.

Te laat zaaien verhoogt (zeker voor de late rassen) dan weer het risico op een te late oogst en eventueel schade aan de bodemstructuur. Men zaait de latere rassen dus het best op percelen die zowel in het voorjaar als in het najaar goed toegankelijk zijn. De latere rassen worden vooral gekozen omwille van hun hoge productiecapaciteit.

We stellen wel vast dat het verschil met de vroegere rassen de laatste jaren kleiner wordt. Vergeleken met de zeer vroege tot vroege rassen gaat de verhoging van de productie meestal samen met een lagere voederwaarde per kilogram, gezien het kolfaandeel daalt: de totale plantenmassa is groter, maar het gewicht van de kolven is niet noodzakelijk groter.

Weet men bij zaai nog niet of de maïs gehakseld of gedorst gaat worden, dan kan er gekozen worden voor dubbeldoelrassen. Het is hierbij aangewezen om te kiezen voor rassen die zich in het netwerk korrelmaïs bewezen hebben door een goede korrelopbrengst met een laag vochtgehalte en door een goede resistentie tegen stengelrot. Binnen deze groep zijn er genoeg rassen te kiezen die ook een goed rendement halen bij het hakselen als kuilmaïs. Bij een typisch kuilmaïsras dat toch als korrelmaïs geoogst wordt, verhoogt de kans op een hoger vochtgehalte of op een moeilijker oogstbaar gewas ten gevolge van stengelrot of legering.

03-Varmabel-1-web

Opbrengstpotentieel en regelmaat

Bij de rassenkeuze zoekt men uiteraard naar de betere rassen, met de meeste garanties op een goed gevulde en kwalitatieve kuil. Al je geld inzetten op één paard is gevaarlijk omdat er veel kan gebeuren in een groeiseizoen. Soms vallen bepaalde goede rassen uit het verleden wel eens tegen in een heel droog of net een heel nat jaar. Daarom is het belangrijk om de risico’s te gaan spreiden en om te opteren voor een combinatie van een beperkt aantal goede rassen.

In elke vroegrijpheidsgroep zijn er grote verschillen tussen de rassen wat betreft opbrengstniveau en kwaliteit. Naast een goed opbrengstpotentieel is het belangrijk dat het opbrengstniveau van jaar tot jaar regelmatig is. Daarom is het van belang om naar de meerjarige resultaten te kijken. Rassen met een goede en regelmatige opbrengst van jaar tot jaar verdienen de voorkeur op rassen met sterk wisselende resultaten.

Door de genetische vooruitgang die gerealiseerd wordt door de veredelaars, boeken de nieuwe rassen nog steeds een gestage vooruitgang in opbrengstpotentieel. Over de laatste 10 jaar bekeken, schatten we dat in op ongeveer 1% per jaar. Met deze gedachte in het achterhoofd heeft het zeker zin om de nieuwe rassen een kans te geven op 10 tot 20 % van je maïsareaal. Voor de grootste oppervlakte is het veiliger om te opteren voor rassen die zich reeds enkele jaren hebben kunnen bewijzen onder onze teeltomstandigheden.

Gevoeligheid voor stengelbreuk en legering

De gevoeligheid voor (mechanische) legering en stengelbreuk blijven eveneens belangrijke eigenschappen. Mooi rechtopstaande planten vergemakkelijken de oogst. Goed legeringsvaste planten geven minder kans op verhoogdeaswaarden in de kuil en op een hoger celgetal in de melk.

Dankzij de genetische selectie zien we sinds een aantal jaren nog maar weinig rassen met noemenswaardige problemen met mechanische legering of stengelbreuk. Als men op zoek is naar dubbeldoelrassen, verdient deze parameter zeker nog wat extra aandacht, gezien de langere tijd die de planten rechtop zullen moeten blijven staan op het veld.

