Interview met decaan Marc Van Meirvenne (UGent): ‘Markt schreeuwt om bio-ingenieurs’

Professor Marc Van Meirvenne is sinds 2015 decaan. Zijn eigen onderzoek richt zich vooral op de bodem.
Professor Marc Van Meirvenne is sinds 2015 decaan. Zijn eigen onderzoek richt zich vooral op de bodem. - Foto: UGent

Landbouwonderzoek in België kent een lange geschiedenis. 140 jaar geleden werd in het Waalse Gembloux het rijksinstituut voor landbouwonderzoek opgericht, naast het Landbouwinstituut van de KULeuven. Tegenwoordig is het instituut te Gembloux onderdeel van de Universiteit van Luik. Pas na de Eerste Wereldoorlog werd in Gent een landbouwhogeschool opgericht, die later zou worden omgedoopt tot een faculteit. Wat ooit begon met een diploma ingenieur-agronoom, werd een diploma landbouwingenieur en nog weer later – in 1992 – bio-ingenieur. De wijziging was het gevolg van een verbreed onderzoeks- en onderwijskader.

Naast landbouw werden ook milieutechnologie, biotechnologie en chemie- en voedingstechnologie omarmd. Decaan Marc Van Meirvenne van de faculteit Bio-ingenieurswetenschappen weet nog dat de naam Bio-ingenieur wenkbrauwen deed fronsen in buurland Nederland, waar regelmatig mee werd samengewerkt. “Vanuit de Vlaamse landbouw kijken we vaak naar Wageningen Universiteit. In Wageningen was men daar nog niet klaar voor. De studentenaantallen waren in die tijd nog geen probleem; onze keuze kwam voort uit een visie. Pas toen de studentenaantallen in Wageningen gingen dalen, volgde men in de verbreding.”

De keuze voor verbreding leverde meer studenten op. En meer vrouwelijke studenten ook. Was de landbouwhogeschool primair een mannengebeuren, bij de faculteit is vandaag de helft van de studenten vrouw. Een meerwaarde, vindt Van Meirvenne, omdat ze vaak toch net iets anders tegen zaken aan kunnen kijken.

De faculteit Bio-ingenieurswetenschappen ontstond als resultaat van de integratie op  25 september 1969 van de toenmalige Rijkslandbouwhogeschool in de Universiteit van Gent.
De faculteit Bio-ingenieurswetenschappen ontstond als resultaat van de integratie op 25 september 1969 van de toenmalige Rijkslandbouwhogeschool in de Universiteit van Gent. - Foto: UGent

Honderden ingenieurs

Om het succes van de verbreding te kaderen: jaarlijks levert de faculteit van Van Meirvenne enkele honderden ingenieurs af. Zo'n 150 tot 200 studenten zijn Bio-ingenieur en een 140 à 160 zijn industrieel ingenieur.. Het gaat bij deze laatste om een academische Bachelor-opleiding van 3 jaar, gevolgd door één Masterjaar, dat gevolgd kan worden in Gent of Kortrijk.

Zo’n 20 studenten studeren jaarlijks af als bio-ingenieur met als specialisatie landbouw. Anders dan bij de studie tot industrieel ingenieur duurt de studie tot bio-ingenieur 5 jaar, en ze levert de titel Ir. op, terwijl industriële ingenieurs Ing. worden. Het is een aantal dat door de jaren heen wat gedaald is, weet Van Meirvenne. Daarnaast studeren er zo'n 30 à 45 studenten industrieel ingenieur af voor de richting plantaardige- en dierlijke productie. Samen komen er dus jaarlijks zo'n 60 ingenieurs met een keuze voor landbouw op de arbeidsmarkt.

“Milieu, groene chemie, biochemie en biotechnologie zijn populairder. Voedingstechnologie staat ongeveer op gelijke hoogte.” Deze velden raken natuurlijk ook aan de landbouw, weet Van Meirvenne. “Een student biotechnologie kan heel goed bij een groot veredelingsbedrijf als Syngenta of Bayer terechtkomen. Iemand die biochemie studeert, werkt straks misschien bij een kunstmestfabrikant. Maar landbouw zelf, als studie, dat is minder gewild.”

Landbouw weinig populair

Boerenzoons- en dochters die één van onze diploma's kiezen, gaan vaak voor een landbouwrichting, die ook studeren met het oog op een betere bedrijfsvoering thuis. Maar de globaal afnemende trend kunnen we moeilijk ombuigen. Het komt door de wijze waarop de maatschappij de sector ziet.”

Dierenwelzijn, het milieu, de associatie met ‘vroeger’ of ‘ouderwets’. “Het zijn aspecten die breed in de maatschappij worden gevoeld. Het is niet toevallig dat binnen de richting landbouw de dierlijke productie nog het minst populair is.” Bij 3 of 4 nieuwe studenten Bio-ir per academisch jaar houdt het wel op. “We houden het in leven omdat we het belangrijk vinden, maar de studentenaantallen rechtvaardigen het eigenlijk niet.”

Het is een specialisatie die dus weg dreigt te deemsteren. Van Meirvenne wijst op een groot contract met de faculteit Diergeneeskunde. Die barst uit zijn voegen. “Men heeft te veel toeloop en maakt al negatieve reclame: kom niet bij ons studeren want straks heb je geen baan.” Dat laatste geldt alvast niet voor studenten aan de faculteit van Van Meirvenne. “De vraag naar bio-ingenieurs is veel groter dan het aanbod. De markt schreeuwt om landbouwingenieurs. Het hebben van zo’n diploma is zo ongeveer een baangarantie. Maar we kunnen mensen niet dwingen.”

