Meer opbrengst met minder zorgen: Het belang van vruchtwisseling in de moestuin
Vruchtafwisseling is niets anders dan het systematisch afwisselen van verschillende gewassen op hetzelfde stuk grond om bodemziekten te voorkomen en de vruchtbaarheid te verbeteren. Het voorkomt eenzijdige uitputting van voedingsstoffen en vermindert de druk van plagen. Doorgaans wordt een rotatieschema van 3 tot 4 jaar gehanteerd, waarbij plantenfamilies elkaar afwisselen.

En inderdaad: hoe meer onderzoek men doet naar het belang van de bodem voor een geslaagde teelt, hoe vaker men tot de conclusie komt dat een gezonde, vruchtbare bodem de basis is voor een gezond gewas en een goede opbrengst. Dit weerspiegelt zich ook in het landbouwbeleid, waardoor professionele landbouwers zich verplicht zien om een vorm van teeltwisseling te voorzien op hun akkers. En wat geldt voor professionelen, geldt zeker ook voor hobbytelers: teeltafwisseling is ook in de moestuin de basis voor een gezonde bodem.
Niets nieuws onder de zon
Vruchtwisseling is overigens geen moderne uitvinding. Reeds in de Middeleeuwen stelde men vast dat percelen die jaar na jaar met hetzelfde gewas werden beteeld, steeds minder opbrachten. Het drieslagstelsel bood soelaas: één deel wintergraan, één deel zomergraan en één deel braak. Die rustperiode gaf de bodem de kans om zich te herstellen. Wat toen uit ervaring werd geleerd, wordt vandaag de dag wetenschappelijk bevestigd.
Wanneer een gewas meerdere jaren na elkaar op dezelfde plaats groeit, bouwt de ziektedruk zich op. Bodemgebonden schimmels, bacteriën en aaltjes vinden telkens opnieuw hun favoriete waardplant en vermenigvuldigen zich gestaag. Aardappelen zijn hiervan een goed voorbeeld. Wanneer je verschillende jaren na elkaar aardappelen teelt op hetzelfde perceel, treedt er na enkele jaren bodemmoeheid op, waardoor de opbrengst sterk terugloopt. Dit komt doordat de aardappel een goede waardplant is voor aaltjes, die zich explosief kunnen vermeerderen wanneer ze zich gedurende enkele opeenvolgende jaren kunnen tegoed doen aan hun geliefde waardplant. Door teeltafwisseling wordt bodemmoeheid voorkomen.
Planten nemen niet alleen stoffen op uit de grond, via de sapstroom worden afvalstoffen naar de wortels gevoerd en afgegeven aan de grond. Door steeds dezelfde gewassen te oogsten op hetzelfde perceel gaat de concentratie aan die specifieke afvalstoffen, die vaak giftig zijn voor het betreffende gewas, in de bodem zodanig oplopen dat de plant op termijn zichzelf zal vergiftigen. Ook voor dit probleem is het jaarlijks wisselen van gewas een goede oplossing.
De praktijk
In de praktijk betekent vruchtwisseling dat we werken met gewasgroepen. Niet elk afzonderlijk gewas schuift elk jaar op, maar wel de volledige groep waartoe het behoort. Afhankelijk van de beschikbare ruimte kan je de moestuin indelen in 3, 4 of 5 percelen. In een kleine tuin volstaat een driedelige rotatie al om de belangrijkste problemen te vermijden. Wie ook aardappelen of meerdere vruchtgewassen wil inpassen, kiest beter voor 4 of 5 percelen. Hoe ruimer de rotatie, hoe kleiner de kans dat een gewasgroep te snel terugkeert naar zijn oorspronkelijke plaats. Een bijkomend voordeel van deze groepsindeling is dat ook de bemesting gerichter kan gebeuren. Niet elke plant heeft immers dezelfde voedingsbehoefte.
De grote eters
Tot de eerste groep behoren de zogenaamde ‘grote eters’: planten met een hoge behoefte aan organische stof en aan voedingsstoffen. Zij vragen een bodem die rijk is aan humus en die in het voorjaar ruim werd voorzien van goed verteerde stalmest of compost. Binnen deze groep maken we bij voorkeur nog een onderscheid tussen koolgewassen en vruchtgewassen.
Koolgewassen verdienen een aparte plaats in de rotatie. Ze zijn gevoelig voor knolvoet, een hardnekkige ziekte die alle leden van de familie van de
Vruchtgewassen zoals tomaat, komkommer, paprika en aubergine hebben eveneens een grote behoefte aan voeding. Zij teren graag een volledig seizoen op de langzaam vrijkomende stikstof uit organische bemesting. Tijdens het afrijpen kan een bijkomende kaliumgift zorgen voor stevigere vruchten en een betere bewaarkwaliteit. Ook aardbeien passen uitstekend in dit perceel binnen het rotatieschema.
De matige eters
Een tweede groep wordt gevormd door gewassen met een matige voedingsbehoefte. Zij groeien het best op gronden die het jaar voordien rijkelijk bemest werden. Een aanvullende gift van korrelmest tijdens de teelt volstaat meestal om goede resultaten te behalen.
Wortelgewassen zoals wortelen, radijzen, rode bieten en schorseneren verkiezen geen verse of overmatige bemesting. Een te rijke bodem leidt tot uitbundige bladgroei, maar ook tot onderontwikkelde wortels. Ook hier is aandacht voor kalium belangrijk, zeker met het oog op smaak en bewaarkwaliteit.
Bladgewassen vormen een omvangrijke groep met groenten uit verschillende families die algemeen gesproken een matige bemestingsbehoefte hebben. Vaak worden bladgewassen niet op een apart perceeltje geteeld, maar als voor- of nateelt van een ander gewas. Op zich is dit geen probleem, maar tracht ook in dat geval te vermijden om te vaak na elkaar op dezelfde plek hetzelfde bladgewas te telen.
De kleine eters
Tot slot zijn er de ‘kleine eters’: gewassen die tevreden zijn met wat hun voorgangers in de bodem nalieten. Om het organischestofgehalte op peil te houden, kan in het voorjaar wel een beperkte hoeveelheid compost worden ingewerkt, maar zware bemesting is hier overbodig. Deze groep bevat voornamelijk de peulvruchten.
Erwten en de boonsoorten behoren allemaal tot de familie van de Fabaceae en hebben de unieke eigenschap om stikstof uit de lucht te binden via bacteriën in hun wortelknolletjes. Daardoor verrijken zij de bodem in plaats van hem uit te putten. Extra bemesting is niet nodig. Een strikte vruchtafwisseling is voor deze groep noodzakelijk om ziektes te voorkomen.
De plaats van de aardappel
De aardappel verdient een aparte vermelding. Wie dit gewas wil opnemen in zijn moestuin, voorziet het best minstens 4 percelen in de rotatie. Zo komt de aardappel pas na 3 of 4 jaar terug op dezelfde plaats. Aardappelen geven de voorkeur aan een iets lagere pH en worden daarom beter niet bekalkt. Ze doen het goed op goed verteerde stalmest of compost. Wie tijdens de teelt nog bijbemest, kiest het best voor een meststof met een lagere stikstof- en een hogere kaliumverhouding. Te veel stikstof stimuleert loofgroei ten koste van de knolvorming, terwijl voldoende kalium zorgt voor gezonde, stevige en beter bewaarbare aardappelen.