Gezien de omvangrijke biomassa van bepaalde (vaak laatrijpe) rassen, is het aangewezen om een wat lagere zaaidichtheid (90.000 - 95.000 korrels/ha) te gebruiken en om zo de kans op legering wat te verminderen.

Tolerantie voor stengelrot

In het drogestoftraject van 32 tot 36 %, zijn er normaal gezien geen problemen met stengelrot. Boven de 36 % droge stof kan deze ziekte een snelle stijging van het drogestofgehalte veroorzaken, waardoor een snelle oogst nodig wordt om bijkomende problemen te vermijden. Stengelrot maakt de planten gevoeliger voor legering en voor kolfverliezen bij de oogst.

Hoewel dankzij de genetische vooruitgang problemen met stengelrot steeds minder voorkomen, zijn er nog aanzienlijke verschillen tussen de rassen onderling. Zodoende blijft dit kenmerk bij de rassenkeuze nog altijd van belang, zeker bij de zeer vroege tot vroege rassen. Voor de halfvroege tot late variëteiten zijn er meestal weinig problemen. Als men zoekt naar dubbeldoelrassen, kiest men uiteraard ook het best voor rassen met een goede tolerantie voor stengelrot.

03-Varmabel-2-web

Gevoeligheid voor builenbrand

Ondanks de grote jaarverschillen blijft een lagere gevoeligheid voor builenbrand nog altijd een belangrijke troef bij de rassenkeuze. Er zijn duidelijke verschillen in gevoeligheid tussen de verschillende rassen waar te nemen. Afhankelijk van jaar tot jaar kan men in meer of mindere mate builenbrand terugvinden op planten en/of kolven.

Wanneer men enkel builenbrand vaststelt op de stengels, blijft de impact op de opbrengst en de voederwaarde beperkt. Wanneer een ras te kampen heeft met een relatief grote aantasting met builenbrand op de kolven (meer dan 10 % van de planten zijn aangetast), zal er een weerslag zijn op de opbrengst, de voederwaarde en de smakelijkheid van het voeder.

Voederwaarde is uitermate belangrijk

Voederwaarde-eigenschappen zoals zetmeelgehalte, verteerbaarheid en de energiedichtheid of VEM-waarde zijn uitermate belangrijk voor het realiseren van een optimale melkproductie met een zo laag mogelijke aanvulling met krachtvoer.

We zien duidelijke rasverschillen tussen de rassen wat betreft de verschillende criteria voor voederwaarde. Je kan als landbouwer kiezen voor rassen met een goede opbrengst en/of voor rassen met een goede voederwaarde. Idealiter kies je uiteraard voor beide. De parameter kVEM per hectare geeft goed weer welke rassen het best beide parameters met elkaar combineren.

De bepaling van de voederwaarde via NIRS van de verschillende variëteiten zijn uitgevoerd in samenwerking met de Afdeling Valorisatie van landbouwproducten van het CRA-W te Gembloux en het Provinciale Laboratorium van Henegouwen. Voor de bepaling van de verteerbaarheid van het organisch materiaal wordt gewerkt met de M4-equilibratiecurve van Aufrère.

Marc Verbiest, Michaël Mary en Guy Foucart (CIPF); Geert Haesaert, Joos Latré, Sofie Landschoot, Gert Van de Ven en Ellen Versavel (LCV); Mathieu Bonnave en Olivier Mahieu (Carah); Maxime Hautot (CPL-Vegemar)

Lees ook in Maïs

Correct rekenen met dierlijke mest

Maïs Op heel wat percelen in Vlaanderen wordt een groot deel van de bemesting ingevuld met dierlijke mest. Gebruik van dierlijke mest vraagt een beredeneerde aanpak. Hoe kies ik de juiste mestsoort? Hoeveel dien ik wanneer toe? Op welke manier? De variabele samenstelling van dierlijke mest en inschatten hoeveel of wanneer de aanwezige nutriënten vrijkomen, zijn belangrijke aandachtspunten.
Meer artikelen bekijken