Het gebrek aan interesse in exacte studies is trouwens een bredere trend in ons land en misschien in Europa: voor alle typen ingenieurs geldt dat er tekorten zijn in België. “We hebben 1.000 studenten psychologie, 1.000 studenten Rechten en dan een paar 100 mensen die kiezen voor de wetenschappen…”

Veeteeltonderwijs

op een andere manier

De Universiteit Gent denkt nu aan een studie die het midden houdt tussen veeteelt en diergeneeskunde. “Een studie waarbij dieren minder als productiemachine worden gezien, en waar gezondheid meer aandacht krijgt. Een studie dus waarbij we een andere balans opzoeken tussen productiviteit en welzijn.” Daarnaast werkt de faculteit aan precisielandbouw, dat volgens Van Meirvenne een revolutie kan zijn voor de landbouw. Preciezer landbouw plegen betekent immers in theorie minder uitstoot van CO2, minder gebruik van gewasbescherming en kunstmest en een hogere opbrengst per hectare. De alternatieve landbouw wordt bediend met een vak over de biologische landbouw. Groeit dat? “Eigenlijk niet. Zoals de sector blijft het een niche.”

Op de vraag waarom te weinig studenten kiezen voor een ingenieursopleiding, komen we bij de middelbare scholen. “Te weinig leerlingen kiezen voor wiskunde en wetenschappen. Daar zou meer aandacht voor moeten zijn. Zonder die vakken wek je minder interesse in een ingenieursstudie, en is het ook veel moeilijker om een dergelijke studie af te ronden. Eigenlijk is wekelijks 6 uur wiskunde en 2 uur per wetenschappelijke discipline minimaal nodig.” Waarom niet zomaar meer uren wiskunde en wetenschappen kunnen worden afgedwongen? “Het is nog altijd zo dat je ook met nul uren wiskunde op de middelbare school een ingenieursopleiding mag gaan volgen. Dat is een politieke keuze. In sommige landen zoals Nederland moeten je vakken waarin je eindexamen doet op de middelbare school overeenkomen met je studiekeuze daarna. Dat is niet zo in België.”

Samenwerking

De Universiteit Gent onderscheidt zich met biotechnologisch onderzoek, dat deels een onderdeel is van de faculteit Wetenschappen. Als het over landbouwonderzoek gaat, werkt men samen met de KU Leuven en onderzoeksinstituten als het Instituut voor Landbouw- Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), Inagro en de provinciale proefcentra. “Agrolink”, heet dit initiatief, dat wordt momenteel geleid door Joris Relaes, de administrateur-generaal van het ILVO. Agrolink moet het in Vlaanderen gefragmenteerde onderzoek samenbrengen.

“Het samenwerkingsverband helpt ons bijvoorbeeld om Europees gesteunde projecten binnen te halen”, zegt Van Meirvenne. De kans dat één groot nationaal centrum voor landbouwonderzoek ontstaat, zoals het Institut National de la Recherche Agronomique (INRAE) in Frankrijk (tot voor kort INRA) of Wageningen UR, dat ook de Nederlandse proefcentra beheert, acht Van Meirvenne klein.

“Politiek is een fusie van de faculteiten in Leuven en Gent niet haalbaar. En de proefcentra zijn stevig verbonden met de provincies, die dat niet zomaar loslaten. Het is een realiteit die je niet kunt wegdenken. Agrolink biedt een oplossing, al is het nog in de ontwikkelfase.”

Niet alleen worden de banden met het praktijkonderzoek structureel versterkt, dat geldt ook voor het bedrijfsleven. “We willen meer bedrijven bij ons betrekken, zonder onze onafhankelijkheid op te offeren. Er zijn al meerdere leerstoelen verbonden met bijvoorbeeld Milcobel, Crelan en Bayer, maar dat mogen er best meer worden.”

Met natuurlijk gepaste afstand. Het moet om fundamenteel, pre-competitief onderzoek gaan. “Maar zowel financieel als inhoudelijk kunnen bedrijven bijdragen. Deels moet het ook, want de overheid moet op haar uitgaven letten.”

Het Latijn van onze tijd

In Gent wordt doorgaans in het Nederlands gedoceerd. Indien niet in het Nederlands, dan in het Engels. Het Frans, hoewel de tweede grote landstaal, is met de taalontvoogding verdwenen. Een veel gehoorde klacht over universiteiten is dat het Engels het Nederlands verdringt. Kun je wel in een tweede taal het niveau handhaven? Van Meirvenne vindt de kritiek onterecht. In de Masterfase wordt zo’n 50% in het Engels gedoceerd. In de Bachelor-fase is dat percentage fors lager. Een aantal Masterstudies worden volledig in het Engels gegeven, met als doel buitenlandse studenten – vaak uit ontwikkelingslanden – vertrouwd te maken met de landbouwexpertise hier.

“Vaak wordt de discussie gevoerd met als gedachte dat we de Nederlandse taal niet goed genoeg meer vinden. Dat is onzin. Het gaat ons erom om studenten in staat te stellen naar het buitenland te gaan en daar te leren. En om buitenlandse studenten naar ons te halen. In pakweg China of Brazilië kom je nu eenmaal niet ver met Nederlands of Frans. “Het Engels is wereldwijd de belangrijkste tweede taal die men spreekt.”

Niet voor het geld, binnen de EU betalen studenten toch het gewone collegegeld, maar voor de culturele verrijking. “Ons taalgebied is nu eenmaal beperkt, dus is het mooi wanneer studenten ook kennis kunnen nemen van de rest van de wereld. Dat helpt onze landbouw ook vooruit, want de wereld zit vol belangrijke inzichten. We staan nu als Vlaanderen vooraan, maar om dat te blijven doen, moeten we de wereld onderzoeken.”

Jan Cees Bron

Meest recent

Meest recent